18.4.2016
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 136/20
Hogere voorziening ingesteld op 19 februari 2016 door de Republiek Polen tegen het arrest van het Gerecht (Achtste kamer) van 3 december 2015 in zaak T-367/13, Republiek Polen/Europese Commissie
(Zaak C-105/16 P)
(2016/C 136/26)
Procestaal: Pools
Partijen
Rekwirante: Republiek Polen (vertegenwoordiger: B. Majczyna, gemachtigde)
Andere partij in de procedure: Europese Commissie
Conclusies
—
het arrest van het Gerecht van de Europese Unie van 3 december 2015 in zaak T-367/13, Republiek Polen/Europese Commissie, vernietigen, voor zover daarin de eerste grief inzake het vereiste om ten minste 50 % van de financiële steun voor herstructureringsmaatregelen te gebruiken, in het kader van het eerste middel van het beroep tot nietigverklaring van uitvoeringsbesluit 2013/214/EU van de Commissie van 2 mei 2013 houdende onttrekking aan EU-financiering van bepaalde uitgaven die de lidstaten hebben verricht in het kader van het Europees Oriëntatie- en Garantiefonds voor de Landbouw (EOGFL), afdeling Garantie, in het kader van het Europees Landbouwgarantiefonds (ELGF) of in het kader van het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (Elfpo) [Kennisgeving geschied onder nummer C(2013) 2436] (1), is afgewezen,
—
uitvoeringsbesluit 2013/214/EU van de Commissie van 2 mei 2013 houdende onttrekking aan EU-financiering van bepaalde uitgaven die de lidstaten hebben verricht in het kader van het Europees Oriëntatie- en Garantiefonds voor de Landbouw (EOGFL), afdeling Garantie, in het kader van het Europees Landbouwgarantiefonds (ELGF) of in het kader van het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (Elfpo) nietig verklaren, voor zover daarin een geëxtrapoleerde correctie is toegepast op de door de Republiek Polen gemelde uitgaven voor de ondersteuning van semi-zelfvoorzieningsbedrijven ter hoogte van 11 % ten bedrage van 4 583 950,92 EUR en 39 583 726,30 EUR,
—
de Europese Commissie verwijzen in de kosten van beide instanties.
Middelen en voornaamste argumenten
De Republiek Polen vordert vernietiging van het arrest van het Gerecht van de Europese Unie van 3 december 2015 in zaak T-367/13, Republiek Polen/Europese Commissie, voor zover daarin de eerste grief met betrekking tot het vereiste ten minste 50 % van de financiële steun voor herstructureringsmaatregelen te gebruiken, in het kader van het eerste middel van het beroep tot nietigverklaring van uitvoeringsbesluit 2013/214/EU van de Commissie van 2 mei 2013 houdende onttrekking aan EU-financiering van bepaalde uitgaven die de lidstaten hebben verricht in het kader van het Europees Oriëntatie- en Garantiefonds voor de Landbouw (EOGFL), afdeling Garantie, in het kader van het Europees Landbouwgarantiefonds (ELGF) of in het kader van het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (Elfpo) [Kennisgeving geschied onder nummer C(2013) 2436) (PB L 123 van 4 mei 2013, blz. 11] is afgewezen, alsook nietigverklaring van dit besluit voor zover daarin een geëxtrapoleerde correctie is toegepast op de door de Republiek Polen gemelde uitgaven voor de ondersteuning van semi-zelfvoorzieningsbedrijven ter hoogte van 11 % ten bedrage van 4 583 950,92 EUR en 39 583 726,30 EUR, en verwijzing van de Europese Commissie in de kosten van beide instanties.
In het bestreden arrest heeft het Gerecht het verzoek van de Republiek Polen tot nietigverklaring van het besluit van de Commissie afgewezen, waarin is bepaald dat op de door de Republiek Polen gemelde uitgaven voor de ondersteuning van semi-zelfvoorzieningsbedrijven financiële correcties worden toegepast ter bedrage van 8 292 783,94 EUR en 71 610 559,39 EUR.
