Voorlopige editie
ARREST VAN HET GERECHT (Vijfde kamer)
12 juli 2019 (*)
„Mededinging – Mededingingsregelingen – Markt van optische diskdrives – Besluit waarbij een inbreuk op artikel 101 VWEU en artikel 53 van de EER-Overeenkomst wordt vastgesteld – Heimelijke afspraken over aanbestedingen die door twee computerfabrikanten zijn georganiseerd – Volledige rechtsmacht – Schending van het beginsel van behoorlijk bestuur – Motiveringsplicht – Punt 37 van de richtsnoeren voor de berekening van de geldboeten van 2006 – Bijzondere omstandigheden – Onjuiste rechtsopvatting”
In zaak T‑1/16,
Hitachi-LG Data Storage, Inc., gevestigd te Tokio (Japan),
Hitachi-LG Data Storage Korea, Inc., gevestigd te Seoul (Zuid-Korea),
vertegenwoordigd door L. Gyselen en N. Ersbøll, advocaten,
verzoeksters,
tegen
Europese Commissie, aanvankelijk vertegenwoordigd door A. Biolan, M. Farley, C. Giolito en F. van Schaik, vervolgens door A. Biolan, M. Farley en F. van Schaik, als gemachtigden,
verweerster,
betreffende een verzoek krachtens artikel 263 VWEU tot van de geldboete die de Europese Commissie verzoeksters heeft opgelegd bij besluit C(2015) 7135 final van de Commissie van 21 oktober 2015 in een procedure op grond van artikel 101 VWEU en artikel 53 van de EER-Overeenkomst (zaak AT.39639 – Optical Disk Drivers) en, subsidiair, verlaging van de aan verzoeksters opgelegde geldboete,
wijst
HET GERECHT (Vijfde kamer),
samengesteld als volgt: D. Gratsias, president, I. Labucka en I. Ulloa Rubio (rapporteur), rechters,
griffier: N. Schall, administrateur,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 3 mei 2018,
het navolgende
Arrest (1)
I. Voorgeschiedenis van het geding
A. Verzoeksters en de betrokken markt
1 Verzoeksters, Hitachi-LG Data Storage, Inc. en haar dochteronderneming Hitachi-LG Data Storage Korea, Inc., zijn producenten en leveranciers van optische diskdrives (hierna: „odd’s”). Meer bepaald is Hitachi-LG Data Storage een gemeenschappelijke onderneming die is opgericht door de Japanse vennootschap Hitachi, Ltd. en de Koreaanse vennootschap LG Electronics Inc. Zij is sinds 1 juli 2001 op de markt actief.
2 De betrokken inbreuk heeft betrekking op odd’s die in door Dell en Hewlett Packard (hierna: „HP”) vervaardigde personal computers (desktops en laptops) (hierna: „pc’s”) worden gebruikt. Odd’s worden ook gebruikt in vele andere voor de consument bestemde apparatuur, zoals spelers voor compact discs (hierna: „cd’s”) of digital versatile discs (hierna: „dvd’s”), spelconsoles en andere perifere elektronische apparatuur (bestreden besluit, overweging 28).
3 De odd’s die in pc’s worden gebruikt, variëren in afmeting, laadmechanisme (gleuf of plaat) en soorten disk die zij kunnen lezen of branden. De odd’s kunnen in twee groepen worden onderverdeeld: halfhoge spelers (half-height; hierna: „HH”) voor desktops en dunne spelers voor laptops. De subgroep van de dunne spelers omvat spelers van verschillende afmetingen. Afhankelijk van hun technische functionaliteit zijn er verschillende typen HH- en dunne spelers (bestreden besluit, overweging 29).
4 Op de wereldwijde markt voor pc’s zijn Dell en HP de twee belangrijkste fabrikanten van originele producten. Deze twee ondernemingen gebruiken klassieke aanbestedingsprocedures die op wereldschaal worden gevoerd, die onder meer driemaandelijkse onderhandelingen over een wereldwijd geldende prijs en totale aankoopvolumes met een klein aantal voorgeselecteerde leveranciers van odd’s omvatten. In de regel speelden regionale vraagstukken geen rol in de aanbestedingen voor odd’s, behalve dan de verwachte vraag in regio’s die op het totale aankoopvolume van invloed waren (bestreden besluit, overweging 32).
5 De aanbestedingsprocedures omvatten prijsaanvragen, prijsaanvragen langs elektronische weg, online-onderhandelingen, elektronische veilingen en bilaterale onderhandelingen (offline). Na afloop van een aanbesteding kenden de afnemers volumes aan de deelnemende odd-leveranciers toe (aan alle of op zijn minst aan de meeste van hen, behalve wanneer er een uitsluitingsregeling was) volgens de door hen aangeboden prijs. De winnende offerte kreeg bijvoorbeeld 35 à 45 % van de totale opdracht voor het kwartaal in kwestie toegewezen, de tweede beste offerte 25 à 30 %, de derde 20 %, etc. Deze klassieke aanbestedingsprocedures werden gebruikt door de teams die bij de afnemers waren belast met de aanbestedingen, met als doel om een doeltreffende aanbesteding tegen competitieve prijzen te realiseren. Met het oog daarop gebruikten zij alle mogelijke handgrepen om prijsconcurrentie tussen de odd-leveranciers te stimuleren (bestreden besluit, overweging 33).
