24.10.2016
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 392/12
Hogere voorziening ingesteld op 4 augustus 2016 door de Europese Commissie tegen het arrest van het Gerecht (Achtste kamer) van 26 mei 2016 in de gevoegde zaken T-479/11 en T-157/12
(Zaak C-438/16 P)
(2016/C 392/15)
Procestaal: Frans
Partijen
Rekwirante: Europese Commissie (vertegenwoordigers: B. Stromsky en D. Grespan, gemachtigden)
Andere partijen in de procedure: Franse Republiek, IFP Énergies nouvelles
Conclusies
—
vernietiging van het arrest van het Gerecht van de Europese Unie van 26 mei 2016 in de gevoegde zaken T-479/11 en T-157/12, Franse Republiek en IFP Energies nouvelles tegen Europese Commissie;
—
terugverwijzing van de zaak naar het Gerecht voor een nieuw onderzoek en aanhouding van de beslissing omtrent de kosten.
Middelen en voornaamste argumenten
De Commissie voert drie middelen aan ter ondersteuning van haar hogere voorziening, die alle schending van artikel 107, lid 1, VWEU betreffen, en meer bepaald onjuiste toepassingen van het recht inzake de wijze waarop het bestaan wordt bewezen van een voordeel dat voor een onderneming voortvloeit uit een impliciete onbeperkte waarborg als gevolg van haar statuut.
Eerste middel: de Commissie voert aan dat het Gerecht het begrip steunregeling onjuist heeft uitgelegd doordat het geen rekening heeft gehouden met de geschiktheid van een maatregel om een voordeel toe te kennen, wat tot een onjuiste toepassing van het recht leidt inzake de aard van het bewijs dat de Commissie moet leveren wil zij het bestaan aantonen van een voordeel dat voor een onderneming uit haar statuut van openbare instelling op commercieel en industrieel gebied voortvloeit.
Tweede middel: onjuiste toepassing van het recht door het Gerecht inzake de draagwijdte van het weerlegbare vermoeden van het bestaan van een voordeel dat voortvloeit uit een impliciete onbeperkte waarborg en het middel om het te weerleggen.
Derde middel: onjuiste toepassing van het recht door het Gerecht inzake de werkingssfeer van het vermoeden van het bestaan van een voordeel dat voortvloeit uit een onbeperkte waarborg: dat vermoeden moet logischerwijze ook van toepassing zijn op de verhoudingen van de onderneming aan wie de waarborg is toegekend, met haar leveranciers en klanten.
Full & Egal Universal Law Academy