19.9.2016
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 343/31
Hogere voorziening ingesteld op 1 juli 2016 door Trioplast Industrier AB tegen het arrest van het Gerecht (Zevende kamer) van 12 mei 2016 in zaak T-669/14, Trioplast Industrier AB/Europese Commissie
(Zaak C-364/16 P)
(2016/C 343/43)
Procestaal: Engels
Partijen
Rekwirante: Trioplast Industrier AB (vertegenwoordigers: T. Pettersson, F. Sjövall, A. Johansson, advocaten)
Andere partij in de procedure: Europese Commissie
Conclusies
a.
vernietiging van het arrest van het Gerecht van 12 mei 2016 in zaak T-669/14, Trioplast Industrier/Commissie,
b.
primair,
(i)
nietigverklaring van het besluit van de Commissie als vervat in haar brief van 3 juli 2014 in zaak COMP/38354 — Industriële Zakken — Trioplast Industrier AB;
(ii)
annulering of verlaging van het bedrag aan vertragingsrente van 674 033,22 EUR zoals opgelegd aan Trioplast bij het besluit van de Commissie als vervat in haar brief van 3 juli 2014 in zaak COMP/38354 — Industriële Zakken — Trioplast Industrier AB;
(iii)
veroordeling van de Commissie tot vergoeding aan Trioplast van het bedrag van 4 686,64 EUR aan kosten voor het stellen van zekerheid voor betaling van de vertragingsrente.
c.
Subsidiair, schadevergoeding op grond van artikel 340, lid 2, VWEU wegens de hierboven beschreven schendingen van het Unierecht voor:
(i)
het bedrag aan vertragingsrente van 674 033,32 EUR, of een gedeelte daarvan;
(ii)
uitgaven ten belope van 4 686,64 EUR voor het stellen van zekerheid voor betaling van de vertragingsrente.
d.
Naast het hierboven onder b of c gevorderde, schadevergoeding op grond van artikel 340, lid 2, VWEU wegens de hierboven beschreven schendingen van het Unierecht:
(i)
Voor de kosten voor het stellen van zekerheid, ter hoogte van 22 783,90 EUR of een gedeelte daarvan, wegens de schendingen van het Unierecht met betrekking tot de periode waarin de Commissie, na het arrest van het Gerecht in zaak T-40/06, het bedrag van de bankgarantie niet vrijgaf of verminderde.
e.
Rente over de bedragen die verschuldigd zullen blijken.
f.
verwijzing van de Commissie in de kosten van de procedure bij het Gerecht en het Hof van Justitie.
Middelen en voornaamste argumenten
1.
Trioplast handhaaft bij het Hof van Justitie de vorderingen die zij bij het Gerecht heeft ingesteld en de daartoe aangevoerde gronden. Trioplast betoogt overeenkomstig artikel 58 van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie en de artikelen 168, lid 1, onder d), en 169, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof van Justitie, dat het Gerecht in zijn arrest van 12 mei 2016 in zaak T-669/14 tot verwerping van het beroep het Unierecht onjuist heeft toegepast.
2.
Ten eerste is het Gerecht uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat het arrest van 2010 het besluit van 2005 enkel wijzigde. Bij het arrest van 2010 is het besluit van 2005 juist volledig nietig verklaard en is de Commissie opgedragen ten aanzien van Trioplast een nieuw besluit vast te stellen zodra de uitkomst in de FLS-zaken bekend zou worden.
3.
Ten tweede is het Gerecht uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat de litigieuze brief geen voor beroep vatbaar besluit is, aangezien in de litigieuze brief voor Trioplast voor het eerst een concrete verplichting met een concreet bedrag is vastgesteld.
4.
Ten derde betekent het feit dat het besluit van 2005 nietig is verklaard bij het arrest van 2010, dat de vertragingsrente niet kan gaan lopen overeenkomstig de voorwaarden van het besluit van 2005.
5.
Ten vierde is het Gerecht uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat het optreden van de Commissie voor Trioplast geen schade heeft veroorzaakt, en het Gerecht had dan ook een inhoudelijke beoordeling moeten verrichten van de vordering tot schadevergoeding.