De Commissie heeft de Republiek Polen met betrekking tot de uitgave van de middelen voor de ondersteuning van semi-zelfvoorzieningsbedrijven vijf inbreuken verweten, waaronder het niet voldoen aan de eis van artikel 33 ter van verordening nr. 1257/1999 (2), dat de landbouwer ten minste 50 % van de steun voor herstructureringsmaatregelen moet gebruiken. Voor de Commissie was deze inbreuk grond om een geëxtrapoleerde correctie ter hoogte van 11 % van de gemelde uitgaven ter ondersteuning van semi-zelfvoorzieningsbedrijven toe te passen, hetgeen overeenkomt met het percentage van de aanvragen waarbij in een steekproef van 100 door de Commissie gecontroleerde aanvraagdossiers is gebleken dat niet was voldaan aan het vereiste, de helft van de financiële ondersteuning voor de herstructurering te gebruiken.
In dit verband voert de Republiek Polen tegen het bestreden arrest het middel aan dat artikel 33 ter van verordening nr. 1257/1999 onjuist is toegepast, doordat ervan is uitgegaan dat de toekenning van de steun voor semi-zelfvoorzieningsbedrijven is onderworpen aan de voorwaarde dat ten minste 50 % van de steun voor herstructureringsmaatregelen wordt gebruikt, ofschoon voor een dergelijk vereiste geen grond bestaat in de bepalingen van het Unierecht.
De onjuiste toepassing van de bovengenoemde bepaling heeft geleid tot het oordeel van het Gerecht dat de Commissie er in het bestreden besluit terecht van is uitgegaan dat de Republiek Polen enkel de oorspronkelijke verzoeken om financiële ondersteuning had mogen inwilligen, waarin de begunstigde landbouwers zich er meer bepaald toe verplichtten ten minste 50 % van de steun voor herstructureringsmaatregelen te gebruiken.
De grief dat niet is voldaan aan het vereiste dat de landbouwer ten minste 50 % van de steun voor herstructureringsmaatregelen moet gebruiken, is de grondslag geweest voor de toepassing van de geëxtrapoleerde correctie ter hoogte van 11 % van de gemelde uitgaven voor de ondersteuning van semi-zelfvoorzieningsbedrijven.
Volgens de Republiek Polen volgt het vereiste dat de landbouwer ten minste 50 % van de steun voor herstructureringsmaatregelen moet gebruiken niet uit het Unierecht. In geen enkele bepaling van het Unierecht waarin de voorwaarden voor toekenning van de ondersteuning van semi-zelfvoorzieningsbedrijven afzonderlijk zijn neergelegd, wordt de voorwaarde gesteld dat ten minste 50 % van de steun voor herstructureringsmaatregelen moest worden gebruikt. Een dergelijke voorwaarde is niet vastgesteld in artikel 33 ter van verordening nr. 1257/1999. In verordening nr. 141/2004 (3) tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen ten aanzien van specifieke maatregelen voor plattelandsontwikkeling, die in hoofdstuk IXa van verordening nr. 1257/1999 zijn vastgesteld, heeft de Commissie al evenmin voorzien in een dergelijke eis.
De Poolse autoriteiten hebben derhalve hun controleverplichtingen ten aanzien van de hierboven vermelde voorwaarden voor de toekenning van de steun in het kader van de maatregel „ondersteuning van semi-zelfvoorzieningsbedrijven” niet geschonden. Bijgevolg is de toepassing van de financiële correctie met betrekking tot deze inbreuk niet gerechtvaardigd. Het Gerecht heeft het beroep tot nietigverklaring van uitvoeringsbesluit 2013/214/EU, voor zover daarin een geëxtrapoleerde correctie ter hoogte van 11 % van de door de Republiek Polen gemelde uitgaven voor de ondersteuning van semi-zelfvoorzieningsbedrijven is toegepast, dus ten onrechte verworpen.
(1) PB L 123, blz. 11.
(2) Verordening (EG) nr. 1257/1999 van de Raad van 17 mei 1999 inzake steun voor plattelandsontwikkeling uit het Europees Oriëntatie- en Garantiefonds voor de Landbouw (EOGFL) en tot wijziging en intrekking van een aantal verordeningen (PB L 160, blz. 80).
(3) Verordening (EG) nr. 141/2004 van de Commissie van 28 januari 2004 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen van verordening (EG) nr. 1257/1999 van de Raad ten aanzien van de overgangsmaatregelen voor plattelandsontwikkeling die gelden voor Tsjechië, Estland, Cyprus, Letland, Litouwen, Hongarije, Malta, Polen, Slovenië en Slowakije.
Full & Egal Universal Law Academy