29.8.2016
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 314/14
Beroep ingesteld op 8 juli 2016 — Europese Commissie/Bondsrepubliek Duitsland
(Zaak C-380/16)
(2016/C 314/20)
Procestaal: Duits
Partijen
Verzoekende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: M. Owsiany-Hornung en M. Wasmeier, gemachtigden)
Verwerende partij: Bondsrepubliek Duitsland
Conclusies
—
beslissen dat de Bondsrepubliek Duitsland overeenkomstig artikel 258, lid 1, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie de verplichtingen die op haar rusten krachtens artikel 73 alsmede de artikelen 306 tot en met 310 van de btw-richtlijn (richtlijn 2006/112/EG) niet is nagekomen, omdat zij reisdiensten voor belastingplichtigen, die deze voor hun onderneming gebruiken, uitsluit van de bijzondere regeling voor reisbureaus en reisbureaus, voor zover de genoemde bijzondere regeling op hen van toepassing is, toestaat de maatstaf van heffing voor groepen van diensten en voor ieder belastingtijdvak te totaliseren;
—
de Bondsrepubliek Duitsland verwijzen in de kosten.
Middelen en voornaamste argumenten
Verzoekster stelt dat de in Duitsland bepaalde regeling ter berekening van de belasting over de toegevoegde waarde bij reisdiensten niet in overeenstemming is met richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde. (1) Deze richtlijn voorziet in de artikelen 306 tot en met 310 in een bijzondere regeling, op grond waarvan de reisdiensten die een reisbureau voor een klant verricht als een enkele dienst worden beschouwd. Het Duitse recht wijkt hiervan op ontoelaatbare wijze af.
Ten eerste is het niet toegestaan belastingplichtigen die reisdiensten voor hun onderneming gebruiken van de toepassing van de bijzondere regeling uit te sluiten. Reeds in het arrest van 26 september 2013 in de zaak C-189/11 (2), Commissie/Spanje, heeft het Hof vastgesteld dat de bijzondere regeling niet alleen moet worden toegepast op diensten die worden verricht voor particuliere eindverbruikers, maar ook op die welke voor belastingplichtige ondernemers worden verricht. Het staat de lidstaten niet vrij de regeling tot de eerste groep te beperken.
Ten tweede is de berekeningsmethode die in het Duitse btw-recht is vastgesteld onverenigbaar met richtlijn 2006/112/EG. Volgens de artikelen 73 en 306 tot en met 310 ervan moet de maatstaf van heffing voor iedere reis afzonderlijk worden vastgesteld. Het Duitse recht staat daarentegen toe dat de winstmarges voor „groepen van diensten” respectievelijk voor alle reizen in een bepaald tijdvak als een totaal worden berekend. Het Hof heeft in het hierboven genoemde arrest tevens vastgesteld dat een dergelijke totalisering niet in overeenstemming is met gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde.
(1) PB L 347, blz. 1.
(2) ECLI:EU:C:2013:587.