BESCHIKKING VAN HET HOF (Tiende kamer)
2 juni 2016 ( *1 )
„Prejudiciële verwijzing — Vrijheid van vestiging — Grondrechten — Eerbiediging van het recht op eigendom — Bijzondere successieregeling voor landbouwbedrijven — Handvest van de grondrechten van de Europese Unie — Werkingssfeer — Ten uitvoer brengen van Unierecht — Geen — Feiten van het hoofdgeding die zich hebben voorgedaan vóór de toetreding van de betrokken lidstaat tot de Europese Unie — Kennelijke onbevoegdheid van het Hof”
In zaak C‑50/16,
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Sąd Rejonowy w Koninie (arrondissementsrechtbank Konin, Polen) bij beslissing van 12 januari 2016, ingekomen bij het Hof op 28 januari 2016, in de procedure ingeleid door
Halina Grodecka
in tegenwoordigheid van:
Józef Konieczka e.a.,
geeft
HET HOF (Tiende kamer),
samengesteld als volgt: F. Biltgen, kamerpresident, A. Borg Barthet en M. Berger (rapporteur), rechters,
advocaat-generaal: M. Wathelet,
griffier: A. Calot Escobar,
gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om overeenkomstig artikel 53, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof uitspraak te doen bij met redenen omklede beschikking,
de navolgende
Beschikking
1
Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van de artikelen 2 en 8 VWEU, artikel 1 van het aanvullend protocol bij het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend te Rome op 4 november 1950 (hierna respectievelijk: „protocol nr. 1” en „EVRM”), artikel 14 EVRM en artikel 17, lid 1, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: „Handvest”).
2
Dit verzoek is ingediend in het kader van een procedure betreffende een aanvraag voor een verklaring van erfrecht die H. Grodecka heeft ingeleid na het overlijden van K. Konieczka op 10 oktober 2000.
Toepasselijke bepalingen
3
De artikelen 1058 en volgende van het Kodeks cywilny (burgerlijk wetboek), in de versie die gold ten tijde van de feiten van het hoofdgeding, voorzagen in een bijzondere regeling ten aanzien van de wettelijke vererving van landbouwbedrijven met meer dan 1 hectare landbouwgrond. Zo bepaalde artikel 1059 van het burgerlijk wetboek in wezen dat slechts de erfgenamen die op de dag van het openvallen van de nalatenschap werkzaam waren in de landbouwproductiesector, of die meer bepaald een beroepsopleiding hadden gevolgd om een activiteit in de landbouwproductie uit te oefenen, volgens de wet het landbouwbedrijf konden erven, met uitsluiting van erfgenamen die niet aan deze voorwaarden voldeden. Artikel 1064 van dit wetboek bepaalde dat de definitie van met name de beroepsopleiding die geschikt werd geacht om een landbouwactiviteit uit te oefenen en die het mogelijk maakt een landbouwbedrijf te erven, werd vastgesteld door een regeling van de ministerraad.
4
Overeenkomstig artikel 1063 van het burgerlijk wetboek, werd het landbouwbedrijf pas volgens de algemene beginselen aan de erfgenamen overgedragen wanneer noch de echtgenoot van de erflater, noch een van de familieleden die volgens de wet erfgenaam zijn, niet aan de voorgeschreven voorwaarden voldeden om een dergelijk landbouwbedrijf te erven.
5
Artikel 925 van het burgerlijk wetboek bepaalt ten slotte dat de boedel overgaat op de erfgenaam op de dag van het overlijden van de erflater.
Hoofdgeding en prejudiciële vraag
6
Het geding dat bij de Sąd Rejonowy w Koninie (arrondissementsrechtbank Konin, Polen) aanhangig is, heeft betrekking op een aanvraag voor een verklaring van erfrecht die door Grodecka is ingediend na het overlijden van Konieczka op 10 oktober 2000. De betrokken nalatenschap bestaat met name uit een landbouwbedrijf van meer dan 1 hectare.
7
Uit de verwijzingsbeslissing volgt dat de procedure tot een verklaring van erfrecht, volgens de op de feiten van het hoofdgeding toepasselijke bepalingen, in het bijzonder beoogt vast te stellen of de boedel of een deel ervan een landbouwbedrijf is en wie de erfgenaam of erfgenamen zijn. Het vereiste dat moet worden vastgesteld of sprake is van een landbouwbedrijf betreft slechts nalatenschappen waarvan de openstelling, zoals in casu, vóór 14 februari 2001 heeft plaatsgevonden. Op die dag is een arrest van het Trybunał Konstytucyjny (grondwettelijk hof, Polen) van 31 januari 2001 gepubliceerd, waarin de bepalingen betreffende de betrokken bijzondere regeling ongrondwettig zijn verklaard. Deze bepalingen zijn vervolgens ingetrokken.
8
De verwijzende rechter betwijfelt of deze bepalingen in overeenstemming zijn met protocol nr. 1 en artikel 17, lid 1, van het Handvest. Door materiële beperkingen aan de vererving van landbouwbedrijven te stellen, ontnemen deze bepalingen de erfgenamen immers de nalatenschap die hun toekomt. Wanneer een erfgenaam niet over de noodzakelijke kwalificaties beschikt om een landbouwbedrijf te kunnen erven, wordt hem dus de facto dit vermogensdeel van de erflater ontnomen door toedoen van de Poolse staat.
9
Bovendien zijn de in het hoofdgeding aan de orde zijnde bepalingen volgens de verwijzende rechter mogelijk niet in overeenstemming met artikel 14 EVRM en artikel 8 VWEU, daar de vraag rijst of het gerechtvaardigd is dat op basis van de in de betrokken nationale wetgeving voorziene materiële criteria een onderscheid wordt gemaakt tussen de erfgenamen die kunnen erven.
