22.8.2016
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 305/12
Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Oberste Gerichtshof (Oostenrijk) op 2 mei 2016 — Saale Kareda/Stefan Benkö
(Zaak C-249/16)
(2016/C 305/17)
Procestaal: Duits
Verwijzende rechter
Oberster Gerichtshof
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: Saale Kareda
Verwerende partij: Stefan Benkö
Prejudiciële vragen
1)
Dient artikel 7, punt 1, van verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (1) (hierna: „EEX-verordening 2012”) aldus te worden uitgelegd dat een recht op terugbetaling (verrekening/verhaal), dat een schuldenaar die in het kader van een (gezamenlijk) gesloten kredietovereenkomst met een bank alle aflossingstermijnen alleen heeft betaald, geldend maakt tegen de andere schuldenaar in deze kredietovereenkomst, een afgeleid (secundair) contractueel recht voortvloeiend uit de kredietovereenkomst is?
2)
Indien de eerste vraag bevestigend wordt beantwoord:
Wordt de plaats van uitvoering van het recht op terugbetaling (verrekening/verhaal) van een schuldenaar jegens de andere schuldenaar in de onderliggende kredietovereenkomst bepaald
a.
op grond van artikel 7, punt 1, onder b), tweede streepje, EEX-verordening 2012 („verstrekking van diensten”) of
b.
op grond van artikel 7, punt 1, onder c), juncto onder a), EEX-verordening 2012 volgens de lex causae?
3)
Voor het geval dat de tweede vraag, onder a, bevestigend wordt beantwoord:
Is de verstrekking van het krediet door de bank de voor de kredietovereenkomst kenmerkende prestatie, en wordt de plaats van uitvoering voor de verstrekking van deze dienst derhalve op grond van artikel 7, punt 1, onder b), tweede streepje, EEX-verordening 2012 bepaald door de vestigingsplaats van de bank, indien de verstrekking van het krediet uitsluitend daar is geschied?
4)
Voor het geval dat de tweede vraag, onder b, bevestigend wordt beantwoord:
Is voor de bepaling van de plaats van uitvoering ten aanzien van de niet-nagekomen prestatie overeenkomstig artikel 7, punt 1, onder a), EEX-verordening 2012 doorslaggevend:
a.
het tijdstip waarop beide schuldenaren de lening zijn aangegaan (maart 2007) of
b.
het tijdstip waarop de tot verhaal bevoegde kredietschuldenaar de betalingen waaruit het recht van verhaal wordt afgeleid, aan de bank heeft verricht (juni 2012 tot en met juni 2014)?
(1) PB L 351, blz. 1.
Full & Egal Universal Law Academy