24.10.2016
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 392/19
Hogere voorziening ingesteld op 12 augustus 2016 door Moreda-Riviere Trefilerías, SA tegen het arrest van het Gerecht (Zesde kamer) van 2 juni 2016 in de gevoegde zaken T-426/10–T-429/10 en T-438/12–T-441/12, Moreda-Riviere Trefilerias e.a./Commissie
(Zaak C-461/16 P)
(2016/C 392/23)
Procestaal: Spaans
Partijen
Rekwirante: Moreda-Riviere Trefilerías, SA (vertegenwoordigers: F. González Díaz, A. Tresandi Blanco, V. Romero Algarra, abogados)
Andere partij in de procedure: Europese Commissie
Conclusies
—
Vernietiging van het arrest van het Gerecht van 2 juni 2016 in de zaken T-426/10–T-429/10, en in het bijzonder in zaak T-426/10, Moreda-Riviere Trefilerías/Europese Commissie
—
Verwijzing van de Commissie in de kosten van deze procedure en in die van de procedure bij het Gerecht
Middelen en voornaamste argumenten
Betreffende MRT’s hoedanigheid van rechtsopvolger:
1.
Het Gerecht heeft een onjuist juridisch criterium toegepast bij de beoordeling van de opvolging van ondernemingen, en in het bijzonder de opvolging van Trenzas y Cables door MRT.
2.
Het Gerecht heeft zich vergist bij de juridische kwalificatie van de feiten waar het heeft geoordeeld dat MRT als vermeende rechtsopvolgster van Trenzas y Cables aansprakelijk is voor het gedrag van deze laatste onderneming in de periode van 10 juni 1993 tot en met 19 oktober 1996.
3.
Het Gerecht heeft zijn motiveringsplicht verzaakt waar het rekwirantes argumenten betreffende de dubbele toerekening heeft afgewezen.
Betreffende de aanvullende aanwijzingen:
4.
Het Gerecht heeft niet alleen blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting bij de toepassing van het relevante juridisch criterium, maar heeft ook zijn motiveringsplicht verzaakt voor zover het niet heeft uiteengezet waarom de door MRT aangevoerde verklaringen op erewoord van de algemeen directeuren van Trenzas y Cables grondslag missen.
5.
Het Gerecht heeft de feiten, meer bepaald de indrukken van de concurrenten, onjuist gekwalificeerd waar het heeft geoordeeld dat die indrukken een aanvullende aanwijzing zijn, en bijgevolg relevant zijn ten bewijze dat Trenzas y Cables, GSW en de overige ondernemingen waarin deze laatste participeert, een economische eenheid vormen. Voorts heeft het Gerecht de feiten en het bewijs betreffende de perceptie van de concurrenten onjuist opgevat.
6.
Het Gerecht heeft de feiten, meer bepaald de personele overlappingen tussen Trenzas y Cables, GSW en de ondernemingen waarin deze laatste participeert, onjuist gekwalificeerd waar het heeft geoordeeld dat die overlappingen een aanvullende aanwijzing zijn, en bijgevolg relevant zijn ten bewijze dat de ondernemingen waarin GSW participeert niet autonoom zijn ten opzichte van hun moedermaatschappij
7.
Het Gerecht heeft bepaalde feiten onjuist gekwalificeerd, te weten de bijeenkomst tussen Trenzas y Cables en een concurrent, waar het die bijeenkomst heeft aangemerkt als een aanvullende aanwijzing ten bewijze dat Trenzas y Cables — waarvan MRT de rechtsopvolgster zou zijn, quod non — deel uitmaakt van een economische eenheid met GSW als moedermaatschappij.
Betreffende de bewijzen ter weerlegging van het vermoeden:
8.
Het Gerecht heeft blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting bij de beoordeling van het bewijs en heeft in ieder geval zijn verplichtingen inzake rechterlijke toetsing verzaakt waar het rekwirantes argument dat zij niet behoorde tot een economische eenheid bestaande uit Trenzas y Cables, GSW en de ondernemingen waarin deze laatste participeert, heeft afgewezen zonder het bewijs dat door rekwirante is overgelegd ter weerlegging van het vermoeden van uitoefening van beslissende invloed, ook maar te onderzoeken.
9.
Het Gerecht heeft blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting waarbij het rekwirantes rechten van verdediging heeft geschonden, aangezien het heeft geoordeeld dat de Commissie haar recht om te worden gehoord, heeft geëerbiedigd voor zover die zich bij haar beoordeling van rekwirantes vermogen om te betalen heeft gebaseerd op door rekwirante aangevoerde en haar bekende feiten.
10.
Het Gerecht heeft blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting bij de beoordeling van het bewijs en heeft in elk geval zijn bevoegdheden op het gebied van rechterlijke toetsing niet in overeenstemming met het recht uitgeoefend. Het is bovendien zijn motiveringsplicht niet nagekomen en heeft tot slot hoe dan ook de feiten en het bewijs inzake de mogelijkheid voor rekwirante om externe financiering te verkrijgen, onjuist opgevat.
11.
Het Gerecht heeft blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting bij de beoordeling van het bewijs en is hoe dan ook zijn verplichting tot volledige rechterlijke toetsing niet nagekomen, waar het heeft geoordeeld dat rekwirante de Commissie niet de informatie heeft verstrekt die zij nodig had om de omvang van het vermogen van haar aandeelhouders te beoordelen. Voorts heeft het Gerecht zijn motiveringsplicht verzaakt voor zover het niet heeft uiteengezet waarom de door haar aangevoerde verslagen van Deloitte niet eens een begin van bewijs opleveren.
Full & Egal Universal Law Academy