BESCHIKKING VAN HET HOF (Derde kamer)
26 oktober 2017 ( *1 )
„Prejudiciële verwijzing – Artikel 99 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof – Richtlijn 2005/29/EG – Oneerlijke handelspraktijken – Nationale wettelijke regeling op grond waarvan reclame voor ingrepen van esthetische heelkunde of niet-heelkundige esthetische geneeskunde verboden is”
In zaak C‑356/16,
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Nederlandstalige rechtbank van eerste aanleg Brussel, strafzaken (België) bij beslissing van 26 mei 2016, ingekomen bij het Hof op 27 juni 2016, in de strafzaak tegen
Wamo BVBA,
Luc Cecile Jozef Van Mol,
geeft
HET HOF (Derde kamer),
samengesteld als volgt: L. Bay Larsen (rapporteur), kamerpresident, J. Malenovský, M. Safjan, D. Šváby en M. Vilaras, rechters,
advocaat-generaal: Y. Bot,
griffier: A. Calot Escobar,
gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om uitspraak te doen bij met redenen omklede beschikking, overeenkomstig artikel 99 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof,
de navolgende
Beschikking
1
Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van richtlijn 2005/29/EG van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2005 betreffende oneerlijke handelspraktijken van ondernemingen jegens consumenten op de interne markt en tot wijziging van richtlijn 84/450/EEG van de Raad, richtlijnen 97/7/EG, 98/27/EG en 2002/65/EG van het Europees Parlement en de Raad en van verordening (EG) nr. 2006/2004 van het Europees Parlement en de Raad („richtlijn oneerlijke handelspraktijken”) (PB 2005, L 149, blz. 22).
2
Dit verzoek is ingediend in het kader van een strafprocedure tegen Wamo BVBA en Luc Cecile Jozef Van Mol, die worden vervolgd wegens inbreuk op een nationale regeling die elke natuurlijke of rechtspersoon verbiedt om reclame te verspreiden voor ingrepen van esthetische heelkunde of niet-heelkundige esthetische geneeskunde.
Toepasselijke bepalingen
Unierecht
3
Overweging 9 van richtlijn 2005/29 luidt als volgt:
„Deze richtlijn vormt geen beletsel voor het instellen van individuele vorderingen door degenen die schade hebben geleden ten gevolge van oneerlijke handelspraktijken. Deze richtlijn doet evenmin afbreuk aan de communautaire en nationale regels inzake [...] gezondheids- en veiligheidsaspecten van producten [...]. De lidstaten behouden derhalve de mogelijkheid beperkingen en verbodsbepalingen inzake handelspraktijken te handhaven om redenen van bescherming van de gezondheid en de veiligheid van de consumenten op hun grondgebied, bijvoorbeeld met betrekking tot alcohol, tabak of farmaceutische producten, zulks ongeacht de plaats waar de handelaar is gevestigd. [...]”
4
Artikel 2 van deze richtlijn, „Definities”, bepaalt:
„Voor de toepassing van deze richtlijn wordt verstaan onder:
[...]
c)
product: een goed of dienst, met inbegrip van onroerend goed, rechten en verplichtingen;
d)
handelspraktijken van ondernemingen jegens consumenten (hierna ‚de handelspraktijken’ genoemd): iedere handeling, omissie, gedraging, voorstelling van zaken of commerciële communicatie, met inbegrip van reclame en marketing, van een handelaar, die rechtstreeks verband houdt met de verkoopbevordering, verkoop of levering van een product aan consumenten;
[...]”
5
Artikel 3 van die richtlijn luidt:
„1. Deze richtlijn is van toepassing op oneerlijke handelspraktijken van ondernemingen jegens consumenten, zoals omschreven in artikel 5, vóór, gedurende en na een commerciële transactie met betrekking tot een product.
[...]
3. Deze richtlijn doet geen afbreuk aan de communautaire of nationale voorschriften inzake gezondheids- en veiligheidsaspecten van producten.
[...]
8. Deze richtlijn doet geen afbreuk aan de vestigingsvoorwaarden, de vergunningsregelingen, de deontologische gedragscodes of andere specifieke voorschriften voor gereglementeerde beroepen ter handhaving van hoge integriteitsnormen van de beroepsbeoefenaar, die de lidstaten overeenkomstig het communautaire recht aan beroepsbeoefenaren kunnen opleggen.
[...]”