10
Daarop heeft de Sąd Rejonowy w Koninie de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vraag gesteld:
„Moeten de artikelen 2 en 8 VWEU, artikel 1 van protocol nr. 1, artikel 14 EVRM en artikel 17, lid 1, van het Handvest, waarin de beginselen van voorrang van het recht, van gelijkheid, van non-discriminatie en van het recht op eigendom zijn vastgelegd, aldus worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen nationale bepalingen die de vererving van landbouwbedrijven beperken wanneer de erfgenaam, met de Poolse of een andere nationaliteit, niet voldoet aan bepaalde materiële criteria die bij wet zijn voorzien en in een uitvoeringshandeling zijn gespecificeerd?”
Bevoegdheid van het Hof
11
Met zijn vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of het Unierecht zich verzet tegen nationale bepalingen die de vererving van een landbouwbedrijf beperken wanneer de erfgenaam niet voldoet aan bepaalde materiële criteria betreffende diens bekwaamheid om een dergelijk bedrijf te exploiteren.
12
Overeenkomstig artikel 53, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof kan het Hof, wanneer het kennelijk onbevoegd is om kennis te nemen van een zaak, te allen tijde, de advocaat-generaal gehoord, zonder de behandeling voort te zetten beslissen bij met redenen omklede beschikking.
13
Deze bepaling dient in de onderhavige zaak te worden toegepast.
14
In de eerste plaats moet immers in herinnering worden gebracht dat het Hof uitsluitend bevoegd is om het Unierecht uit te leggen wat de toepassing ervan in een nieuwe lidstaat betreft vanaf de datum van diens toetreding tot de Europese Unie (zie in die zin arresten van 15 juni 1999, Andersson en Wåkerås-Andersson, C‑321/97, EU:C:1999:307, punt 31, en 10 januari 2006, Ynos, C‑302/04, EU:C:2006:9, punt 36, en beschikking van 5 november 2014, VG Vodoopskrba, C‑254/14, niet gepubliceerd, EU:C:2014:2354, punt 10).
15
Uit de verwijzingsbeslissing blijkt echter dat de feiten van het hoofdgeding zich hebben voorgedaan vóór de toetreding, op 1 mei 2004, van de Republiek Polen tot de Unie. De erflater wiens nalatenschap in het hoofdgeding aan de orde is, is immers op 10 oktober 2000 overleden. Overeenkomstig artikel 925 van het burgerlijk wetboek ging de boedel op die datum over op de erfgenaam.
16
In de tweede plaats, wat meer in het bijzonder de gevraagde uitlegging van de artikelen 2 en 8 VWEU en artikel 17 van het Handvest betreft, volgt uit artikel 51, lid 1, van het Handvest dat de bepalingen van het Handvest uitsluitend gericht zijn tot de lidstaten wanneer zij het recht van de Unie ten uitvoer brengen. Artikel 6, lid 1, VEU preciseert, net zoals artikel 51, lid 2, van het Handvest, dat de bepalingen van het Handvest geenszins een verruiming inhouden van de bevoegdheden van de Unie zoals bepaald in de Verdragen.
17
De hoofdprocedure heeft betrekking op een aanvraag voor een verklaring van erfrecht op grond van de materiële en formele bepalingen van Pools recht, zonder dat uit de verwijzingsbeslissing blijkt dat deze bepalingen het Unierecht ten uitvoer brengen in de zin van artikel 51, lid 1, van het Handvest, of dat deze bepalingen betrekking hebben op een „optreden” van de Unie in de zin van artikel 8 VWEU.
18
Het Hof is derhalve niet bevoegd om de vraag te beantwoorden, voor zover die betrekking heeft op de uitlegging van de artikelen 2 en 8 VWEU en artikel 17 van het Handvest (zie in die zin arrest van 22 december 2010, Omalet, C‑245/09, EU:C:2010:808, punt 18, en beschikking van 30 mei 2013, Fierro en Marmorale, C‑106/13, niet gepubliceerd, EU:C:2013:357, punten 11–14 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
19
Wat ten slotte de gevraagde uitlegging van artikel 1 van protocol nr. 1 en van artikel 14 EVRM betreft, is het juist dat deze bepalingen deels overeenstemmen met artikel 17 van het Handvest inzake het recht op eigendom, en met artikel 21 van dat Handvest betreffende non-discriminatie. Zoals echter reeds is overwogen in punt 17 van deze beschikking, kan uit geen enkel concreet element van de verwijzingsbeslissing worden opgemaakt dat er een band bestaat tussen het voorwerp van het hoofdgeding en het Unierecht. In dat geval is het Hof niet bevoegd om te antwoorden op een verzoek om een prejudiciële beslissing (zie in die zin beschikking van 1 maart 2011, Chartry, C‑457/09, EU:C:2011:101, punten 25 en 26 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
20
Gelet op het voorgaande moet op grond van artikel 53, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof worden vastgesteld dat het Hof kennelijk onbevoegd is om op de door de Sąd Rejonowy w Koninie gestelde vraag te antwoorden.
Kosten
21
Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof (Tiende kamer) beschikt:
Het Hof van Justitie van de Europese Unie is kennelijk onbevoegd om te antwoorden op de door de Sąd Rejonowy w Koninie (arrondissementsrechtbank Konin, Polen) gestelde vraag.
ondertekeningen
( *1 ) Procestaal: Pools.
Full & Egal Universal Law Academy