12.9.2016
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 335/37
Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Lietuvos vyriausiasis administracinis teismas (Litouwen) op 28 juni 2016 — UAB „Gelvora”/Valstybinė vartotojų teisių apsaugos tarnyba
(Zaak C-357/16)
(2016/C 335/50)
Procestaal: Litouws
Verwijzende rechter
Lietuvos vyriausiasis administracinis teismas
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: UAB „Gelvora”
Verwerende partij: Valstybinė vartotojų teisių apsaugos tarnyba
Prejudiciële vragen
1)
Valt de juridische verhouding tussen een onderneming die een schuldvordering heeft verworven op grond van een overeenkomst tot cessie van schuldvorderingen, en een natuurlijke persoon die schuldenaar is krachtens een consumentenkredietovereenkomst, binnen de werkingssfeer van richtlijn 2005/29/EG van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2005 betreffende oneerlijke handelspraktijken van ondernemingen jegens consumenten op de interne markt en tot wijziging van richtlijn 84/450/EEG van de Raad, richtlijnen 97/7/EG, 98/27/EG en 2002/65/EG van het Europees Parlement en de Raad en van verordening (EG) nr. 2006/2004 van het Europees Parlement en de Raad (1), wanneer de onderneming handelingen inzake schuldinvordering verricht?
2)
Indien de eerste vraag bevestigend wordt beantwoord: heeft het begrip „product” in de zin van artikel 2, onder c), van de richtlijn ook betrekking op handelingen die bij de uitoefening van een krachtens een overeenkomst tot cessie van schuldvorderingen verworven schuldvordering worden verricht in het kader van de schuldinvordering ten aanzien van een natuurlijke persoon die schuldenaar is krachtens een met de oorspronkelijke schuldeiser gesloten consumentenkredietovereenkomst?
3)
Valt de juridische verhouding tussen een onderneming die een schuldvordering heeft verworven op grond van een overeenkomst tot cessie van schuldvorderingen, en een natuurlijke persoon die schuldenaar is krachtens een consumentenkredietovereenkomst en reeds is veroordeeld tot betaling van deze schuld bij een in kracht van gewijsde gegane rechterlijke beslissing die aan een gerechtsdeurwaarder is verstrekt voor tenuitvoerlegging, binnen de werkingssfeer van de richtlijn, wanneer de onderneming parallelle handelingen inzake schuldinvordering verricht?
4)
Indien de derde vraag bevestigend wordt beantwoord: heeft het begrip „product” in de zin van artikel 2, onder c), van de richtlijn ook betrekking op handelingen die bij de uitoefening van een krachtens een overeenkomst tot cessie van schuldvorderingen verworven schuldvordering worden verricht in het kader van de schuldinvordering ten aanzien van een natuurlijke persoon die schuldenaar is krachtens een met de oorspronkelijke schuldeiser gesloten consumentenkredietovereenkomst en reeds is veroordeeld tot betaling van deze schuld bij een in kracht van gewijsde gegane rechterlijke beslissing die aan een gerechtsdeurwaarder is verstrekt voor tenuitvoerlegging?
(1) PB L 149, blz. 22.