Belgisch recht
6
Volgens artikel 2, 6°, van de Wet van 23 mei 2013 tot regeling van de vereiste kwalificaties om ingrepen van niet-heelkundige esthetische geneeskunde en esthetische heelkunde uit te voeren en tot regeling van de reclame en informatie betreffende die ingrepen (Belgisch Staatsblad, 2 juli 2013, blz. 41511), zoals gewijzigd bij de Wet van 10 april 2014 houdende diverse bepalingen inzake gezondheid (Belgisch Staatsblad, 30 april 2014, blz. 35442) (hierna: „wet van 23 mei 2013”), wordt verstaan onder „reclame”: iedere vorm van op het publiek gerichte mededeling of handeling die rechtstreeks of onrechtstreeks tot doel heeft de in artikel 3 bedoelde ingrepen te bevorderen, ongeacht de daartoe aangewende plaats, drager of aangewende technieken, reality-tv-uitzendingen inbegrepen.
7
Artikel 20/1 van de wet van 23 mei 2013, gelezen in samenhang met artikel 3 ervan, preciseert dat het elke natuurlijke of rechtspersoon verboden is om reclame te verspreiden voor ingrepen van esthetische heelkunde of niet-heelkundige esthetische geneeskunde.
8
Artikel 22/1 van deze wet bepaalt dat degene die een in artikel 20/1 bedoelde inbreuk begaat, wordt gestraft met een gevangenisstraf van acht dagen tot zes maanden en met een geldboete van 250 EUR tot 5000 EUR of met een van deze straffen alleen, en preciseert dat de rechtbank bovendien kan bevelen dat het vonnis in drie kranten wordt bekendgemaakt.
Hoofdgeding en prejudiciële vraag
9
Blijkens de verwijzingsbeslissing is na een melding door de Federale Overheidsdienst Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedselketen en Leefmilieu (België) aan de Procureur des Konings (België), een strafrechtelijke vervolging ingesteld tegen Wamo, een onderneming die kledingwinkels uitbaat onder de handelsnaam ZEB, alsmede tegen L. Van Mol, de gedelegeerd bestuurder van Mosa, de vennootschap die de zaakvoerder is van Wamo, op grond dat zij tussen 8 en 13 juni 2015 in strijd met het Belgische recht reclame zouden hebben verspreid voor ingrepen die tot de esthetische heelkunde behoren.
10
Het strafdossier bevat een folder waarin reclame wordt gemaakt voor een wedstrijd met betrekking tot plastische chirurgie, die ZEB had verspreid binnen haar klantenkring, alsmede een kopie van de internetpagina van Wamo met een soortgelijke reclameboodschap.
11
Voor de verwijzende rechter betogen Wamo en Van Mol met name dat de bepalingen van Belgisch recht die verbieden om reclame te verspreiden voor ingrepen van esthetische heelkunde of niet-heelkundige esthetische geneeskunde, in strijd zijn met richtlijn 2005/29.
12
In deze context heeft de Nederlandstalige rechtbank van eerste aanleg Brussel, strafzaken (België), de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vraag:
„Dient richtlijn [2005/29] te worden uitgelegd in de zin dat zij zich verzet tegen een nationale wet die aan elke natuurlijke of rechtspersoon het verbod oplegt om reclame voor ingrepen van esthetische heelkunde of niet-heelkundige esthetische geneeskunde te verspreiden, zoals voorzien bij artikel 20/1 van de wet van [23 mei 2013]?”
Beantwoording van de prejudiciële vraag
13
Overeenkomstig artikel 99 van zijn Reglement voor de procesvoering kan het Hof, wanneer het antwoord op een prejudiciële vraag duidelijk uit de rechtspraak kan worden afgeleid, te allen tijde op voorstel van de rechter-rapporteur, de advocaat-generaal gehoord, beslissen om bij met redenen omklede beschikking uitspraak te doen.
14
Deze bepaling dient in de onderhavige zaak te worden toegepast.
15
Met zijn prejudiciële vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of richtlijn 2005/29 in die zin moet worden uitgelegd dat zij zich verzet tegen een nationale wettelijke regeling als aan de orde in het hoofdgeding, die de volksgezondheid alsmede de waardigheid en integriteit van de beroepen van chirurg in de esthetische heelkunde en van geneesheer in de esthetische geneeskunde beschermt door iedere natuurlijke of rechtspersoon te verbieden reclame te verspreiden voor ingrepen van esthetische heelkunde of van niet-heelkundige esthetische geneeskunde.
16
Om deze vraag te beantwoorden, moet vooraf worden bepaald of de reclame waarop het verbod ziet dat in het hoofdgeding aan de orde is, een handelspraktijk in de zin van artikel 2, onder d), van richtlijn 2005/29 vormt en dus onderworpen is aan de voorschriften van deze richtlijn (zie naar analogie arrest van 4 mei 2017, Vanderborght, C‑339/15, EU:C:2017:335, punt 22en aldaar aangehaalde rechtspraak).
