12.9.2016
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 335/53
Beroep ingesteld op 14 juni 2016 — ZZ e.a./Commissie
(Zaak F-29/16)
(2016/C 335/69)
Procestaal: Italiaans
Partijen
Verzoekende partijen: ZZ e.a. (vertegenwoordiger: C. Cortese, advocaat)
Verwerende partij: Europese Commissie
Voorwerp en beschrijving van het geding
Nietigverklaring van het krachtens artikel 85 van het Statuut door de Commissie genomen besluit tot inhouding van een bedrag van 22 368,13 EUR op het aan verzoeker toegekende overlevingspensioen alsmede op het wezenpensioen van zijn drie kinderen
Conclusies van de verzoekende partijen
—
nietigverklaring van het besluit van het Bureau beheer en afwikkeling van individuele rechten (PMO.4) van 17 augustus 2015 betreffende de terugvordering van de bedragen die, wat de rechten van ZZ en zijn twee minderjarige dochters betreft, onverschuldigd aan overlevings- en wezenpensioen zijn betaald, en, voor zover nodig, van het uitdrukkelijke besluit tot afwijzing van de klacht;
—
nietigverklaring van het besluit van het Bureau beheer en afwikkeling van individuele rechten (PMO.4) van 17 augustus 2015 betreffende de terugvordering van de bedragen die, wat de rechten van X betreft, onverschuldigd aan overlevings- en wezenpensioen zijn betaald, en, voor zover nodig, van het stilzwijgend besluit tot afwijzing van de klacht;
—
veroordeling van de Commissie tot vergoeding van de materiële en immateriële schade die verzoekers hebben geleden door de schending van hun recht op behoorlijk bestuur en de niet-nakoming door de administratie van haar zorgplicht jegens hen, ter hoogte van:
—
het verschil tussen de bezoldiging die ZZ als tijdelijk functionaris van EFSA van de rang AD 9 heeft ontvangen en de bezoldiging die hij als ambtenaar van de Commissie van de rang AD 12 voor de periode van een jaar zou ontvangen, respectievelijk
—
het bedrag dat in het bestreden besluit wordt teruggevorderd van verzoekers, vermeerderd met het verschil tussen het pensioenbedrag zoals vastgesteld in kennisgeving van wijziging nr. 2 en het bedrag zoals vastgesteld in kennisgeving van wijziging nr. 3, vanaf de inwerkingtreding van laatstgenoemde kennisgeving tot het moment waarop het gezin zich opnieuw in de vroegere woonplaats zal kunnen vestigen, welke termijn in redelijkheid kan worden vastgesteld op één jaar vanaf de afhandeling van de onderhavige zaak;
—
verwijzing van de Commissie in de kosten van de procedure.