18.7.2016
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 260/16
Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Landgericht München I (Duitsland) op 4 april 2016 – Strafzaak tegen Ionel Opria
(Zaak C-188/16)
(2016/C 260/21)
Procestaal: Duits
Verwijzende rechter
Landgericht München I
Partijen in de strafzaak
Ionel Opria
Andere partij: Staatsanwaltschaft München I
Prejudiciële vraag
Moeten de artikelen 2, 3, lid 1, onder c), en 6, leden 1 en 3, van richtlijn 2012/13/EU van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2012 betreffende het recht op informatie in strafprocedures (1), aldus worden uitgelegd dat zij zich ook dan verzetten tegen de wettelijke voorschriften van een lidstaat die bepalen dat in het kader van een strafzaak gericht tegen een beklaagde die geen vaste woon- of verblijfplaats in de lidstaat heeft, de aan hem gerichte strafbeschikking kan worden betekend aan een door hem met het oog op de betekeningen benoemde gemachtigde, met als gevolg dat de strafbeschikking in kracht van gewijsde gaat na het verstrijken van de termijn voor verzet (van 2 weken) die ingaat vanaf de betekening aan de gemachtigde, wanneer de wettelijke voorschriften erin voorzien dat beklaagden die binnen 2 weken nadat zij van de strafbeschikking daadwerkelijk kennis hebben genomen bij het bevoegde gerecht schriftelijk verzet instellen tegen de strafbeschikking, ambtshalve in de vorige toestand moeten worden hersteld, met als gevolg dat de procedure vanaf die beslissing tot herstel in de vorige toestand wordt voortgezet alsof tijdig verzet is ingesteld?
(1) PB L 142, blz. 1.