20.6.2016
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 222/7
Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Efeteio Athinon (Griekenland) op 18 april 2016 – Europese Commissie/Dimos Zagoriou
(Zaak C-217/16)
(2016/C 222/09)
Procestaal: Grieks
Verwijzende rechter
Efeteio Athinon
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: Europese Commissie
Verwerende partij: Dimos Zagoriou
Prejudiciële vragen
1)
Wat is het karakter van de handelingen die de Europese Commissie verricht in de uitoefening van haar bevoegdheden krachtens de verordeningen (EEG) nrs. 2052/1988 (1), 4253/1988 (2) en 4256/1988 (3), en met name: [zijn] die handelingen van de Commissie publiekrechtelijke handelingen en zijn de daaruit rijzende geschillen inhoudelijk steeds bestuursrechtelijke geschillen, inzonderheid wanneer het door de Europese Commissie onder een derde gelegde beslag betrekking heeft op een civielrechtelijke vordering, terwijl de vordering op de voldoening waarvan de executie betrekking heeft haar oorsprong vindt in een publiekrechtelijke rechtsverhouding die berust op de hierboven omschreven besluiten van de Europese Commissie[;] of zijn het handelingen van civielrechtelijke aard, die aanleiding geven tot civielrechtelijke geschillen?
2)
Gelet op de bepaling in artikel 299 VWEU dat de gedwongen tenuitvoerlegging van de besluiten van de Europese Commissie die een geldelijke verplichting voor natuurlijke of rechtspersonen – anders dan de lidstaten – opleggen, wordt beheerst door het burgerlijke procesrecht van de lidstaat op het grondgebied van de tenuitvoerlegging en dat het toezicht op de regelmatigheid van de wijze van tenuitvoerlegging tot de bevoegdheid van de nationale rechterlijke instanties behoort, hoe wordt bepaald welke nationale rechter bevoegd is ter zake van geschillen die rijzen uit die gedwongen tenuitvoerlegging, wanneer dit volgens het nationale recht naar hun inhoud bestuursrechtelijke geschillen zijn, dat wil zeggen wanneer de onderliggende verhouding van publiekrechtelijke aard is?
3)
In het geval van gedwongen tenuitvoerlegging van een besluit van de Europese Commissie krachtens de verordeningen nrs. 2052/1988, 4253/1988 en 4256/1988 dat een geldelijke verplichting voor natuurlijke of rechtspersonen – anders dan de lidstaten – oplegt, wordt de passieve legitimatie van degene op wie de verplichting rust, bepaald volgens het nationale recht of het communautaire recht?
4)
Wanneer de persoon die gehouden is tot voldoening van een geldelijke verplichting uit hoofde van een door de Europese Commissie ter uitvoering van de verordeningen nrs. 2052/1988, 4253/1988 en 4258/1988 vastgesteld besluit, een inmiddels ontbonden gemeentelijke onderneming is, moet dan volgens deze verordeningen de gemeente waaraan die onderneming toebehoort worden geacht gehouden te zijn tot voldoening van die geldelijke verplichting jegens de Europese Commissie?
(1) PB L 185 van 15.7.1988, blz. 9.
(2) PB L 374 van 31.12.1988, blz. 1.
(3) PB L 374 van 31.12.1988, blz. 25.