19.9.2016
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 343/30
Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Bundesverwaltungsgericht (Duitsland) op 29 juni 2016 — Bundesrepublik Deutschland/Aziz Hasan
(Zaak C-360/16)
(2016/C 343/42)
Procestaal: Duits
Verwijzende rechter
Bundesverwaltungsgericht
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: Bundesrepublik Deutschland
Verwerende partij: Aziz Hasan
Prejudiciële vragen
1)
Wanneer een onderdaan van een derde land na indiening van een tweede asielverzoek in een andere lidstaat (hier: Duitsland) wegens de afwijzing door de rechter van zijn verzoek tot opschorting van het besluit tot overdracht in het kader van verordening (EU) nr. 604/2013 (1) van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 (Dublin III-verordening) werd overgedragen aan de oorspronkelijk verantwoordelijke lidstaat waar het eerste asielverzoek is ingediend (hier: Italië), en hij daarna onmiddellijk illegaal is teruggekeerd naar de tweede lidstaat (hier: Duitsland):
a)
is, volgens de beginselen van de Dublin III-verordening, voor de rechterlijke toetsing van een overdrachtsbesluit de feitelijke situatie op het moment van de overdracht beslissend omdat met de tijdig uitgevoerde overdracht de verantwoordelijkheid definitief is vastgesteld en bijgevolg de verantwoordelijkheidsregels van de Dublin III-verordening op de latere ontwikkelingen niet meer moeten worden toegepast, of moet er wel rekening worden gehouden met latere ontwikkelingen in de voor de verantwoordelijkheid in het algemeen relevante omstandigheden — bijvoorbeeld het verstrijken van termijnen voor terugname of een (nieuwe) overdracht?
b)
zijn, nadat de verantwoordelijkheid is vastgesteld, op basis van het overdrachtsbesluit latere overdrachten aan de oorspronkelijk verantwoordelijke lidstaat mogelijk en blijft deze lidstaat verplicht tot overname van de onderdaan uit een derde land?
2)
Wanneer de verantwoordelijkheid met de overdracht niet definitief is vastgesteld, welke van de hiernavolgende regelingen moet dan in een dergelijk geval, wegens de nog lopende beroepsprocedure tegen het reeds uitgevoerde overdrachtsbesluit, worden toegepast op een persoon in de zin van artikel 18, lid 1, onder b), c) of d), van de Dublin III-verordening:
a)
artikel 23 van de Dublin III-verordening (naar analogie) met als gevolg dat bij een niet tijdig hernieuwd terugnameverzoek, er een overdracht van de verantwoordelijkheid in het kader van artikel 23, leden 2 en 3, van de Dublin III-verordening kan plaatsvinden, of
b)
artikel 24 van de Dublin III-verordening (naar analogie) of
c)
geen van de onder a) en b) genoemde regelingen?
3)
Ingeval op een dergelijk persoon artikel 23 noch artikel 24 van de Dublin III-verordening (naar analogie) toepassing vindt [vraag 2, onder c)], zijn, op basis van het bestreden overdrachtsbesluit latere overdrachten aan de oorspronkelijk verantwoordelijke lidstaat (hier: Italië) mogelijk totdat uitspraak is gedaan op het tegen dat besluit gerichte rechtsmiddel, en blijft deze lidstaat verplicht tot overname van een onderdaan uit een derde land — ongeacht of latere terugnameverzoeken zonder inachtneming van de termijnen van artikel 23, lid 3, of artikel 24, lid 2, van de Dublin III-verordening zijn ingediend en ongeacht de overdrachtstermijnen van artikel 29, leden 1 en 2, van de Dublin III-verordening?
4)
Ingeval op een dergelijk persoon artikel 23 van de Dublin III-verordening (naar analogie) toepassing vindt [vraag 2, onder a)], geldt voor het nieuwe terugnameverzoek (naar analogie) een nieuwe termijn als bedoeld in artikel 23, lid 2, van de Dublin III-verordening? Zo ja, gaat deze nieuwe termijn dan in vanaf de kennisneming van de terugkeer door de bevoegde autoriteit, of is een andere gebeurtenis doorslaggevend voor het ingaan van de termijn?
5)
Ingeval op een dergelijk persoon artikel 24 van de Dublin III-verordening (naar analogie) toepassing vindt [vraag 2, onder b)],
a)
geldt voor het nieuwe terugnameverzoek (naar analogie) een nieuwe termijn als bedoeld in artikel 24, lid 2, van de Dublin III-verordening? Zo ja, gaat deze nieuwe termijn dan in vanaf de kennisneming van de terugkeer door de bevoegde autoriteit, of is een andere gebeurtenis doorslaggevend voor het ingaan van de termijn?
b)
Wanneer de andere lidstaat (hier: Duitsland) een overeenkomstig artikel 24, lid 2, Dublin III-verordening (naar analogie) in acht te nemen termijn laat verstrijken, komt dan op basis van de indiening van een nieuw asielverzoek overeenkomstig artikel 24, lid 3, van de Dublin IIII-verordening rechtstreeks vast te staan dat de andere lidstaat (hier: Duitsland) verantwoordelijk is, of kan laatstbedoelde lidstaat, ondanks het nieuwe asielverzoek, opnieuw de oorspronkelijk verantwoordelijke lidstaat (hier: Italië) zonder termijnbeperking om terugname verzoeken of de buitenlander zonder terugnameverzoek aan deze lidstaat overdragen?
c)
Wanneer de andere lidstaat (hier: Duitsland) een overeenkomstig artikel 24, lid 2, Dublin III-verordening (naar analogie) in acht te nemen termijn laat verstrijken: moet dan de aanhangigheid van een in een andere lidstaat (hier: Duitsland) vóór de overdracht ingediend asielverzoek worden gelijkgesteld met een nieuw asielverzoek als bedoeld in artikel 24, lid 3, van de Dublin III-verordening?
d)
Wanneer de andere lidstaat (hier: Duitsland) een overeenkomstig artikel 24, lid 2, van de Dublin III-verordening (naar analogie) in acht te nemen termijn laat verstrijken, de buitenlander geen nieuw asielverzoek indient en de aanhangigheid van een in een andere lidstaat (hier: Duitsland) vóór de overdracht ingediend asielverzoek moet worden gelijkgesteld met een nieuw asielverzoek als bedoeld in artikel 24, lid 3, van de Dublin III-verordening, kan de andere lidstaat (hier: Duitsland) dan opnieuw de oorspronkelijk verantwoordelijke lidstaat (hier: Italië) zonder termijnbeperking om terugname verzoeken of de buitenlander zonder terugnameverzoek aan deze lidstaat overdragen?
(1) Verordening (EU) nr. 604/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming dat door een onderdaan van een derde land of een staatloze bij een van de lidstaten wordt ingediend (PB 2013, L 180, blz. 31).