8.8.2016
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 287/14
Hogere voorziening ingesteld op 25 mei 2016 door Dextro Energy GmbH & Co. KG tegen het arrest van het Gerecht (Vijfde kamer) van 16 maart 2016 in de zaak T-100/15, Dextro Energy GmbH & Co. KG/Europese Commissie
(Zaak C-296/16 P)
(2016/C 287/18)
Procestaal: Duits
Partijen
Rekwirante: Dextro Energy GmbH & Co. KG (vertegenwoordigers: M. Hagenmeyer en T. Teufer, Rechtsanwälte)
Andere partij in de procedure: Europese Commissie
Conclusies
—
volledige vernietiging van het arrest van het Gerecht van de Europese Unie van 16 maart 2016 in de zaak T-100/15.
Ingeval de hogere voorziening gegrond wordt verklaard, wordt verzocht het in eerste aanleg gevorderde volledig toe te wijzen, namelijk:
1.
nietigverklaring van verordening (EU) 2015/8 (1) van de Commissie van 6 januari 2015 tot weigering van een vergunning voor bepaalde gezondheidsclaims voor levensmiddelen die niet over ziekterisicobeperking en de ontwikkeling en de gezondheid van kinderen gaan;
2.
verwijzing van de Commissie in de kosten.
Middelen en voornaamste argumenten
Om te beginnen voert rekwirante aan dat het Gerecht een onjuist toetsingscriterium hanteert:
Door te oordelen dat bij „zeer ingewikkelde wetenschappelijke en technische feiten” alleen moet worden nagegaan of de Commissie geen misbruik heeft gemaakt van haar beoordelingsbevoegdheid, heeft het Gerecht van meet af aan afgezien van een groot deel van de discretionaire beoordeling, die het Gerecht en het Hof echter daadwerkelijk dienen uit te voeren. Het Gerecht en het Hof moeten niet slechts nagaan of de Commissie misbruik heeft gemaakt van haar beoordelingsbevoegdheid. Veeleer kan en moet door de rechter worden onderzocht of de Commissie de voorschriften van de Europese wetgever in artikel 18, lid 4, van verordening (EG) nr. 1924/2006 correct heeft opgevat en in dat verband haar beoordelingsbevoegdheid juist heeft gebruikt. Bij de toetsing door de rechter moet ook iedere vorm van onjuist gebruik van de beoordelingsbevoegdheid worden nagegaan. Dit is in casu niet gebeurd doordat het belang van „andere factoren die ter zake een rol spelen” niet juist is ingeschat en deze factoren onjuist zijn beoordeeld.
Voorts stelt rekwirante dat artikel 18, lid 4, van verordening (EG) nr. 1924/2006 is geschonden, en zij baseert zich daarvoor op 3 middelen:
In de eerste plaats is de weigering om de betrokken gezondheidsclaims toe te staan gebaseerd op beoordelingsfouten van de Commissie. Dat blijkt om te beginnen uit de in artikel 18, lid 4, van verordening (EG) nr. 1924/2006 bepaalde hiërarchie van factoren die ter zake een rol spelen. Niet iedere inaanmerkingneming van een ter zake dienende factor kan ook een weigering om materieel toepasselijke en wetenschappelijk voldoende onderbouwde gezondheidsclaims toe te staan rechtvaardigen. Volgens rekwirante komen zij volgens overweging 17 van de verordening niet „op de eerste plaats” bij het besluit om de claims al dan niet toe te staan. „Op de eerste plaats” bij gezondheidsclaims moet een „wetenschappelijke onderbouwing… komen”. Deze afweging vindt ook haar neerslag in artikel 18, lid 4, van verordening (EG) nr. 1924/2006. Op de eerste plaats wordt daar het advies van de autoriteit genoemd.
In de tweede plaats heeft de Commissie haar beoordelingsbevoegdheid krachtens artikel 18, lid 4, van verordening (EG) nr. 1924/2006 tevens foutief uitgeoefend, doordat zij ten onrechte ervan is uitgegaan dat rekwirantes claims een „tegenstrijdige en verwarrende boodschap aan de consument” zouden kunnen overbrengen. Een vermelding van bewezen effecten van glucose betekent niet dat men suiker moet gebruiken of zelfs meer ervan moet gebruiken, noch dat er geen aanbevelingen van derden bestaan om het gebruik van suiker te verminderen. Van een tegenstrijdigheid kan bijgevolg geen sprake zijn — in het bijzonder niet waar het gaat om de in de claims concreet genoemde gezonde, actieve en sportieve mannen en vrouwen.
In de derde plaats blijkt nog een beoordelingsfout van de Commissie in het kader van artikel 18, lid 4, van verordening (EG) nr. 1924/2006 uit het feit dat zij ten onrechte heeft gemeend dat rekwirantes claims dubbelzinnig en misleidend zijn. Om een oplettende gemiddelde consument te misleiden, moeten rekwirantes gezondheidsclaims bedrieglijk zijn. Juist dat is in casu niet het geval.
Daarnaast voert rekwirante schending van het evenredigheidsbeginsel aan.
De weigering van de Commissie om rekwirantes gezondheidsclaims toe te staan, schendt het evenredigheidsbeginsel. De Commissie is als instelling van de Europese Unie gehouden tot eerbiediging van het evenredigheidsbeginsel bij de uitoefening van haar beoordelingsbevoegdheid in de zin van artikel 5, lid 4, punt 1), VEU. Wanneer algemeen aanvaarde voedings- en gezondheidsbeginselen de enige reden vormen voor de weigering om rekwirantes gezondheidsclaims toe te staan, zonder dat voldoende rekening wordt gehouden met de concrete omstandigheden van het individuele geval, dan vormt dit schending van het evenredigheidsbeginsel. Op grond van de algemene beginselen is het in het concrete geval niet noodzakelijk om te weigeren rekwirantes claims toe te staan, maar komen veeleer minder verregaande oplossingen als specifieke gebruiksvoorwaarden en etiketteringsvoorschriften in overweging. Dienaangaande geldt bovendien dat ook vanuit voedings- en gezondheidsstandpunt een onbeperkt totaalverbod van de materieel correcte en wetenschappelijk voldoende onderbouwde gezondheidsclaims als gevolg van de weigering om deze claims toe te staan, geen gepaste maatregel vormt om een hoog niveau van consumentenbescherming te verkrijgen.
Tot slot betoogt rekwirante dat het beginsel van gelijke behandeling is geschonden.
Het is eveneens duidelijk dat de weigering om de betrokken gezondheidsclaims toe te staan het beginsel van gelijke behandeling schendt. De Commissie gaat in vergelijkbare zaken anders om met vergunningen, hoewel er geen materiële redenen bestaan voor een ongelijke behandeling.
(1) PB 2015, L 3, blz. 6.