30.1.2017
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 30/28
Hogere voorziening ingesteld op 24 november 2016 door National Iranian Tanker Company tegen het arrest van het Gerecht (Zevende kamer) van 14 september 2016 in zaak T-207/15, National Iranian Tanker Company/Raad van de Europese Unie
(Zaak C-600/16 P)
(2017/C 030/33)
Procestaal: Engels
Partijen
Rekwirante: National Iranian Tanker Company (vertegenwoordigers: T. de la Mare QC, M. Lester QC, J. Pobjoy, barristers, R. Chandrasekera, S. Ashley en C. Murphy, solicitors)
Andere partij in de procedure: Raad van de Europese Unie
Conclusies
—
nietigverklaring van het arrest van het Gerecht van 14 september 2016 in zaak T-207/15, National Iranian Tanker Company/Raad van de Europese Unie;
—
afdoening van de zaak voor het Gerecht door het Hof, meer bepaald:
—
nietigverklaring van besluit (GBVB) 2015/236 van de Raad van 12 februari 2015 (1) en van uitvoeringsverordening (EU) 2015/230 van de Raad van 12 februari 2015 (2), voor zover zij rekwirante betreffen;
—
subsidiair, verklaring dat a) artikel 20, lid 1, onder c), van besluit 2010/413/GBVB van de Raad van 26 juli 2010 (3) (zoals gewijzigd), en b) artikel 23, lid 2, onder d), van verordening (EU) nr. 267/2012 van de Raad van 23 maart 2012 (4) (zoals gewijzigd), niet-toepasselijk zijn voor zover zij rekwirante betreffen, omdat zij onrechtmatig zijn, en
—
verwijzing van verwerende partij in de kosten van de hogere voorziening en van de procedure bij het Gerecht.
Middelen en voornaamste argumenten
Ter ondersteuning van haar hogere voorziening voert verzoekster vier middelen aan.
1.
Eerste middel: het Gerecht heeft ten onrechte geoordeeld dat besluit (GBVB) 2015/236 van de Raad van 12 februari 2015 en uitvoeringsverordening (EU) 2015/230 van de Raad van 12 februari 2015 niet in strijd waren met de beginselen van gezag van gewijsde, rechtszekerheid, gewettigd vertrouwen en onherroepelijkheid, of het recht op een doeltreffende voorziening in rechte zoals neergelegd artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.
2.
Tweede middel: het Gerecht heeft ten onrechte geoordeeld dat in het geval van rekwirante was voldaan aan de criteria voor plaatsing op de lijst.
3.
Derde middel: het Gerecht heeft ten onrechte geoordeeld dat de aantasting van rekwirantes grondrechten evenredig was.
4.
Vierde middel: het Gerecht heeft ten onrechte rekwirantes subsidiaire argument dat het criterium voor plaatsing op de lijst bij een ruime uitlegging onevenredig wordt, verworpen.
(1) Besluit (GBVB) 2015/236 van de Raad van 12 februari 2015 tot wijziging van besluit 2010/413/GBVB betreffende beperkende maatregelen tegen Iran (PB 2015, L 39, blz. 18).
(2) Uitvoeringsverordening (EU) 2015/230 van de Raad van 12 februari 2015 houdende uitvoering van verordening (EU) nr. 267/2012 betreffende beperkende maatregelen ten aanzien van Iran (PB 2015, L 39, blz. 3).
(3) Besluit 2010/413/GBVB van de Raad van 26 juli 2010 betreffende beperkende maatregelen tegen Iran en tot intrekking van gemeenschappelijk standpunt 2007/140/GBVB (PB 2010, L 195, blz. 39).
(4) Verordening (EU) nr. 267/2012 van de Raad van 23 maart 2012 betreffende beperkende maatregelen ten aanzien van Iran en tot intrekking van verordening (EU) nr. 961/2010 (PB 2012, L 88, blz. 1).