6 Dell heeft voornamelijk aanbestedingen via online-onderhandelingen gehouden. Deze konden een bepaalde duur hebben of na een bepaalde periode aflopen, bijvoorbeeld 10 minuten na de laatste offerte, wanneer geen van de odd-leveranciers een nieuwe offerte uitbracht. In sommige gevallen konden de online-onderhandelingen meerdere uren duren, wanneer de aanbesteding levendiger verliep of de duur van de online-onderhandelingen werd verlengd om de odd-leveranciers ertoe aan te zetten om offertes te blijven uitbrengen. Omgekeerd kon Dell, zelfs wanneer de duur van de online-onderhandelingen onbepaald was en van de eindofferte afhing, op elk moment aankondigen dat de online-onderhandelingen werden afgesloten. Dell kon beslissen om van een procedure met „uitsluitend een rangschikking” over te stappen op een „blinde” procedure. Bovendien kon zij de online-onderhandelingen annuleren indien de aanbesteding of het resultaat daarvan niet tot tevredenheid stemde en in de plaats daarvan bilaterale onderhandelingen voeren. Op het onderhandelingsproces dat online werd gevoerd, werd toezicht gehouden door de managers die bij Dell wereldwijd voor de inkoop verantwoordelijk waren (bestreden besluit, overwegingen 34 en 37).
7 Bij HP werden hoofdzakelijk aanbestedingsprocedures gebruikt die uit prijsaanvragen en elektronische prijsaanvragen bestonden. De twee procedures werden online gevoerd, met gebruikmaking van hetzelfde platform. De prijsaanvragen vonden driemaandelijks plaats. Daarbij werden online-onderhandelingen en offline gevoerde bilaterale onderhandelingen over een specifieke periode van meestal twee weken gecombineerd. De odd-leveranciers werd gevraagd om deel te nemen aan een aanbestedingsronde die gedurende een bepaalde periode openstond om hun offertes via een online-platform en via e-mail uit te brengen. Nadat de eerste veilingronde was afgesloten, belegde HP vergaderingen met elk van de deelnemers en ving zij onderhandelingen aan op basis van de door odd-leverancier uitgebrachte offerte om van elke leverancier de beste offerte te verkrijgen, zonder de identiteit of de offertes van de andere odd-leveranciers te onthullen. De elektronische prijsaanvragen werden normaliter in de vorm van een omgekeerde aanbesteding georganiseerd. De inschrijvers logden dan op een specifiek tijdstip in op een online-platform. De veiling begon vervolgens met een door HP vastgestelde prijs. Daarna werden de inschrijvers, die gaandeweg lagere offertes uitbrachten, na elke uitgebrachte offerte in kennis gesteld van hun eigen rangschikking. Na het verstrijken van de toegekende tijd won de odd-leverancier die de laagste offerte had uitgebracht de veiling en werden de overige leveranciers als tweede en derde gerangschikt, afhankelijk van hun offertes (bestreden besluit, overwegingen 41‑44).
B. Administratieve procedure
8 Op 14 januari 2009 heeft de Europese Commissie een verzoek om immuniteit op basis van haar mededeling betreffende immuniteit tegen geldboeten en vermindering van geldboeten in kartelzaken (PB 2006, C 298, blz. 17) van de vennootschap Koninklijke Philips N.V. (hierna: „Philips”) ontvangen. Dit verzoek is op 29 januari en 2 maart 2009 in die zin aangevuld dat het, naast Philips, ook de vennootschappen Lite-On IT Corporation (hierna: „Lite-On”) en hun gemeenschappelijke onderneming Philips & Lite-On Digital Solutions Corporation (hierna: „PLDS”) zou dekken.
9 Op 29 juni 2009 heeft de Commissie een verzoek om inlichtingen toegezonden aan de ondernemingen die op odd-gebied actief zijn.
10 Op 30 juni 2009 heeft de Commissie Philips, Lite-On en PLDS voorwaardelijke immuniteit toegekend.
11 Op 4 en 6 augustus 2009 hebben verzoeksters bij de Commissie om verlaging van de geldboete op basis van de clementieregeling verzocht.
12 Op 18 juli 2012 heeft de Commissie ten aanzien van aan dertien odd-leveranciers, waaronder verzoeksters, een procedure ingeleid en een mededeling van punten van bezwaar vastgesteld. Zij heeft daarin in wezen uiteengezet dat deze vennootschappen inbreuk hadden gemaakt op artikel 101 VWEU en artikel 53 van de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte (EER), door van 5 februari 2004 tot en met 29 juni 2009 deel te nemen aan een mededelingsregeling inzake odd’s, bestaande in de onderlinge afstemming van hun gedrag ten aanzien van de aanbestedingen die door twee computerfabrikanten, Dell en HP, waren georganiseerd.
13 Diezelfde dag heeft de Commissie verzoeksters voorlopige immuniteit toegekend.
14 Op 29 en 30 november 2012 hebben alle adressaten van de mededeling van punten van bezwaar aan een hoorzitting bij de Commissie deelgenomen.
15 Op 14 december 2012 heeft de Commissie alle partijen verzocht om toezending van de relevante documenten die zij tijdens de inbreukperiode van Dell en HP hadden ontvangen. Alle partijen, met inbegrip van verzoeksters, hebben aan dit verzoek gehoor gegeven. Voorts heeft ieder van hen toegang gehad tot de antwoorden van de andere odd-leveranciers.
