2.9.2019
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 295/17
Arrest van het Gerecht van 3 juli 2019 — PT/EIB
(Zaak T-573/16) (1)
(„Openbare dienst - Personeel van de EIB - Organisatie van de diensten - Vrijstelling van de dienst - Toegang tot de mailbox en de computerverbindingen - Precontentieuze procedure - Ontvankelijkheid - Rechtszekerheid - Recht om te worden gehoord - Vermoeden van onschuld - Eindrapport van het OLAF - Motiveringsplicht - Aansprakelijkheid - Materiële schade - Immateriële schade”)
(2019/C 295/21)
Procestaal: Zweeds
Partijen
Verzoekende partij: PT (vertegenwoordiger: E. Nordh, advocaat)
Verwerende partijen: Europese Investeringsbank (vertegenwoordigers: aanvankelijk G. Nuvoli, E. Raimond, T. Gilliams en G. Faedo, vervolgens G. Faedo en M. Loizou, gemachtigden, bijgestaan door M. Johansson, B. Wägenbaur, advocaten, en J. Currall, barrister)
Voorwerp
Verzoek krachtens 270 VWEU en artikel 50 bis van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie, ten eerste tot nietigverklaring van de besluiten van de EIB van 13 april 2015, 12 mei 2015, 16 juni 2015, 20 oktober 2015, 6 juni 2016 en 7 februari 2017 waarbij verzoeker is vrijgesteld van de dienst, alsmede van het besluit van de EIB van 18 juni 2015 waarbij verzoekers toegang tot zijn mailbox en tot de computerverbindingen van de EIB is geblokkeerd, en van de besluiten van de EIB om hem zijn salarisafrekeningen niet te bezorgen en zijn naam te schrappen uit het op het intranet van de EIB gepubliceerde organigram, en ten tweede tot vergoeding van de schade die verzoeker stelt te hebben geleden
Dictum
1)
De besluiten van de Europese Investeringsbank (EIB) van 13 april 2015, 12 mei 2015, 16 juni 2015, 20 oktober 2015, 6 juni 2016 en 7 februari 2017 waarbij PT is vrijgesteld van de dienst, alsook het besluit van de EIB van 18 juni 2015 waarbij de toegang van PT tot zijn mailbox en tot de computerverbindingen van de EIB is geblokkeerd, worden nietig verklaard.
2)
De EIB wordt veroordeeld om aan PT, ter vergoeding van de geleden immateriële schade, een bedrag te betalen van 25 000 EUR vermeerderd met vertragingsrente vanaf de datum van uitspraak van dit arrest, tegen de rentevoet die de Europese Centrale Bank (ECB) heeft vastgesteld voor de basisherfinancieringstransacties, vermeerderd met 3,5 punten.
3)
Het beroep wordt verworpen voor het overige.
4)
De EIB wordt verwezen in de kosten.
(1) PB C 383 van 17.10.2016 (zaak aanvankelijk ingeschreven bij het Gerecht voor ambtenarenzaken van de Europese Unie onder nummer F-150/15, en op 1 september 2016 overgedragen aan het Gerecht van de Europese Unie).
Full & Egal Universal Law Academy