26.9.2016
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 350/14
Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Arbeitsgericht Verden (Duitsland) op 27 juni 2016 — Ute Kleinsteuber/Mars GmbH
(Zaak C-354/16)
(2016/C 350/18)
Procestaal: Duits
Verwijzende rechter
Arbeitsgericht Verden
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: Ute Kleinsteuber
Verwerende partij: Mars GmbH
Prejudiciële vragen
1.
a)
Moet het toepasselijke Unierecht, inzonderheid clausule 4, punten 1 en 2, van de kaderovereenkomst inzake deeltijdarbeid die is opgenomen in de bijlage bij richtlijn 97/81/EG (1) betreffende de door de Unice, het CEEP en het EVV gesloten raamovereenkomst inzake deeltijdarbeid, zoals gewijzigd bij richtlijn 98/23/EG (2), alsmede artikel 4 van richtlijn 2006/54/EG (3) van het Europees Parlement en de Raad van 5 juli 2006 betreffende de toepassing van het beginsel van gelijke kansen en gelijke behandeling van mannen en vrouwen in arbeid en beroep, gelezen in samenhang met richtlijn 2000/78/EG (4) van de Raad van 27 november 2000 tot instelling van een algemeen kader voor gelijke behandeling in arbeid en beroep, aldus worden uitgelegd dat het zich verzet tegen nationale wettelijke bepalingen of gebruiken die bij de berekening van de hoogte van een bedrijfspensioen verschil maken tussen inkomsten uit arbeid die beneden de premieloongrens van de wettelijke pensioenverzekering liggen, en inkomsten uit arbeid die boven de premieloongrens liggen (zogenoemde „gespaltene Rentenformel”) (gesplitste pensioenformule), en in dit verband inkomsten uit deeltijdarbeid niet aldus behandelen dat eerst het voor een overeenkomstige voltijdarbeid te betalen inkomen wordt bepaald, waarna op deze basis het gedeelte boven en beneden de premiebijdragegrens wordt berekend en vervolgens deze verhouding wordt toegepast op het lagere inkomen uit deeltijdarbeid?
Indien vraag 1 a) ontkennend wordt beantwoord:
b)
Moet het toepasselijke Unierecht, inzonderheid clausule 4, punten 1 en 2, van de kaderovereenkomst inzake deeltijdarbeid die is opgenomen in de bijlage bij richtlijn 97/81/EG betreffende de door de Unice, het CEEP en het EVV gesloten raamovereenkomst inzake deeltijdarbeid, zoals gewijzigd bij richtlijn 98/23/EG, alsmede artikel 4 van richtlijn 2006/54/EG van het Europees Parlement en de Raad van 5 juli 2006 betreffende de toepassing van het beginsel van gelijke kansen en gelijke behandeling van mannen en vrouwen in arbeid en beroep, gelezen in samenhang met richtlijn 2000/78/EG van de Raad van 27 november 2000 tot instelling van een algemeen kader voor gelijke behandeling in arbeid en beroep, aldus worden uitgelegd dat het zich verzet tegen nationale wettelijke bepalingen of gebruiken die bij de berekening van de hoogte van een bedrijfspensioen een verschil maken tussen inkomsten uit arbeid die beneden de premieloongrens van de wettelijke pensioenverzekering liggen, en inkomsten uit arbeid die boven deze premieloongrens liggen (zogenoemde „gespaltene Rentenformel”) (gesplitste pensioenformule), en in het geval van een werkneemster die deels in voltijd en deels in deeltijd heeft gewerkt, niet uitgaan van verschillende tijdvakken (bijvoorbeeld afzonderlijke kalenderjaren), maar van een uniform tewerkstellingspercentage voor de totale duur van het dienstverband, en daarna pas de gesplitste pensioenformule toepassen op de hieruit voortvloeiende gemiddelde beloning?
2.
Moet het toepasselijke Unierecht, inzonderheid het in artikel 21 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie neergelegde en in richtlijn 2000/78/EG van de Raad van 27 november 2000 tot instelling van een algemeen kader voor gelijke behandeling in arbeid en beroep, met name de artikelen 1, 2 en 6 ervan, geconcretiseerde verbod van discriminatie op grond van leeftijd, aldus worden uitgelegd dat het zich verzet tegen nationale wettelijke bepalingen of gebruiken die voorzien in een bedrijfspensioen ten belope van een bedrag overeenkomend met de verhouding tussen de duur van de diensttijd vanaf het begin van het dienstverband tot het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd in de wettelijke pensioenverzekering (berekening pro rata temporis), en hierbij een maximum stellen aan het aantal pensioengevende dienstjaren, met het gevolg dat werknemers die op jongere leeftijd dienstjaren hebben opgebouwd, een lager bedrijfspensioen ontvangen dan medewerkers die hun dienstjaren op latere leeftijd hebben opgebouwd, ook al is de duur van het dienstverband in beide gevallen gelijk?
(1) Richtlijn 97/81/EG van de Raad van 15 december 1997 betreffende de door de Unice, het CEEP en het EVV gesloten raamovereenkomst inzake deeltijdarbeid — Bijlage: Kaderovereenkomst inzake deeltijdarbeid, PB 1998, L 14, blz. 9.
(2) Richtlijn 98/23/EG van de Raad van 7 april 1998 betreffende de uitbreiding tot het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland van Richtlijn 97/81/EG betreffende de door de Unice, het CEEP en het EVV gesloten raamovereenkomst inzake deeltijdarbeid, PB 1998, L 131, blz. 10.
(3) Richtlijn 2006/54/EG van het Europees Parlement en de Raad van 5 juli 2006 betreffende de toepassing van het beginsel van gelijke kansen en gelijke behandeling van mannen en vrouwen in arbeid en beroep (herschikking), PB 2006, L 204, blz. 23.
(4) Richtlijn 2000/78/EG van de Raad van 27 november 2000 tot instelling van een algemeen kader voor gelijke behandeling in arbeid en beroep, PB L 303, blz. 16.