16 Op 18 februari 2014 heeft de Commissie twee aanvullende mededelingen van punten van bezwaar vastgesteld ter aanvulling, wijziging en verduidelijking van de bezwaren die aan bepaalde adressaten van de mededeling van punten van bezwaar waren gericht op het punt van hun verantwoordelijkheid voor de vermeende inbreuk
17 Op 26 februari 2015 hebben verzoeksters aan de Commissie verzocht om vermindering van de geldboete wegens „bijzondere omstandigheden” in de zin van punt 37 van de richtsnoeren voor de berekening van geldboeten die uit hoofde van artikel 23, lid 2, onder a), van verordening (EG) nr. 1/2003 worden opgelegd (PB 2006, C 210, blz. 2; hierna: „richtsnoeren voor de berekening van de geldboeten”).
18 Op 5 maart 2015 hebben verzoeksters en hun externe raadsman de Commissie ontmoet om een toelichting te geven bij hun verzoek om vermindering van de geldboete.
19 Op 1 juni 2015 heeft de Commissie nog een aanvullende mededeling van punten van bezwaar vastgesteld. Deze nieuwe mededeling had tot doel om de eerdere mededelingen van punten van bezwaar in die zin aan te vullen dat de bezwaren werden gericht tot aanvullende juridische entiteiten binnen de groepen van ondernemingen (moedermaatschappijen of entiteiten die daarin waren opgegaan) die reeds adressaat van de eerste mededeling van punten van bezwaar waren.
20 De adressaten van de mededelingen van punten van bezwaar van 18 februari 2014 en 1 juni 2015 hebben hun zienswijzen schriftelijk aan de Commissie doen toekomen, zonder om een hoorzitting te verzoeken.
21 Op 3 juni 2015 heeft de Commissie alle partijen een „letter of facts” toegezonden. De adressaten daarvan hebben de Commissie hun zienswijzen schriftelijk doen toekomen.
22 Op 14 september 2015 hebben verzoeksters een tweede verzoek om vermindering van de geldboete ingediend. Dit verzoek was bedoeld om bepaalde gegevens in hun verzoek van 26 februari 2015 te actualiseren.
23 Op 18 september 2015 hebben verzoeksters en hun externe raadsman aan een tweede bijeenkomst met de Commissie over de stand van hun dossier deelgenomen.
24 Het Adviescomité voor mededingingsregelingen en economische machtsposities is op 5 en 15 oktober 2015 door de Commissie geraadpleegd.
25 Op 21 oktober 2015 heeft de Commissie besluit C(2015) 7135 final van de Commissie van 21 oktober 2015 in een procedure op grond van artikel 101 VWEU en artikel 53 van de EER-Overeenkomst (zaak AT.39639 – Optical Disk Drivers) (hierna: „bestreden besluit”) vastgesteld.
C. Bestreden besluit
1. Betrokken inbreuk
26 De Commissie is in het bestreden besluit tot het oordeel gekomen dat de deelnemers aan de mededingingsregeling hun concurrentiegedrag vanaf minstens 23 juni 2004 tot 25 november 2008 onderling hadden afgestemd. Zij heeft verduidelijkt dat deze onderlinge afstemming via een netwerk van parallelle bilaterale contacten had plaatsgevonden. Volgens haar trachtten de deelnemers aan de mededingingsregeling hun volumes op de markt aan te passen en te bereiken dat de prijzen op een hoger niveau bleven dan dat waarop zij zich zonder deze bilaterale contacten zouden hebben bevonden (bestreden besluit, overweging 67).
27 De Commissie heeft in het bestreden besluit gepreciseerd dat de onderlinge afstemming tussen de karteldeelnemers betrekking had op de klanten van Dell en HP, de twee belangrijkste fabrikanten van originele producten op de wereldwijde markt van pc’s. Volgens de Commissie pasten Dell en HP, naast bilaterale onderhandelingen met hun odd-leveranciers, gestandaardiseerde aanbestedingsprocedures toe die minstens één keer per kwartaal plaatsvonden. Zij heeft erop gewezen dat de kartelleden hun netwerk van bilaterale contacten gebruikten om deze aanbestedingsprocedures te manipuleren, waardoor zij de pogingen van hun klanten om tot prijsconcurrentie aan te zetten dwarsboomden (bestreden besluit, overweging 68).
28 Volgens de Commissie konden de kartelleden door geregelde informatie-uitwisselingen, onder meer nog voordat zij aan de aanbestedingsprocedure deelnamen, zeer duidelijk achterhalen wat de intenties van hun concurrenten waren en dus hun concurrentiestrategie voorzien (bestreden besluit, overweging 69).
29 De Commissie heeft daaraan toegevoegd dat de kartelleden met geregelde tussenpozen informatie over de prijzen voor specifieke klanten uitwisselden alsook informatie die geen verband met de prijzen hield, zoals de productie op dat moment en de leveringscapaciteit, de stand van de voorraden of het moment waarop nieuwe producten of verbeteringen werden geïntroduceerd. Zij heeft erop gewezen dat de odd-leveranciers de eindresultaten van de afgeronde aanbestedingsprocedures bewaakten, dat wil zeggen welke rangschikking en prijs en welk volume waren verkregen (bestreden besluit, overweging 70).
