12.9.2016
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 335/38
Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Cour administrative (Luxemburg) op 24 juni 2016 — UBS (Luxembourg) SA, Alain Hondequin, Holzem, e.a.
(Zaak C-358/16)
(2016/C 335/51)
Procestaal: Frans
Verwijzende rechter
Cour administrative
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partijen: UBS (Luxembourg) SA, Alain Hondequin, Holzem, e.a.
Prejudiciële vragen
1)
Is de uitzondering voor „gevallen die onder het strafrecht […] vallen”, die zowel is opgenomen in artikel 54, lid 1, in fine, van richtlijn 2004/39/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 april 2004 betreffende markten voor financiële instrumenten, tot wijziging van de richtlijnen 85/611/EEG en 93/6/EEG van de Raad en van richtlijn 2000/12/EG van het Europees Parlement en de Raad en houdende intrekking van richtlijn 93/22/EEG van de Raad (1) als in lid 3 van ditzelfde artikel — meer in het bijzonder tegen de achtergrond van artikel 41 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (‚Handvest’), waarin het beginsel van behoorlijk bestuur is verankerd — van toepassing op een geval waarin een sanctie is opgelegd die volgens het nationale recht administratief van aard is maar uit het oogpunt van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) moet worden geacht onder het strafrecht te vallen, zoals de in het hoofdgeding aan de orde zijnde sanctie, die door de nationale regelgevende instantie (de toezichthouder) is opgelegd en die bestaat in een verbod voor een lid van de nationale balie om binnen een onder het toezicht van deze regelgevende instantie staande entiteit nog langer een bestuursfunctie of een andere aan goedkeuring onderworpen functie uit te oefenen alsook in een bevel aan diezelfde persoon om al zijn functies van dien aard zo snel mogelijk neer te leggen?
2)
Voor zover de voornoemde sanctie, die in het nationale recht wordt aangemerkt als administratieve sanctie, in het kader van een administratieve procedure is opgelegd, in welke mate wordt de verplichting tot bewaring van het beroepsgeheim waarop een nationale toezichthouder zich kan beroepen uit hoofde van artikel 54 van de voornoemde richtlijn 2004/39/EG, dan beïnvloed door de vereisten van een eerlijk proces (met inbegrip van een doeltreffende voorziening in rechte), zoals deze voortvloeien uit artikel 47 van het Handvest, bezien in de verhouding tot de vereisten die parallel voortvloeien uit de artikelen 6 en 13 EVRM inzake een eerlijk proces en daadwerkelijke rechtsmiddelen, alsook tot alle waarborgen van artikel 48 van het Handvest, meer in het bijzonder in het licht van de volledige toegang van de bestrafte burger — met het oog op de verdediging van zijn belangen en burgerrechten — tot het administratieve dossier van de instantie die een administratieve sanctie heeft opgelegd en die tevens de nationale toezichthouder is?
(1) PB L 145, blz. 1.