18.4.2016
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 136/14
Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Okresný súd Dunajská Streda (Slowaakse Republiek) op 27 januari 2016 — ERGO Poisťovňa, a. s./Alžbeta Barlíková
(Zaak C-48/16)
(2016/C 136/19)
Procestaal: Slowaaks
Verwijzende rechter
Okresný súd Dunajská Streda
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: ERGO Poisťovňa, a. s.
Verwerende partij: Alžbeta Barlíková
Prejudiciële vragen
1)
Moeten de bewoordingen „de overeenkomst tussen de derde en de principaal niet zal worden uitgevoerd” in artikel 11 van richtlijn 86/653/EEG van de Raad van 18 december 1986 (1) inzake de coördinatie van de wetgevingen van de lidstaten inzake zelfstandige handelsagenten (hierna: „richtlijn 86/653”) aldus worden uitgelegd dat daarmee wordt bedoeld:
a)
de volledige niet-uitvoering van de overeenkomst, dat wil zeggen noch de principaal noch de derde heeft de bepalingen van de overeenkomst uitgevoerd, zelfs niet gedeeltelijk;
b)
ook een gedeeltelijke niet-uitvoering van de overeenkomst, dat wil zeggen dat bij voorbeeld het aantal beoogde transacties niet is bereikt of de overeenkomst wordt beëindigd vóórdat de overeengekomen duur ervan is verstreken?
2)
Indien de uitlegging onder b) van de eerste vraag de juiste is, moet artikel 11, lid 2, van richtlijn 86/653 dan aldus worden uitgelegd dat een bepaling in een handelsagentuurovereenkomst volgens welke de agent gehouden is een evenredig deel van zijn provisie terug te betalen indien de overeenkomst tussen de principaal en de derde niet volledig is uitgevoerd — namelijk minder dan aanvankelijk werd beoogd of dan in de handelsagentuurovereenkomst werd overeengekomen — geen afwijking in het nadeel van de agent is?
3)
Kunnen, in de zaak die aan de orde is het hoofdgeding, bij de beoordeling van de vraag of „de niet-uitvoering niet terug te voeren is op omstandigheden die aan de principaal te wijten zijn” in de zin van het tweede streepje van artikel 11, lid 1, van richtlijn 86/653,
a)
enkel juridische omstandigheden in aanmerking worden genomen die rechtstreeks tot de beëindiging van de overeenkomst hebben geleid (zoals de beëindiging van de overeenkomst omdat de derde een daarin opgenomen contractuele verplichting niet is nagekomen);
b)
dan wel ook kan worden onderzocht of die juridische omstandigheden niet voortvloeiden uit de gedragingen van de principaal in diens rechtspositie ten opzichte van die derde welke ertoe hebben geleid dat de derde zijn vertrouwen in de principaal heeft verloren en hij daardoor een in de overeenkomst met de principaal opgenomen contractuele verplichting niet is nagekomen?
(1) PB L 382, blz. 17.
Full & Egal Universal Law Academy