30 De Commissie heeft ook uiteengezet dat de leveranciers, die goed wisten dat de kartelleden hun contacten geheim moesten houden voor hun klanten, middelen gebruikten om met elkaar contact op te nemen die afdoende werden geacht om het gewenste resultaat te bereiken. Zij heeft verduidelijkt dat er in 2003 overigens een poging was geweest om een startvergadering te beleggen om geregelde multilaterale contacten tussen de odd-leveranciers te organiseren, maar dat die was mislukt nadat een klant daarvan op de hoogte was geraakt. Volgens de Commissie zijn er in plaats daarvan bilaterale contacten geweest, hoofdzakelijk in de vorm van telefoongesprekken en soms ook per e mail, mede via privé-e-mailadressen (hotmail) en instant messaging, of via bijeenkomsten, hoofdzakelijk op het niveau van de beheerders van wereldwijde accounts (bestreden besluit, overweging 71).
31 De Commissie heeft vastgesteld dat de deelnemers aan de mededingingsregeling geregeld contact met elkaar opnamen en dat de contacten, hoofdzakelijk via de telefoon, frequenter werden toen aanbestedingsprocedures werden gevoerd. Dan vonden meerdere gesprekken per dag plaats tussen telkens twee karteldeelnemers. Zij heeft gepreciseerd dat de contacten tussen sommige paren van karteldeelnemers duidelijk vaker plaatsvonden dan bij sommige andere paren (bestreden besluit, overweging 72).
2. Aansprakelijkheid van verzoeksters
32 Verzoeksters zijn aansprakelijk gehouden omdat zij van 23 juni 2004 tot 25 november 2008 rechtstreeks aan de mededingingsregelingen hadden deelgenomen, in bijzonder wegens de onderlinge afstemming met andere concurrenten ten aanzien van Dell en HP (bestreden besluit, overweging 494).
3. Aan verzoeksters opgelegde geldboete
33 Voor de berekening van het bedrag van de aan verzoeksters opgelegde geldboete heeft de Commissie zich gebaseerd op richtsnoeren voor de berekening van de geldboeten.
34 Om te beginnen heeft de Commissie zich op het standpunt gesteld dat het ten behoeve van de vaststelling van het basisbedrag van de geldboete passend was, gelet op de aanzienlijke verschillen in duur van de deelname van de leveranciers en teneinde de werkelijke impact van de mededingingsregeling tot uiting te laten komen, om gebruik te maken van een jaargemiddelde, berekend op basis van de reële waarde van de verkopen die de ondernemingen hadden gerealiseerd in de volledige kalendermaanden waarin zij ieder aan de inbreuk hadden deelgenomen (bestreden besluit, overweging 527).
35 De Commissie heeft toegelicht dat de waarde van de verkopen was berekend op basis van de voor pc’s bestemde odd-verkopen die waren gefactureerd aan entiteiten van HP en Dell die zich in de EER bevonden (bestreden besluit, overweging 528).
36 Bovendien was de Commissie van oordeel dat de relevante waarde van de verkopen afzonderlijk voor Dell en HP moest worden berekend en dat twee vermenigvuldigingscoëfficiënten moesten worden toegepast, omdat het mededingingsverstorende gedrag ten aanzien van HP veel later was aangevangen en er zo rekening kon worden gehouden met de wijze waarop de mededingingsregeling zich had ontwikkeld (bestreden besluit, overweging 530).
37 Vervolgens heeft de Commissie beslist dat het percentage voor de ernst in dit geval voor alle adressaten van het bestreden besluit op 16 % moest worden vastgesteld, aangezien prijsafspraken naar hun aard tot de ernstigste inbreuken op artikel 101 VWEU en artikel 53 van de EER-Overeenkomst behoorden en de mededingingsregeling zich op zijn minst tot de gehele EER uitstrekte (bestreden besluit, overweging 544).
38 Bovendien heeft de Commissie uiteengezet dat het, gelet op de omstandigheden van het onderhavige geval, passend was om een bedrag van 16 % als afschrikking toe te voegen (bestreden besluit, overwegingen 554 en 555).
39 Voorts heeft de Commissie het basisbedrag van de geldboete niet hoeven aan te passen op basis van artikel 23, lid 2, van verordening (EG) nr. 1/2003 van de Raad van 16 december 2002 betreffende de uitvoering van de mededingingsregels van de artikelen [101] en [102 VWEU] (PB 2003, L 1, blz. 1), aangezien het basisbedrag van de aan verzoeksters op te leggen geldboete het plafond van 10 % van hun omzet niet bereikte. Het volgens bovenstaande methode berekende basisbedrag van de aan verzoeksters op te leggen geldboete bedroeg namelijk 8,45 % van de totale in 2014 gerealiseerde omzet, zijnde het boekjaar voorafgaand aan de vaststelling van het bestreden besluit (bestreden besluit, overwegingen 570‑572).
40 Tot slot is verzoeksters’ geldboete met 50 % verminderd wegens hun medewerking aan het onderzoek in het kader van het clementieprogramma van de Commissie en is haar gedeeltelijke immuniteit verleend omdat de Commissie een langere duur van de mededingingsregeling had kunnen vaststellen (bestreden besluit, overwegingen 575 en 582‑592).
41 Het dispositief van het bestreden besluit luidt, voor zover het verzoeksters betreft, als volgt:
„Artikel 1
Onderstaande ondernemingen hebben inbreuk gepleegd op artikel 101 VWEU en artikel 53 van de EER-Overeenkomst door, gedurende de aangegeven perioden, deel te nemen aan één enkele, voortdurende inbreuk die uit meerdere afzonderlijke inbreuken bestond in de sector van de optische diskdrives in de gehele EER, in de vorm van prijsafspraken:
[...]
d) [verzoeksters] van 23 juni 2004 tot 25 november 2008, voor hun onderlinge afstemming ten aanzien van Dell en HP.
