16.8.2016
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 296/19
Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Fővárosi Közigazgatási és Munkaügyi Bíróság (Hongarije) op 3 mei 2016 — Glencore Grain Hungary Kft./Nemzeti Adó- és Vámhivatal Fellebbviteli Igazgatóság
(Zaak C-254/16)
(2016/C 296/24)
Procestaal: Hongaars
Verwijzende rechter
Fővárosi Közigazgatási és Munkaügyi Bíróság
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: Glencore Grain Hungary Kft.
Verwerende partij: Nemzeti Adó- és Vámhivatal Fellebbviteli Igazgatóság
Prejudiciële vragen
1)
Moet artikel 183 van richtlijn 2006/112 (1) aldus worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een nationale wettelijke regeling die bepaalt dat de termijn voor de terugbetaling van het btw-overschot wordt verlengd tot de dag van de afgifte van het proces-verbaal van de inspectie, indien in het kader van de fiscale controleprocedure die is ingesteld binnen een termijn van 30 dagen te rekenen vanaf de ontvangst van het verzoek tot terugbetaling, aan de belastingplichtige een verzuimboete wordt opgelegd?
2)
Verzet artikel 183 van de btw-richtlijn zich, gelet op het beginsel van fiscale neutraliteit en het evenredigheidsbeginsel, tegen een nationale wettelijke regeling die in geval van te late terugbetaling van een bedrag de betaling van vertragingsrente uitsluit indien de belastingadministratie in het kader van de controle die met het oog op deze terugbetaling geschiedt, de belastingplichtige op grond van zijn samenwerkingsplicht een sanctie heeft opgelegd, ook al heeft de controle, die meerdere jaren heeft geduurd, aangesleept om redenen die niet hoofdzakelijk toe te rekenen zijn aan de belastingplichtige?
3)
Moeten artikel 183 van richtlijn 2006/112 en het beginsel van doeltreffendheid aldus worden uitgelegd dat het verzoek tot betaling van rente dat verband houdt met belastingen die in strijd met het recht van de Unie zijn ingehouden of niet zijn terugbetaald, een subjectief recht is dat rechtstreeks voortvloeit uit het recht van de Unie zelf, zodat de schending van het Unierecht volstaat om voor de rechterlijke en andere instanties van de lidstaten aanspraak te kunnen maken op rente?
4)
Indien de verwijzende rechter, rekening houdend met de antwoorden op de vorige vragen, in het hoofdgeding vaststelt dat de nationale wettelijke regeling in strijd is met artikel 183 van de btw-richtlijn, handelt hij dan in overeenstemming met het Unierecht indien hij de in de nationale administratieve besluiten vervatte weigering om vertragingsrente te betalen in strijd acht met deze bepaling?
(1) Richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (PB L 347, blz. 1).