14.8.2017
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 269/23
Beschikking van het Gerecht van 29 mei 2017 — Le Pen/Parlement
(Zaak T-863/16) (1)
((„Beroep tot nietigverklaring - Regeling kosten en vergoedingen van de leden van het Europees Parlement - Vergoeding voor parlementaire medewerkers - Terugvordering van de onverschuldigd betaalde bedragen - Gedeeltelijke kennelijke niet-ontvankelijkheid - Gedeeltelijke afdoening zonder beslissing”))
(2017/C 269/34)
Procestaal: Frans
Partijen
Verzoekende partij: Jean-Marie Le Pen (Saint-Cloud, Frankrijk) (vertegenwoordigers: M. Ceccaldi en J.-P. Le Moigne, advocaten)
Verwerende partij: Europees Parlement (vertegenwoordigers: S. Seyr en G. Corstens, gemachtigden)
Voorwerp
Verzoek krachtens artikel 263 VWEU, strekkende tot nietigverklaring van het besluit van de secretaris-generaal van het Parlement van 29 januari 2016 betreffende de terugvordering van verzoeker van een bedrag van 320 026,23 EUR dat onverschuldigd als vergoeding voor parlementaire medewerkers is betaald, alsmede van de daarop betrekking hebben debetnota van 4 februari 2016 en van het besluit van de quaestoren van 4 oktober 2016 houdende afwijzing van verzoekers klacht tegen het besluit van 29 januari 2016.
Dictum
1)
Het beroep wordt kennelijk niet-ontvankelijk verklaard, voor zover het betrekking heeft op het verzoek tot nietigverklaring van het besluit van de secretaris-generaal van het Europees Parlement van 29 januari 2016 betreffende de terugvordering van Jean-Marie Le Pen van een bedrag van 320 026,23 EUR dat onverschuldigd als vergoeding voor parlementaire medewerkers is betaald, alsmede van de daarop betrekking hebben debetnota van 4 februari 2016 en van het verzoek om het Parlement te veroordelen verzoeker 50 000 EUR te betalen uit hoofde van invorderbare kosten.
2)
Er behoeft geen uitspraak te worden gedaan over het beroep voor zover het betrekking heeft op het verzoek tot nietigverklaring van het besluit van de quaestoren van 4 oktober 2016 houdende afwijzing van verzoekers klacht tegen het besluit van 29 januari 2016.
3)
Elke partij zal haar eigen kosten dragen.
(1) PB C 38 van 6.2.2017.