14.3.2016
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 98/22
Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Audiencia Provincial de A Coruña (Spanje) op 4 januari 2016 — Abanca Corporación Bancaria, S.A./María Isabel Vázquez Rosende
(Zaak C-1/16)
(2016/C 098/29)
Procestaal: Spaans
Verwijzende rechter
Audiencia Provincial de A Coruña
Partijen in het hoofdgeding
Appellante: Abanca Corporación Bancaria, S.A.
Geïntimeerde: María Isabel Vázquez Rosende
Prejudiciële vragen
1)
Kunnen de artikelen 6 en 7 van richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april [1993] betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (1) aldus worden uitgelegd dat de terugbetalingsverplichting voortvloeiend uit de nietigverklaring wegens oneerlijkheid van een bodemrentebeding in een leningovereenkomst niet terugwerkt tot de datum van sluiting van de overeenkomst, maar tot een latere datum?
2)
Is de goede trouw van de belanghebbende kringen, die als voorwaarde geldt voor beperking van de terugwerkende kracht van de nietigverklaring wegens oneerlijkheid van een beding, een autonoom Unierechtelijk begrip dat door alle lidstaten uniform dient te worden uitgelegd?
3)
Indien het antwoord op de vorige vraag ja is, aan welke criteria moet worden voldaan om te bepalen dat er sprake is van goede trouw van de belanghebbende kringen?
4)
Is het in elk geval verenigbaar met de artikelen 6 en 7 van richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april [1993] dat de goede trouw van de belanghebbende kringen aldus wordt uitgelegd dat er sprake kan zijn van goede trouw bij het gedrag van de verkoper, dat bij de totstandkoming van de overeenkomst heeft geleid tot het gebrek aan transparantie dat bepalend is geweest voor de oneerlijkheid van het beding?
5)
Is het verenigbaar met de artikelen 6 en 7 van richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april [1993] dat de goede trouw van de belanghebbende kringen aldus wordt uitgelegd dat de goede trouw van de verkoper in abstracto kan worden beoordeeld, of moet die goede trouw specifiek worden beoordeeld in het licht van het gedrag van de verkoper bij het sluiten van de overeenkomst?
6)
Is het gevaar van ernstige verstoringen, dat als voorwaarde geldt voor beperking van de terugwerkende kracht [van de nietigverklaring] van een oneerlijk beding, een autonoom Unierechtelijk begrip dat door alle lidstaten uniform dient te worden uitgelegd?
7)
Indien het antwoord op de vorige vraag ja is, aan welke criteria moet dan worden voldaan?
8)
Is het in elk geval verenigbaar met de artikelen 6 en 7 van richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april [1993] dat het gevaar van ernstige verstoringen uitsluitend wordt beoordeeld als het gevaar dat zich voor de verkoper kan voordoen, of moet ook rekening worden gehouden met de schade die de consumenten kunnen lijden door de niet volledige terugbetaling van de bedragen die op grond van het bodemrentebeding zijn voldaan?
9)
Moet het gevaar van ernstige verstoringen van het economisch bestel wanneer een consument een individuele vordering instelt, overeenkomstig de artikelen 6 en 7 van richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april [1993] uitsluitend worden beoordeeld in het licht van de economische weerslag van die specifieke vordering, dan wel in het licht van de economische gevolgen die het instellen van een individuele vordering door een groot aantal consumenten zou hebben?
(1) PB L 95, blz. 29.
Full & Egal Universal Law Academy