[...]
Artikel 2
Voor de in artikel 1 bedoelde inbreuk worden de volgende geldboeten opgelegd:
[...]
d) [verzoeksters], hoofdelijk aansprakelijk: 37 121 000 EUR.”
II. Procedure en conclusies van partijen
42 Bij op 4 januari 2016 ter griffie van het Gerecht neergelegd verzoekschrift hebben verzoeksters het onderhavige beroep ingesteld.
43 De Commissie heeft haar verweerschrift op 29 april 2016 neergelegd.
44 Op rapport van de rechter-rapporteur heeft het Gerecht (Vijfde kamer) besloten tot de mondelinge behandeling over te gaan en verzoeksters in het kader van de maatregelen tot organisatie van de procesgang in artikel 89 van zijn Reglement voor de procesvoering verzocht om een document over te leggen en zich schriftelijk uit te laten over bepaalde aspecten van het geding. Verzoeksters hebben binnen de gestelde termijn aan deze verzoeken voldaan.
45 Partijen hebben ter terechtzitting van 3 mei 2018 pleidooi gehouden en geantwoord op de vragen van het Gerecht.
46 Verzoeksters concluderen tot:
– verlaging van de geldboete die hun bij punt 2, onder d), van het bestreden besluit is opgelegd om rekening te houden met de bijzondere kenmerken van de zaak;
– verwijzing van de Commissie in de kosten.
47 De Commissie concludeert tot:
– verwerping van het beroep;
– verwijzing van verzoeksters in de kosten.
III. In rechte
A. Omvang van het geschil
48 Ter ondersteuning van hun beroep voeren verzoeksters twee middelen aan. Ten eerste stellen zij dat de Commissie het beginsel van behoorlijk bestuur heeft geschonden en haar motiveringsplicht niet is nagekomen omdat zij niet heeft geantwoord op hun verzoek op grond van punt 37 van de richtsnoeren voor de berekening van de geldboeten. Ten tweede betogen zij dat de Commissie het recht heeft geschonden door niet van de algemene methode in de richtsnoeren voor de berekening van de geldboeten af te wijken om het bedrag van de hun opgelegde geldboete wegens de bijzondere kenmerken van de onderhavige zaak en hun rol op de markt van odd’s te verminderen.
49 Met het eerste onderdeel van hun conclusies, en zoals volgt uit de punten 3, 7, 41 en 43 van het verzoekschrift en de punten 11 tot en met 18 van de repliek, verzoeken verzoeksters het Gerecht om zijn volledige rechtsmacht krachtens artikel 261 VWEU uit te oefenen teneinde het bedrag van de hun opgelegde geldboete te verlagen. Zij verklaren voorts dat zij niet verzoeken om nietigverklaring van het bestreden besluit voor het geval dat het Gerecht niet-nakoming van de motiveringsplicht of schending van het beginsel van behoorlijk bestuur door de Commissie zou vaststellen.
50 In het kader van de maatregelen tot organisatie van de procesgang als bedoeld in artikel 89 van het Reglement voor de procesvoering heeft het Gerecht verzoeksters gevraagd om te verduidelijken of zij in het kader van hun beroep niet wilden concluderen tot nietigverklaring, maar alleen tot verlaging van de geldboete, zoals uit hun verzoekschrift en repliek leek te blijken.
51 In hun antwoord op de maatregelen tot organisatie van de procesgang van het Gerecht hebben verzoeksters verklaard dat zij het Gerecht verzochten om zijn volledige rechtsmacht uit te oefenen door het impliciete besluit van de Commissie om hun verzoek tot vermindering van de geldboete op grond van punt 37 van de richtsnoeren voor de berekening van de geldboeten te herzien en dit verzoek ten gronde te onderzoeken.
52 In datzelfde antwoord op de maatregelen tot organisatie van de procesgang hebben verzoeksters evenwel ook te kennen gegeven dat zij zich ervan bewust waren dat het verzoek aan het Gerecht om zijn volledige rechtsmacht ten aanzien van de geldboete krachtens artikel 261 VWEU uit te oefenen, „noodzakelijkerwijs een verzoek tot volledige of gedeeltelijke nietigverklaring van dit besluit omvatte of behelsde” en dat indien het Gerecht in het kader van zijn toetsing van de wettigheid krachtens artikel 263 VWEU tot de conclusie zou komen dat de Commissie het recht niet heeft geschonden, het krachtens artikel 261 VWEU tot een volledig onderzoek van het bedrag van de geldboete zou kunnen overgaan.
53 In dit verband moet in herinnering worden gebracht dat in het Verdrag geen autonome rechtsgang „beroep op de volledige rechtsmacht” is opgenomen. In artikel 261 VWEU is immers niet meer bepaald dan dat de krachtens de bepalingen van de Verdragen vastgestelde verordeningen aan de rechterlijke instantie van de Unie volledige rechtsmacht kunnen verlenen wat betreft de sancties welke in die verordeningen zijn opgenomen (beschikking van 9 november 2004, FNICGV/Commissie, T‑252/03, EU:T:2004:326, punt 22).
