1.8.2016
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 279/16
Hogere voorziening ingesteld op 11 maart 2016 door Binca Seafoods GmbH tegen de beschikking van het Gerecht (Vierde kamer) van 13 mei 2016 in zaak T-94/15, Binca Seafoods GmbH/Europese Commissie
(Zaak C-268/16 P)
(2016/C 279/22)
Procestaal: Duits
Partijen
Rekwirante: Binca Seafoods GmbH (vertegenwoordiger: H. Schmidt, Rechtsanwalt)
Andere partij in de procedure: Europese Commissie
Conclusies
Rekwirante verzoekt
1.
de beschikking van het Gerecht van 11 maart 2016 in zaak T-94/15 te vernietigen, en
2.
uitvoeringsverordening (EU) nr. 1358/2014 van de Commissie van 18 december 2014 houdende wijziging van verordening (EG) nr. 889/2008 tot vaststelling van bepalingen ter uitvoering van verordening (EG) nr. 834/2007 van de Raad, wat betreft de herkomst van biologische aquacultuurdieren, aquacultuurhouderijpraktijken, voeder voor biologische aquacultuurdieren en voor gebruik in de biologische aquacultuur toegestane producten en stoffen (1), nietig te verklaren.
Middelen en voornaamste argumenten
Rekwirante verzoekt om de beschikking van het Gerecht van 11 maart 2016 in zaak T-94/15, waarbij haar verzoek tot nietigverklaring van uitvoeringsverordening (EU) nr. 1358/2014 van de Commissie van 18 december 2014 houdende wijziging van verordening (EG) nr. 889/2008 tot vaststelling van bepalingen ter uitvoering van verordening (EG) nr. 834/2007 van de Raad, wat betreft de herkomst van biologische aquacultuurdieren, aquacultuurhouderijpraktijken, voeder voor biologische aquacultuurdieren en voor gebruik in de biologische aquacultuur toegestane producten en stoffen, niet-ontvankelijk is verklaard, te vernietigen en deze verordening dienovereenkomstig nietig te verklaren.
Rekwirante betoogt dat haar door titel VI, artikel 47, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie gewaarborgde justitiële grondrechten zijn geschonden. Haar beroep tot nietigverklaring is ten gronde toegelaten door het primaire recht van de Unie. Het grondrecht van artikel 47, eerste volzin, is erop gericht dat doeltreffend gebruik kan worden gemaakt van ten gronde toegelaten rechtsmiddelen. De beschikking van het Gerecht maakt inbreuk op rekwirantes recht op een doeltreffende voorziening in rechte in die zin dat haar geen effectieve rechtsbescherming wordt verleend in de zin van artikel 47, eerste volzin, van het Handvest.
Voorts stelt rekwirante dat haar in artikel 47, tweede volzin, neergelegde grondrecht is geschonden, aangezien inbreuk is gemaakt op haar door artikel 21 gewaarborgde grondrecht op non-discriminatie en haar in artikel 16 verankerde grondrecht op vrijheid van ondernemerschap, zonder dat haar beroep als een effectief rechtsmiddel is behandeld. Het Gerecht heeft het doel van haar beroep, concurrentiebescherming te verkrijgen, ten onrechte als een ander doel uitgelegd, namelijk als het doel, zelf een verlenging van de overgangsperiode te verkrijgen, wat echter niet het doel van rekwirantes verzoek tot nietigverklaring is.
Rekwirante komt op tegen het feit dat zij als leverancier van pangasius-aquacultuurproducten uit Vietnam wordt gediscrimineerd ten opzichte van leveranciers van dierlijke aquacultuurproducten — met name uit de Europese Unie — waarvoor de overgangsregeling door de bestreden verordening is verlengd tot na het einde van 2015, terwijl die voor pangasius is verstreken.
Zij betoogt dat haar concurrenten door deze willekeurige bevoordeling hun producten met de vermelding „Bio” kunnen aanbieden, terwijl haar dit recht wordt ontzegd. Hoewel haar concurrenten evenmin volledig voldoen aan de voorwaarden van het recht van de Europese Unie inzake biologische producten, mogen zij toch de vermelding „Bio” gebruiken, waardoor zij een oneerlijk concurrentievoordeel genieten, dat door niets wordt gerechtvaardigd. Zij wenst gelijk te worden behandeld door de wetgever van de Unie.
Zij betoogt dat het algemene gelijkheidsbeginsel van artikel 20 van het Handvest van de grondrechten is geschonden en dat zij is gediscrimineerd in de zin van artikel 21. Voorts is zij van mening dat inbreuk is gemaakt op haar in artikel 16 van het Handvest van de grondrechten neergelegde recht op vrij ondernemerschap.
(1) PB. L 365, blz. 97.