4.2.2019
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 44/21
Arrest van het Gerecht van 5 december 2018 — Bristol-Myers Squibb Pharma/Commissie en EMA
(Zaak T-329/16) (1)
([„Geneesmiddelen voor menselijk gebruik - Weesgeneesmiddelen - Besluit tot intrekking van de aanwijzing van Elotuzumab als weesgeneesmiddel - Besluit waarbij werd geoordeeld dat de aanwijzingscriteria niet langer waren vervuld - Vergunning voor het in de handel brengen van het geneesmiddel voor menselijk gebruik Empliciti (Elotuzumab) - Artikel 5, lid 12, onder b), van verordening (EG) nr. 141/2000 - Artikel 5, lid 8, van verordening nr. 141/2000 - Motiveringsplicht”])
(2019/C 44/25)
Procestaal: Engels
Partijen
Verzoekende partij: Bristol-Myers Squibb Pharma EEIG (Uxbridge, Verenigd Koninkrijk) (vertegenwoordigers: P. Bogaert en B. Van Vooren, advocaten, en B. Kelly, solicitor)
Verwerende partijen: Europese Commissie (vertegenwoordigers: A. Sipos en K. Petersen, gemachtigden) en Europees Geneesmiddelenbureau (vertegenwoordigers: N. Rampal Olmedo, M. Tovar Gomis, T. Jabłoński en S. Drosos, gemachtigden)
Voorwerp
Verzoek krachtens artikel 263 VWEU tot nietigverklaring van een handeling van de Commissie waarbij Elotuzumab is geschrapt uit het communautaire register van weesgeneesmiddelen voor menselijk gebruik, of van een eventuele handeling van de Commissie of het EMA waarbij werd geoordeeld dat Elotuzumab niet langer voldeed aan de criteria om te worden aangewezen als weesgeneesmiddel ten tijde van de vergunning voor het in de handel brengen van het geneesmiddel Empliciti (Elotuzumab), krachtens verordening (EG) nr. 141/2000 van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 1999 inzake weesgeneesmiddelen (PB 2000, L 18, blz. 1).
Dictum
1)
Het beroep wordt verworpen.
2)
De Europese Commissie wordt verwezen in alle kosten.
(1) PB C 314 van 29.8.2016.
Full & Egal Universal Law Academy