54 Bovendien kunnen de rechterlijke instanties van de Unie deze volledige rechtsmacht slechts uitoefenen in het kader van de toetsing van handelingen van de instellingen, meer bepaald in het kader van het beroep tot nietigverklaring. Artikel 261 VWEU strekt namelijk enkel tot uitbreiding van de bevoegdheden van de Unierechter in het kader van het in artikel 263 VWEU bedoelde beroep (zie in die zin beschikking van 9 november 2004, FNICGV/Commissie, T‑252/03, EU:T:2004:326, punten 24 en 25).
55 Bijgevolg omvat of behelst een beroep waarmee van de Unirechter moet worden verkregen dat hij zijn volledige rechtsmacht ten aanzien van een sanctiebesluit uitoefent, welke bevoegdheid krachtens artikel 261 VWEU is verleend maar in het kader van artikel 263 VWEU wordt uitgeoefend, noodzakelijkerwijs een verzoek tot volledige of gedeeltelijke nietigverklaring van dit besluit (zie in die zin beschikking van 9 november 2004, FNICGV/Commissie, T‑252/03, EU:T:2004:326, punt 25).
56 De Unierechter dient bijgevolg pas nadat hij de wettigheid van het aan hem voorgelegde besluit heeft getoetst aan de hand van de bij hem aangevoerde en de in voorkomend geval door hemzelf ambtshalve opgeworpen middelen en genoemd besluit niet volledig nietig wordt verklaard, zijn volledige rechtsmacht uit te oefenen om de gevolgen aan zijn oordeel ten aanzien van de wettigheid van het besluit te verbinden en afgaand op de hem ter onderzoek voorgelegde gegevens (zie in die zin arresten van 8 december 2011, KME Germany e.a./Commissie, C‑389/10 P, EU:C:2011:816, punt 131, en 10 juli 2014, Telefónica en Telefónica de España/Commissie, C‑295/12 P, EU:C:2014:2062, punt 213), te bepalen of er op de datum waarop hij zijn beslissing neemt, aanleiding is (arresten van 11 juli 2014, RWE en RWE Dea/Commissie, T‑543/08, EU:T:2014:627, punt 257; 11 juli 2014, Sasol e.a./Commissie, T‑541/08, EU:T:2014:628, punt 438, en 11 juli 2014, Esso e.a./Commissie, T‑540/08, EU:T:2014:630, punt 133), zijn beoordeling in de plaats van die van de Commissie te stellen, opdat het bedrag van de geldboete passend zou zijn.
57 Hoewel verzoeksters in casu alleen tot herziening hebben geconcludeerd in het verzoekschrift en hebben aangegeven dat zij niet om nietigverklaring van het bestreden besluit verzochten, blijkt uit hun latere toelichtingen evenwel dat zij zich er niet tegen verzetten dat het Gerecht overeenkomstig de hierboven in de punten 53 tot en met 56 aangehaalde rechtspraak een nieuwe kwalificatie aan hun conclusies geeft.
58 Bijgevolg moet worden geoordeeld dat het onderhavige beroep conclusies omvat die strekken tot gedeeltelijke nietigverklaring van het bestreden besluit voor zover de Commissie het verzoek om vermindering van de hun bij punt 2, onder d), van het bestreden besluit opgelegde geldboete op grond van punt 37 van richtsnoeren voor de berekening van de geldboeten heeft afgewezen en conclusies die strekken tot herziening van dit besluit, in die zin dat het Gerecht dit verzoek zelf toewijst en de geldboete bijgevolg verlaagt.
B. Conclusies strekkende tot nietigverklaring
[omissis]
1. Eerste middel: schending van het beginsel van behoorlijk bestuur en niet-nakoming van de motiveringsplicht
[omissis]
a) Eerste onderdeel: niet-nakoming van de motiveringsplicht
[omissis]
1) Verplichting voor de Commissie om het niet in aanmerking nemen van de door verzoeksters gestelde bijzondere kenmerken te motiveren
77 Aangaande verzoeksters’ argument dat de Commissie de op haar rustende motiveringsplicht niet is nagekomen door in het bestreden besluit niet toe te lichten waarom zij na hun verzoek niet op grond van punt 37 van de richtsnoeren voor de berekening van de geldboeten is afgeweken van de algemene methode voor de berekening van de geldboete, moet erop worden gewezen dat de Commissie, zoals volgt uit de hierboven in de punten 65 en 75 aangehaalde rechtspraak, niet verplicht is om op alle feitelijke en juridische gegevens in te gaan die tijdens de administratieve procedure aan de orde zijn gekomen en evenmin op die welke zij niet in aanmerking heeft genomen voor de berekening van het bedrag van de opgelegde geldboete.
78 Bovendien moet erop worden gewezen dat de toepasselijke regelgeving erin voorziet dat de Commissie in twee omstandigheden uitzonderlijk van de algemene methode voor de berekening van het bedrag van de geldboete kan afwijken. Ten eerste kan de Commissie overeenkomstig punt 35 van de richtsnoeren voor de berekening van de geldboeten ten behoeve van de vaststelling van het bedrag van de geldboete rekening houden met het onvermogen van een onderneming om te betalen. In de onderhavige zaak moet er evenwel aan worden herinnerd dat de Commissie verzoeksters tijdens een informele bijeenkomst op 5 maart 2015 expliciet geeft verzocht te bevestigen dat zij hun onvermogen om de geldboete te betalen overeenkomstig punt 35 van de richtsnoeren voor de berekening van de geldboeten niet inriepen en dat verzoeksters hebben bevestigd dat zij niet om toepassing van die procedure verzochten. Ten tweede is er overeenkomstig punt 37 van de richtsnoeren voor de berekening van de geldboeten in voorzien dat de bijzondere kenmerken van een gegeven zaak of de noodzaak om in een specifieke zaak een bepaald afschrikkend niveau te bereiken, kunnen rechtvaardigen dat de Commissie van de in deze richtsnoeren omschreven methode afwijkt.
