16.8.2016
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 296/18
Hogere voorziening ingesteld op 29 maart 2016 door Meica Ammerländische Fleischwarenfabrik Fritz Meinen GmbH & Co. KG tegen het arrest van het Gerecht (Zesde kamer) van 4 februari 2016 in zaak T-247/14, Meica Ammerländische Fleischwarenfabrik Fritz Meinen GmbH & Co. KG/Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie
(Zaak C-182/16 P)
(2016/C 296/23)
Procestaal: Engels
Partijen
Rekwirante: Meica Ammerländische Fleischwarenfabrik Fritz Meinen GmbH & Co. KG (vertegenwoordiger: S. Labesius, Rechtsanwalt)
Andere partijen in de procedure: Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie, Salumificio Fratelli Beretta SpA
Conclusies
—
het bestreden arrest gedeeltelijk vernietigen en de beslissing van de vierde kamer van beroep van het Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie vernietigen, voor zover het beroep bij het Gerecht voor het overige is verworpen, subsidiair de zaak in zoverre terugverwijzen naar het Gerecht, en
—
verweerder en interveniënte verwijzen in de kosten van de procedure voor het Gerecht en verweerder verwijzen in de kosten van de procedure voor het Hof van Justitie.
Middelen en voornaamste argumenten
De hogere voorziening is gebaseerd op schending van het Unierecht door het Gerecht voor zover het in zijn arrest van 4 februari 2016 artikel 8, lid 1, onder b), van verordening nr. 207/2009 (1) van de Raad inzake het gemeenschapsmerk en artikel 296, lid 2, VWEU heeft geschonden.
Kort samengevat heeft het Gerecht, wat de inschrijvingsaanvraag voor het Uniemerk „Stick Minimini…” betreft, het verwarringsgevaar op basis van het onderscheidend vermogen van het oudere merk „MINI WINI” en van de overeenstemming en soortgelijkheid van de tekens en de waren onjuist beoordeeld, zulks ook met betrekking tot de onderscheiden autonome plaats van het element „Minimini” in het kader van de aanvraag. Bovendien heeft het Gerecht niet in aanmerking genomen dat ook inherent zwakke elementen van een merk bijdragen tot verwarringsgevaar, evenals de specifieke omstandigheden van de distributie van waren die van invloed zijn op de mate van aandacht van het relevante publiek en de neiging om een merk af te korten door een zwak maar visueel dominerend element.
Voorts heeft het Gerecht blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, aangezien zelfs indien zou moeten worden aangenomen dat een woordelement een louter beschrijvend karakter heeft, een dergelijk karakter zich niet ertegen verzet dat bedoeld element wordt geacht dominerend te zijn met het oog op de beoordeling van de overeenstemming van de tekens. Tevens was de beslissing van het Gerecht gebaseerd op een onjuiste opvatting van de feiten met betrekking tot de beoordeling van de dominerende elementen aan de hand van de grootte en de plaats ervan binnen het teken van de litigieuze inschrijvingsaanvraag voor het Uniemerk. Bovendien heeft het Gerecht blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting toen het stelde dat de visuele overeenstemming moet worden beoordeeld naar gelang van de mate van onderscheidend vermogen van visuele elementen van de litigieuze inschrijvingsaanvraag voor het Uniemerk. Ten slotte was het bestreden arrest niet naar behoren gemotiveerd aangezien het Gerecht geen motivering heeft gegeven van het niveau van de aandacht van het relevante publiek met betrekking tot de specifieke betrokken waren.
(1) PB L 78, blz. 1.
Full & Egal Universal Law Academy