18.4.2016
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 136/19
Verzoek om een prejudiciële beslissing, ingediend door de Administrativen sad Sofia-grad (Bulgarije) op 12 februari 2016 — „Heta Asset Resolution Bulgaria” OOD/Nachalnik na Mitnitsa Stolichna
(Zaak C-83/16)
(2016/C 136/25)
Procestaal: Bulgaars
Verwijzende rechter
Administrativen sad Sofia-grad
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij:„Heta Asset Resolution Bulgaria” OOD
Verwerende partij: Nachalnik na Mitnitsa Stolichna
Prejudiciële vragen
1.
Dienen de artikelen 161, lid 5, en 210, lid 3, van verordening (EEG) nr. 2913/92 (1) van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek aldus te worden uitgelegd dat een in het douanegebied van de Gemeenschap gevestigde persoon die partij is bij een overeenkomst over de verkoop van goederen aan een in een derde land gevestigde persoon, moet worden aangemerkt als iemand die goederen uit dit douanegebied uitvoert, wanneer deze overeenkomst de reden vormt om de betreffende goederen onder de in deze verordening bedoelde regeling uitvoer te plaatsen?
2.
Dienen de artikelen 161, lid 1, en 210, lid 1, van verordening (EEG) nr. 2913/92 aldus te worden uitgelegd dat er onder omstandigheden als die van het hoofdgeding sprake is van uitvoer en een douaneschuld bij uitvoer ontstaat ter zake van een schip (een jacht) waarvan de vlaggenstaat een lidstaat is, enkel op grond van een overeenkomst over de verkoop van dit schip aan een in een derde land gevestigde persoon en de uitschrijving ervan uit de scheepsregisters van die lidstaat?
3.
Dient artikel 795, lid 1, derde alinea, onder b), van verordening (EEG) nr. 2454 (2)[/93] [van de Commissie] van 2 juli 1993 houdende vaststelling van enkele bepalingen ter uitvoering van verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad tot vaststelling van het communautair douanewetboek aldus te worden uitgelegd dat –onder omstandigheden als die van het hoofdgeding — bij de uitvoer van een schip (een jacht) waarvan de vlaggenstaat een lidstaat is, de overeenkomst over de verkoop van dit schip aan een in een derde land gevestigde persoon en de uitschrijving ervan uit de scheepsregisters van die lidstaat voldoende bewijsmateriaal vormen in de zin van deze bepaling?
4.
Vloeit uit artikel 795, lid 1, derde alinea, onder b), en vierde alinea, [juncto] artikel 796 sexies, lid 1, onder b), van verordening (EEG) nr. 2454/93 voort dat de beoordeling door de ter zake bevoegde douaneautoriteit of voldoende bewijs als bedoeld in artikel 796 quinquies bis van deze verordening voorhanden is, onder de omstandigheden van het hoofdgeding bindend is en niet onderworpen is aan enige controle door de douaneautoriteit die bevoegd is voor de aanvaarding achteraf van een douaneaangifte in de zin van eerstgenoemde bepaling?
(1) PB L 302, blz. 1.
(2) PB L 253, blz. 1.
Full & Egal Universal Law Academy