20.3.2017
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 86/5
Hogere voorziening ingesteld op 7 november 2016 door het Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie tegen het arrest van het Gerecht (Zevende kamer) van 9 september 2016 in zaak T-159/15, Puma SE/Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie
(Zaak C-564/16 P)
(2017/C 086/07)
Procestaal: Engels
Partijen
Rekwirant: Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (vertegenwoordigers: D. Hanf, D. Botis, gemachtigden)
Andere partij in de procedure: Puma SE
Conclusies
—
het bestreden arrest volledig te vernietigen;
—
Puma SE te verwijzen in de kosten van het Bureau.
Middelen en voornaamste argumenten
In de eerste plaats heeft het Gerecht, doordat het heeft geconstateerd dat Puma „naar behoren had verwezen” naar de drie eerdere beslissingen van het Bureau ter nakoming van haar verplichting om het bewijs te leveren van de bekendheid van de merken van Puma [regel 19, lid 2, onder c), van verordening nr. 2868/95 (1)], blijk gegeven van een onjuiste opvatting inzake de plaats en de procedurele verplichtingen van het Bureau in procedures op tegenspraak voor het Bureau, en aldus artikel 76, lid 1, van verordening nr. 207/2009 geschonden. Met deze vaststelling heeft het Gerecht aanvaard dat aan die verplichting kon worden voldaan bij wege van algemene en onnauwkeurige verwijzingen naar stukken die werden overgelegd in het kader van eerdere oppositieprocedures tussen andere partijen, waarin de andere partij in de oppositieprocedure waarover het thans gaat, geen partij was.
Aangezien het Bureau niet kan voorbijgaan aan het recht van de andere partij om te worden gehoord maar het dit recht juist dient te eerbiedigen (artikel 75 van verordening nr. 207/2009), leidt die vaststelling van het Gerecht noodzakelijkerwijze ertoe dat het Bureau een actieve rol speelt in procedures op tegenspraak. Dit doet afbreuk aan het contradictoire karakter van deze procedures, aan de neutraliteitsverplichting van het Bureau, en aan het beginsel van een goed bestuur van die procedures.
In de tweede plaats heeft het Gerecht, doordat het de eerdere beslissingen van het Bureau waarop Puma zich heeft beroepen, als de „beslissingspraktijk” van het Bureau heeft gekwalificeerd, blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting wat het contradictoire karakter van procedures op tegenspraak en het begrip „bekendheid” in de zin van artikel 8, lid 8, van verordening nr. 207/2009 betreft. Deze dubbele schending betekent dat ook in twee opzichten afbreuk is gedaan aan het beginsel van een goede procesgang.
Om te beginnen is de prealabele voorwaarde voor de toepassing als zodanig van de Technopol-rechtspraak niet vervuld in de onderhavige zaak — een procedure inter partes (op tegenspraak) — aangezien deze rechtspraak betreffende de verplichting van het Bureau om ambtshalve de relevante feiten op te sporen teneinde de zaak te kunnen afdoen, enkel betrekking heeft op procedures ex parte. Aangezien een specifieke „beslissingspraktijk” van het Bureau met betrekking tot de bekendheid van de merken van Puma in elk geval ontbreekt, kan hoe dan ook geen sprake zijn van een verplichting om een motivering te verstrekken voor het feit dat de overwegingen betreffende de bekendheid van de merken van Puma die in eerdere beslissingen zijn geformuleerd, niet zijn toegepast in de onderhavige zaak.
Voorts kon het Gerecht — zonder het voor procedures inter partes geldende beginsel van hoor en wederhoor te schenden dat in artikel 76, lid 1, van verordening nr. 207/2009 is vastgesteld — uit het beginsel van behoorlijk bestuur niet afleiden dat op de kamer van beroep de bijkomende verplichting rustte om Puma ambtshalve te verzoeken extra bewijzen over te leggen van de bekendheid waarop zij zich voor haar merken beriep.
In de derde plaats is de vaststelling van het Gerecht betreffende de op het Bureau rustende verplichting om Puma ambtshalve te verzoeken extra bewijzen over te leggen, in strijd met artikel 76, lid 1, van verordening nr. 207/2009 (dat van toepassing is volgens regel 50, lid 1, van verordening nr. 2868/95), dat uitsluitend geldt voor de feiten en de bewijsstukken die partijen op eigen initiatief hebben overgelegd.
(1) Verordening (EG) nr. 2868/95 van de Commissie van 13 december 1995 tot uitvoering van verordening (EG) nr. 40/94 van de Raad inzake het gemeenschapsmerk (PB 1995, L 303, blz. 1).
Full & Egal Universal Law Academy