31.10.2016
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 402/17
Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Oberste Gerichtshof (Oostenrijk) op 1 augustus 2016 — Hansruedi Raimund/Michaela Aigner
(Zaak C-425/16)
(2016/C 402/19)
Procestaal: Duits
Verwijzende rechter
Oberster Gerichtshof
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: Hansruedi Raimund
Verwerende partij: Michaela Aigner
Prejudiciële vragen
1)
Mag een vordering wegens inbreuk op een Uniemerk [artikel 96, onder a), van verordening (EG) nr. 207/2009 (1), in de versie van verordening (EU) nr. 2015/2424] worden afgewezen op grond dat de aanvraag van het merk te kwader trouw was [artikel 52, lid 1, onder b), van verordening (EG) nr. 207/2009, in de versie van verordening (EU) nr. 2015/2424], wanneer de gedaagde op deze grond weliswaar een reconventionele vordering tot nietigverklaring van het Uniemerk heeft ingesteld [artikel 99, lid 1, van verordening (EG) nr. 207/2009, in de versie van verordening (EU) nr. 2015/2424], maar de rechter op deze reconventionele vordering nog niet heeft beslist?
2)
Zo nee, mag de rechter de vordering wegens inbreuk afwijzen op grond dat de aanvraag van het merk te kwader trouw was, wanneer hij minstens tegelijk de reconventionele vordering tot nietigverklaring toewijst, of moet hij met de beslissing op de vordering wegens inbreuk in ieder geval wachten tot de beslissing op de reconventionele vordering in kracht van gewijsde is gegaan?
(1) Verordening (EG) nr. 207/2009 van de Raad van 26 februari 2009 inzake het gemeenschapsmerk, PB 2009, L 78, blz. 1.