17
Dienaangaande zij opgemerkt dat artikel 2, onder d), van die richtlijn het begrip „handelspraktijk” bijzonder ruim definieert als „iedere handeling, omissie, gedraging, voorstelling van zaken of commerciële communicatie, met inbegrip van reclame en marketing, van een handelaar, die rechtstreeks verband houdt met de verkoopbevordering, verkoop of levering van een product aan consumenten” (arresten van 9 november 2010, Mediaprint Zeitungs- und Zeitschriftenverlag, C‑540/08, EU:C:2010:660, punt 17, en 4 mei 2017, Vanderborght, C‑339/15, EU:C:2017:335, punt 23).
18
Bovendien wordt volgens artikel 2, onder c), van die richtlijn met „product” elk goed of elke dienst bedoeld.
19
Daaruit volgt dat reclame voor ingrepen van esthetische heelkunde als aan de orde in het hoofdgeding, ongeacht of deze wordt gemaakt middels verspreiding van reclamefolders dan wel op internet, een handelspraktijk in de zin van richtlijn 2005/29 vormt.
20
Artikel 3, lid 3, van die richtlijn bepaalt evenwel dat zij geen afbreuk doet aan de Unierechtelijke of nationale voorschriften inzake gezondheids- en veiligheidsaspecten van producten.
21
Daarnaast bepaalt artikel 3, lid 8, van die richtlijn dat zij geen afbreuk doet aan de deontologische gedragscodes of andere specifieke voorschriften voor gereglementeerde beroepen ter handhaving van hoge integriteitsnormen van de beroepsbeoefenaar, die de lidstaten overeenkomstig het Unierecht aan beroepsbeoefenaren kunnen opleggen.
22
Uit deze bepalingen vloeit dus voort dat richtlijn 2005/29 geen afbreuk doet aan nationale regels inzake gezondheids‑ en veiligheidsaspecten van producten of specifieke voorschriften voor gereglementeerde beroepen (arrest van 4 mei 2017, Vanderborght, C‑339/15, EU:C:2017:335, punt 28).
23
Blijkens de verwijzingsbeslissing beschermt de nationale wettelijke regeling die in het hoofdgeding aan de orde is, te weten artikel 20/1 van de wet van 23 mei 2013, de volksgezondheid en de waardigheid en de integriteit van de beroepen van chirurg in de esthetische heelkunde en van geneesheer in de esthetische geneeskunde, zodat zij onder artikel 3, leden 3 en 8, van richtlijn 2005/29 valt (zie naar analogie arrest van 4 mei 2017, Vanderborght, C‑339/15, EU:C:2017:335, punt 29).
24
Gelet op een en ander dient op de prejudiciële vraag te worden geantwoord dat richtlijn 2005/29 aldus moet worden uitgelegd dat zij zich niet verzet tegen een nationale wettelijke regeling als aan de orde in het hoofdgeding, die de volksgezondheid alsmede de waardigheid en de integriteit van de beroepen van chirurg in de esthetische heelkunde en van geneesheer in de esthetische geneeskunde beschermt door iedere natuurlijke en rechtspersoon te verbieden om reclame te verspreiden voor ingrepen van esthetische heelkunde en niet-heelkundige esthetische geneeskunde.
Kosten
25
Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.
Het Hof (Derde kamer) verklaart voor recht:
Richtlijn 2005/29/EG van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2005 betreffende oneerlijke handelspraktijken van ondernemingen jegens consumenten op de interne markt en tot wijziging van richtlijn 84/450/EEG van de Raad, richtlijnen 97/7/EG, 98/27/EG en 2002/65/EG van het Europees Parlement en de Raad en van verordening (EG) nr. 2006/2004 van het Europees Parlement en de Raad („richtlijn oneerlijke handelspraktijken”) moet aldus worden uitgelegd dat zij zich niet verzet tegen een nationale wettelijke regeling als aan de orde in het hoofdgeding, die de volksgezondheid alsmede de waardigheid en de integriteit van de beroepen van chirurg in de esthetische heelkunde en van geneesheer in de esthetische geneeskunde beschermt door iedere natuurlijke en rechtspersoon te verbieden om reclame voor ingrepen van esthetische heelkunde en niet-heelkundige esthetische geneeskunde te verspreiden.
Luxemburg, 26 oktober 2017.
De griffier
A. Calot Escobar
De president van de Derde kamer
L. Bay Larsen
( *1 ) Procestaal: Nederlands.