79 Overeenkomstig de rechtspraak moet evenwel worden geoordeeld dat de discretionaire bevoegdheid die de Commissie volgens de richtsnoeren voor de berekening van de geldboeten heeft, niet zo ver reikt dat zij van de plicht om het beroep op die uitzondering te motiveren is vrijgesteld. De Commissie moet de bijzondere kenmerken van de zaak of de noodzaak om een specifiek afschrikkend niveau te bereiken, als rechtvaardigingen voor het beroep op deze uitzondering, namelijk specificeren (zie in die zin arrest van 6 februari 2014, AC-Treuhand/Commissie, T‑27/10, EU:T:2014:59, punt 306).
80 Meer bepaald dringen deze motiveringseisen zich des te meer op wanneer de Commissie besluit om af te wijken van de in de richtsnoeren opgenomen algemene methodes, waarmee zij zichzelf heeft beperkt in de uitoefening van haar beoordelingsbevoegdheid met betrekking tot de vaststelling van geldboeten door zich te baseren op punt 37 van deze richtsnoeren. Deze richtsnoeren vormen volgens vaste rechtspraak een gedragsregel voor de te volgen praktijk waarvan de Commissie in een concreet geval niet mag afwijken zonder redenen te geven die verenigbaar zijn met met name het beginsel van gelijke behandeling. Deze motivering moet des te nauwkeuriger zijn aangezien punt 37 van de richtsnoeren voor de berekening van de geldboeten zich beperkt tot een vage verwijzing naar de „bijzondere kenmerken van een gegeven zaak” en bijgevolg een ruime beoordelingsmarge aan de Commissie laat om over te gaan tot een buitengewone aanpassing van de basisbedragen van de geldboeten van de betrokken ondernemingen. In een dergelijk geval is immers de naleving door de Commissie van de door de rechtsorde van de Unie in administratieve procedures geboden waarborgen, waaronder de motiveringsplicht, van des te groter fundamenteel belang (zie arrest van 13 december 2016, Printeos e.a./Commissie, T‑95/15, EU:T:2016:722, punt 48 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
81 In de onderhavige zaak was de Commissie evenwel van oordeel dat er geen bijzondere kenmerken als vervat in punt 37 van de richtsnoeren voor de berekening van de geldboeten waren en heeft zij er bijgevolg voor gekozen om de algemene methode voor de berekening van de aan verzoeksters opgelegde geldboete toe te passen. In die omstandigheden, en zoals volgt uit de hierboven in de punten 65 en 75 aangehaalde rechtspraak, was zij slechts verplicht om in het bestreden besluit een motivering ten aanzien van de toegepaste methode voor de berekening van de geldboete op te nemen en hoefde zij geen motivering op te nemen ten aanzien van de gegevens die zij niet in aanmerking heeft genomen voor die berekening, en meer bepaald de redenen waarom zij geen beroep op de uitzondering in punt 37 van de richtsnoeren voor de berekening van de geldboeten heeft gedaan. Zoals namelijk reeds in herinnering is gebracht (zie punt 77 hierboven), is de Commissie niet verplicht een standpunt te bepalen ten aanzien van alle argumenten die door de belanghebbenden voor haar worden ingeroepen. Zij kan volstaan met een uiteenzetting van de feiten en overwegingen rechtens die in het bestek van haar besluit van wezenlijk belang zijn.
82 Verzoeksters’ argumenten dat de Commissie de op haar rustende motiveringsplicht niet is nagekomen in het bestreden besluit door in dit besluit niet te motiveren waarom de uitzondering in punt 37 van richtsnoeren voor de berekening van de geldboeten niet is toegepast nadat zij daarom hadden verzocht, moeten bijgevolg worden verworpen. Het eerste onderdeel van het eerste middel moet dus worden afgewezen.
b) Tweede onderdeel: schending van het beginsel van behoorlijk bestuur
[omissis]
89 In casu blijkt uit het dossier dat het adviescomité bij twee gelegenheden is geraadpleegd, namelijk op 5 en 15 oktober 2015, voordat het bestreden besluit werd vastgesteld, en dat een hele reeks documenten betreffende de onderhavige zaak overeenkomstig artikel 14, lid 3, van verordening nr. 1/2003 aan de leden van dit comité is toegezonden. De Commissie stelt dat zich tussen die documenten onder meer een samenvatting van het dossier van de zaak, haar „letter of facts” van 3 juni 2015, de antwoorden van de beboete ondernemingen op die brief, waaronder verzoeksters’ antwoord van 26 juni 2015, het ontwerpbesluit de bijlagen daarbij, een overzichtstabel van de geldboeten met daarbij een gedetailleerd overzicht van de wijze waarop die waren berekend en de mededeling van punten van bezwaar en de antwoorden daarop bevonden.
90 In de eerste plaats moet erop worden gewezen dat het adviescomité in kennis is gesteld van de belangrijkste feitelijke en juridische gegevens over de procedure, met name de markt, de adressaten, de bezwaren, de duur van de inbreuk, de methode en de berekening van de geldboeten alsook de zienswijzen van de adressaten in antwoord op de door de Commissie aangevoerde bezwaren, zodat die documentatie kan worden beschouwd als de „belangrijkste” stukken in de zin van artikel 14, lid 3, van verordening nr. 1/2003.
