13.6.2016
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 211/36
Verzoek om een prejudiciële beslissing, ingediend door de Raad van State (België) op 11 april 2016 — Belgische Staat/Max-Manuel Nianga
(Zaak C-199/16)
(2016/C 211/46)
Procestaal: Frans
Verwijzende rechter
Raad van State
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: Belgische Staat
Verwerende partij: Max-Manuel Nianga
Prejudiciële vraag
Dient artikel 5 van richtlijn 2008/115/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 over gemeenschappelijke normen en procedures in de lidstaten voor de terugkeer van onderdanen van derde landen die illegaal op hun grondgebied verblijven (1) — gelezen in samenhang met artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en gelet op het recht om in elke procedure te worden gehoord, dat een integrerend deel is van het algemene beginsel van Unierecht volgens hetwelk de rechten van de verdediging moeten worden geëerbiedigd, zoals dat recht geldt in het kader van die richtlijn — aldus te worden uitgelegd dat de nationale autoriteit krachtens deze richtlijnbepaling rekening moet houden met het belang van het kind, het familie- en gezinsleven en de gezondheidstoestand van de betrokken onderdaan van een derde land bij de uitvaardiging van het terugkeerbesluit als bedoeld in de artikelen 3, punt 4, en 6, lid 1, van de richtlijn, of aldus dat deze autoriteit krachtens die richtlijnbepaling daarmee rekening moet houden bij de verwijdering in de zin van de artikelen 3, punt 5, en 8 van dezelfde richtlijn?
(1) PB L 348, blz. 98.