13.6.2016
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 211/26
Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Krajowa Izba Odwoławcza (Polen) op 1 maart 2016 — Archus sp. z o.o., Gama Jacek Lipik/Polskiemu Górnictwu Naftowemu i Gazownictwu S.A.
(Zaak C-131/16)
(2016/C 211/33)
Procestaal: Pools
Verwijzende rechter
Krajowa Izba Odwoławcza
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partijen: Archus sp. z o.o., Gama Jacek Lipik
Verwerende partij: Polskiemu Górnictwu Naftowemu i Gazownictwu S.A.
Prejudiciële vragen
1)
Moet artikel 10 van richtlijn 2004/17/EG van het Europees Parlement en de Raad van 31 maart 2004 houdende coördinatie van de procedures voor het plaatsen van opdrachten in de sectoren water- en energievoorziening, vervoer en postdiensten (1) aldus worden uitgelegd dat de aanbestedende dienst verplicht kan zijn de aanbieders die niet binnen de voorgeschreven termijn (dat wil zeggen de termijn voor indiening van de inschrijvingen) de door de aanbiedende dienst verlangde „verklaringen of documenten” hebben ingediend, die bevestigen dat de aangeboden leveringen, diensten of werken voldoen aan de door de aanbestedende dienst gestelde eisen (waarbij het begrip „verklaringen of documenten” ook proeven van het voorwerp van de opdracht omvat), of die de verlangde „verklaringen of documenten” hebben ingediend terwijl deze fouten bevatten, te verzoeken de ontbrekende respectievelijk verbeterde „verklaringen of documenten” (proeven) binnen een vastgestelde, aanvullende termijn in te dienen zonder dat een verbod wordt ingesteld op grond waarvan de aangevulde „verklaringen of documenten” (proeven) de inhoud van de inschrijving niet mogen wijzigen?
2)
Moet artikel 10 van richtlijn 2004/17/EG van het Europees Parlement en de Raad van 31 maart 2004 houdende coördinatie van de procedures voor het plaatsen van opdrachten in de sectoren water- en energievoorziening, vervoer en postdiensten aldus worden uitgelegd dat de aanbestedende dienst de cautie van de aanbieder mag houden wanneer deze, nadat hem door de aanbestedende dienst om aanvulling was verzocht, geen „verklaringen of documenten” (proeven) heeft ingediend die bevestigen dat de aangeboden leveringen, diensten of werken voldoen aan de door de aanbestedende dienst gestelde eisen, indien een dergelijke aanvulling zou leiden tot wijziging van de inhoud van de inschrijving of de aanbieder het niet eens was met de door de aanbiedende dienst aangebrachte verbetering in de inschrijving, met als gevolg dat de inschrijving van de aanbieder niet als gunstigste inschrijving kon worden geselecteerd?
3)
Moet artikel 1, lid 3, van richtlijn 92/13/EEG van de Raad van 25 februari 1992 tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende de toepassing van de communautaire voorschriften inzake de procedures voor het plaatsen van opdrachten door diensten die werkzaam zijn in de sectoren water- en energievoorziening, vervoer en telecommunicatie, gewijzigd bij richtlijn 2007/66/EG van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2007 tot wijziging van de richtlijnen 89/665/EEG en 92/13/EEG van de Raad met betrekking tot de verhoging van de doeltreffendheid van de beroepsprocedures inzake het plaatsen van overheidsopdrachten, in die zin worden uitgelegd dat onder een „bepaalde opdracht”, waarvan in die bepaling sprake is in het tekstfragment „belang heeft of heeft gehad bij de gunning van een bepaalde opdracht”, een „bepaalde procedure die is doorlopen voor de gunning van een overheidsopdracht” (hier: bekendgemaakt bij kennisgeving van 3 juni 2015) moet worden begrepen, of dat daarmee een „bepaald voorwerp van de opdracht” (hier: de dienst om stukken uit het archief van de aanbestedende dienst te digitaliseren) wordt bedoeld, ongeacht of door rekening te houden met het herzieningsverzoek de aanbestedende dienst verplicht zal zijn de lopende procedure tot gunning van een overheidsopdracht nietig te verklaren en eventueel een nieuwe procedure tot plaatsing van een overheidsopdracht te openen?
(1) PB L 134, blz. 1.