4.7.2016
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 243/25
Hogere voorziening ingesteld op 12 mei 2016 door Deutsche Bahn AG, Schenker AG, Schenker China Ltd, Schenker International (H.K.) Ltd tegen het arrest van het Gerecht (Negende kamer) van 29 februari 2016 in zaak T-267/12, Deutsche Bahn AG e.a./Europese Commissie
(Zaak C-264/16 P)
(2016/C 243/26)
Procestaal: Engels
Partijen
Rekwiranten: Deutsche Bahn AG, Schenker AG, Schenker China Ltd, Schenker International (H.K.) Ltd (vertegenwoordigers: F. Montag, Rechtsanwalt, F. Hoseinian, avocat, M. Eisenbarth, Rechtsanwalt)
Andere partij in de procedure: Europese Commissie
Conclusies
—
het arrest van het Gerecht van 29 februari 2016 in zaak T-267/12 Deutsche Bahn AG e.a./Europese Commissie vernietigen;
—
artikel 1, lid 2, onder g), lid 3, onder a) en b), en lid 4, onder h), van het besluit van de Commissie van 28 maart 2012 in zaak COMP/39462 – Vrachtvervoer („het besluit”) nietig verklaren of, subsidiair, de zaak terugverwijzen naar het Gerecht;
—
de geldboetes vervat in artikel 2, lid 2, onder g), lid 3, onder a) en b), en lid 4, onder h), van het besluit nietig verklaren of, subsidiair, verlagen, of, meer subsidiair, de zaak terugverwijzen naar het Gerecht; en
—
de Commissie verwijzen in de proceskosten.
Middelen en voornaamste argumenten
1.
Het Gerecht geeft blijk van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat de Commissie bevoegd was om zich te baseren op het verzoek om immuniteit van Deutsche Post, dat het beginsel dat dubbele vertegenwoordiging verboden is, niet is geschonden en dat de Commissie de potentiële schending van dat beginsel niet hoefde te onderzoeken.
2.
Het Gerecht geeft blijk van een onjuiste rechtsopvatting door artikel 1 van verordening nr. 141/62 (1) aldus uit te leggen dat het niet van toepassing is op de gedragingen in verband met het „Advance Manifest System”.
3.
Het Gerecht geeft blijk van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat de Commissie niet in strijd heeft gehandeld met artikel 41 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, het beginsel van behoorlijk bestuur, en de motiveringsplicht ingevolge artikel 296 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU), door te besluiten The Brink’s Company en Schenker China Ltd. [als rechtsopvolger van BAX Global (China) Co. Ltd.] niet hoofdelijk aansprakelijk te stellen voor de gedragingen in verband met de „Chinese Currency Adjustment Factor”.
4.
Het Gerecht geeft blijk van een onjuiste rechtsopvatting door de inhoud van het besluit verkeerd weer te geven, de hem krachtens artikel 264 VWEU toegekende bevoegdheden te overschrijden, en bij de toepassing van het evenredigheidsbeginsel geen belangenafweging te verrichten voor zijn oordeel dat de Commissie niet in strijd heeft gehandeld met artikel 23 van verordening nr. 1/2003 (2), het evenredigheidsbeginsel en het beginsel dat de straf bij de berekening van de geldboetes in verhouding moet worden gebracht tot de overtreding.
5.
Het Gerecht geeft blijk van een onjuiste rechtsopvatting door de door de Commissie op basis van de clementieregeling van 2006 (3) gehanteerde verminderingsfactoren te bevestigen. Het Gerecht vat de inhoud van het besluit onjuist op en schendt het recht van rekwiranten op een eerlijk proces.
(1) EEG: verordening nr. 141 van de Raad houdende niet-toepassing op de vervoersector van verordening nr. 17 (PB 124, blz. 2751).
(2) Verordening (EG) nr. 1/2003 van de Raad van 16 december 2002 betreffende de uitvoering van de mededingingsregels van de artikelen 81 en 82 van het Verdrag (PB L 1, blz. 1).
(3) Mededeling van de Commissie betreffende immuniteit tegen geldboeten en vermindering van geldboeten in kartelzaken (PB C 298, blz. 17).