11.12.2017
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 424/32
Arrest van het Gerecht van 25 oktober 2017 — Lucaccioni/Commissie
(Zaak T-551/16) (1)
((„Openbare dienst - Ambtenaren - Blootstelling aan asbest en andere stoffen - Beroepsziekte - Artikel 73 van het Statuut - Gemeenschappelijke regeling voor de verzekering tegen ongevallen en beroepsziekten - Artikel 14 - Artikel 266 VWEU - Misbruik van bevoegdheid - Medische commissie - Beginsel van collegialiteit - Schending van het mandaat van de medische commissie - Motiveringsplicht - Beroep tot schadevergoeding - Duur van de procedure - Immateriële schade”))
(2017/C 424/46)
Procestaal: Italiaans
Partijen
Verzoekende partij: Arnaldo Lucaccioni (San Benedetto del Tronto, Italië) (vertegenwoordigers: aanvankelijk M. Velardo, vervolgens L. Gialluca, advocaten)
Verwerende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: T. Bohr en G. Gattinara, gemachtigden, bijgestaan door A. Dal Ferro, advocaat)
Voorwerp
Verzoek krachtens artikel 270 VWEU, ten eerste strekkende tot nietigverklaring van het besluit van de Commissie van 26 juni 2014 om verzoeker na zijn verzoek van 7 juni 2000 slechts een verhoging toe te kennen van 20 % van de vergoeding bedoeld in artikel 14 van de gemeenschappelijke regeling voor de verzekering van ambtenaren van de Europese Gemeenschappen tegen ongevallen en beroepsziekten, en ten tweede tot vergoeding van de immateriële schade die verzoeker zou hebben geleden
Dictum
1)
Het besluit van de Europese Commissie van 26 juni 2014 om Arnaldo Lucaccioni een verhoging toe te kennen van 20 % van de vergoeding uit hoofde van artikel 14 van de gemeenschappelijke regeling voor de verzekering van ambtenaren van de Europese Gemeenschappen tegen ongevallen en beroepsziekten wordt nietig verklaard.
2)
De Commissie wordt veroordeeld tot betaling van een bedrag van 5 000 EUR aan Lucaccioni ter vergoeding van zijn immateriële schade.
3)
Het beroep wordt verworpen voor het overige.
4)
De Commissie wordt verwezen in de kosten.
(1) PB C 279 van 24.8.2015 (zaak aanvankelijk ingeschreven bij het Gerecht voor ambtenarenzaken van de Europese Unie onder nummer F-74/15 en op 1 september 2016 overgedragen aan het Gerecht van de Europese Unie).