91 In de tweede plaats moet worden vastgesteld dat artikel 14 van verordening nr. 1/2003 niet voorschrijft dat de verzoeken van de verzoekende partijen bij die documentatie moeten worden gevoegd. Volgens artikel 14, lid 3, van verordening nr. 1/2003 gaat de convocatie van het adviescomité namelijk vergezeld van „een samenvatting van de zaak, een opgave van de belangrijkste stukken en een voorontwerp van [besluit]”. De uitdrukking „opgave van de belangrijkste stukken” kan evenwel niet inhouden dat de Commissie het adviescomité alle met de betrokken ondernemingen uitgewisselde documentatie moet doen toekomen.
92 In de derde plaats moet worden opgemerkt dat de Commissie het adviescomité een „letter of facts” van 3 juni 2015 en verzoeksters’ antwoord op die brief van 26 juni 2015 heeft toegezonden. Bijgevolg moet erop worden gewezen dat verzoeksters de mogelijkheid hebben gehad om kennis te nemen van de belangrijkste feiten die de Commissie in aanmerking heeft genomen voor de berekening van de geldboeten en om hun opmerkingen ten aanzien van de door de Commissie uiteengezette feiten te maken. Bovendien zijn die opmerkingen aan het adviescomité toegezonden.
93 Daar waar verzoeksters voor het eerst op 26 februari 2015 om vermindering van de geldboete wegens „bijzondere kenmerken” die aan hen eigen zijn in de zin van punt 37 van richtsnoeren voor de berekening van de geldboeten hebben gedaan, dus op een datum die duidelijk vóór de door de Commissie aan verzoeksters toegezonden „letter of facts” ligt, kunnen zij de Commissie bijgevolg niet verwijten dat zij die gegevens niet aan het adviescomité heeft toegezonden. Verzoeksters hebben dus ondanks het feit dat de Commissie bedoelde gegevens niet in de „letter of facts” of in de opgave van de belangrijkste stukken heeft opgenomen, in hun opmerkingen van 26 juni 2015 kunnen wijzen op het belang van die inlichtingen voor de berekening van de geldboete.
94 Aangezien de gegevens die verzoeksters in hun tweede verzoek van 14 september 2015 hebben aangedragen, voorts geen substantiële wijzigingen bevatten ten opzichte van het eerste verzoek, maar een actualisering van de reeds uiteengezette feiten waren, was de Commissie, die verzoeksters niet opnieuw hoefde te horen alvorens het bestreden besluit vast te stellen, evenmin verplicht om het adviescomité opnieuw te raadplegen (zie in die zin arrest van 15 oktober 2002, Limburgse Vinyl Maatschappij e.a./Commissie, C‑238/99 P, C‑244/99 P, C‑245/99 P, C‑247/99 P, C‑250/99 P–C‑252/99 P en C‑254/99 P, EU:C:2002:582, punt 118). Niettemin moet erop worden gewezen dat de Commissie verzoeksters op 18 september 2015 opnieuw informeel heeft ontmoet, bij welke gelegenheid zij de mogelijkheid hebben gehad om zich over de nieuwe feiten uit te laten, en dat het adviescomité daarna op 15 oktober 2015 opnieuw is geraadpleegd. Volgens de Commissie waren die feiten niet van doorslaggevende betekenis voor de berekening van de aan verzoeksters opgelegde geldboete. Dat was de reden waarin zij die niet ter kennis van het adviescomité heeft gebracht.
95 Uit een en ander volgt dat de Commissie het beginsel van behoorlijk bestuur niet heeft geschonden omdat zij het adviescomité niet heeft geraadpleegd over de door verzoeksters uiteengezette bijzondere kenmerken. De Commissie heeft de administratieve procedure immers zorgvuldig gevoerd, aangezien zij ten eerste verzoeksters heeft gehoord en hun opmerkingen heeft onderzocht voordat het adviescomité een advies over het voorontwerp van besluit uitbracht en zij ten tweede dit comité overeenkomstig artikel 14, lid 3, van verordening nr. 1/2003 de belangrijkste feiten voor de berekening van de geldboete heeft doen toekomen.
96 Voor verzoeksters’ argumenten inzake de raadpleging van het college van commissarissen gelden analoge overwegingen aan die in de punten 89 tot en met 95 hierboven. Dienaangaande blijkt uit het bestreden besluit dat de belangrijkste elementen uit het ontwerpbesluit, namelijk dat ontwerp en de bijlagen daarbij, het advies van het adviescomité en het eindverslag van de raadsadviseur-auditeur, ter definitieve goedkeuring aan het college van commissarissen zijn voorgelegd.
[omissis]
HET GERECHT (Vijfde kamer),
rechtdoende, verklaart:
1) Het beroep wordt verworpen.
2) Hitachi-LG Data Storage, Inc. en Hitachi-LG Data Storage Korea, Inc. zullen hun eigen kosten en die van de Europese Commissie dragen.
Gratsias
Labucka
Ulloa Rubio
Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 12 juli 2019.
ondertekeningen
* Procestaal: Engels.
1 Enkel de punten van dit arrest waarvan het Gerecht publicatie nuttig acht, worden weergegeven.
Full & Egal Universal Law Academy