ARREST VAN HET GERECHT (Vijfde kamer)
6 april 2017 ( *1 )
„Uniemerk — Oppositieprocedure — Internationale inschrijving met aanduiding van de Europese Unie — Beeldmerk NANA FINK — Ouder Uniewoordmerk NANA — Geen soortgelijke waren — Artikel 8, lid 1, onder b), van verordening (EG) nr. 207/2009 — Omvang van het door de kamer van beroep te verrichten onderzoek — Verplichting om op het volledige beroep te beslissen”
In zaak T‑39/16,
Nanu-Nana Joachim Hoepp GmbH & Co. KG, gevestigd te Bremen (Duitsland), vertegenwoordigd door T. Boddien, advocaat,
verzoekster,
tegen
Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO), vertegenwoordigd door A. Schifko als gemachtigde,
verweerder,
andere partij in de procedure voor de kamer van beroep van het EUIPO
Nadine Fink, wonende te Bazel (Zwitserland),
betreffende een beroep tegen de beslissing van de eerste kamer van beroep van het EUIPO van 12 november 2015 (zaak R 679/2014‑1), inzake een oppositieprocedure tussen Nanu-Nana Joachim Hoepp en Fink,
wijst
HET GERECHT (Vijfde kamer),
samengesteld als volgt: D. Gratsias, president, A. Dittrich en P. G. Xuereb (rapporteur), rechters,
griffier: E. Coulon,
gezien het op 25 januari 2016 ter griffie van het Gerecht neergelegde verzoekschrift,
gezien de op 25 april 2016 ter griffie van het Gerecht neergelegde memorie van antwoord,
gezien de schriftelijke vragen van het Gerecht aan partijen en de op 30 november 2016 ter griffie van het Gerecht ingediende antwoorden op deze vragen,
gelet op het feit dat de partijen geen verzoek tot vaststelling van een terechtzitting hebben ingediend binnen de termijn van drie weken nadat de sluiting van de schriftelijke behandeling is betekend en na te hebben besloten op grond van artikel 106, lid 3, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht uitspraak te doen zonder mondelinge behandeling,
het navolgende
Arrest
Voorgeschiedenis van het geding
1
Op 29 maart 2012 heeft de onderneming die de rechtsvoorgangster van Nadine Fink was, bij het Internationale Bureau van de Wereldorganisatie voor de Intellectuele Eigendom (WIPO) een internationale inschrijving met nummer 1111651 verkregen, waarin de Europese Unie wordt aangewezen, voor het volgende beeldmerk:
2
De waren waarvoor deze internationale merkinschrijving is verkregen, behoren tot de klassen 14, 18 en 26 in de zin van de Overeenkomst van Nice van 15 juni 1957 betreffende de internationale classificatie van de waren en diensten ten behoeve van de inschrijving van merken, zoals herzien en gewijzigd. Zij zijn voor elk van deze klassen omschreven als volgt:
—
klasse 14: „Edele metalen en hun legeringen en producten hieruit vervaardigd of hiermee bedekt (voor zover begrepen in deze klasse); juwelierswaren, bijouterieën, edelstenen; uurwerken en tijdmeetinstrumenten; sleutelhangers (fantasieartikelen); kistjes voor uurwerken; versieringen en decoraties voor ritssluitingen in edele metalen”;
—
klasse 18: „Leder en kunstleder en hieruit vervaardigde producten voor zover niet begrepen in andere klassen; dierenhuiden; reiskoffers en koffers; paraplu’s, schoudertassen, portefeuilles”;
—
klasse 26: „Riemsluitingen; versieringen en decoraties voor ritssluitingen in edele metalen”.
3
Deze internationale inschrijving is meegedeeld aan het Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO) overeenkomstig verordening (EG) nr. 207/2009 van de Raad van 26 februari 2009 inzake het Uniemerk (PB 2009, L 78, blz. 1). Zij is op 13 april 2012 gepubliceerd in het Blad van gemeenschapsmerken nr. 71/2012. Op 24 augustus 2012 is deze internationale inschrijving overgedragen aan Fink.
4
Op 9 januari 2013 heeft verzoekster, Nanu-Nana Joachim Hoepp GmbH & Co. KG, op grond van de artikelen 41 en 156 van verordening nr. 207/2009 oppositie ingesteld tegen de internationale inschrijving, voor zover daarin de Unie werd aangeduid, en dit voor alle in punt 2 supra vermelde waren.
5
De oppositie was gebaseerd op het oudere Uniewoordmerk NANA, dat op 19 april 2011 onder nummer 6218945 werd ingeschreven voor onder meer waren die tot de klassen 14, 18 en 26 behoren en die voor elk van deze klassen zijn omschreven als volgt:
—
klasse 14: „Uurwerken en allerhande tijdmeetinstrumenten; fantasiebijouterieën; versieringen voor sleutelhangers; juwelen; decoratieve waren in edele metalen”;
—
klasse 18: „Lederwaren en kunstleder en hieruit vervaardigde producten voor zover begrepen in klasse 18; allerhande tassen (begrepen in klasse 18); portefeuilles, zakken; allerhande valiezen (begrepen in klasse 18); paraplu’s, parasols, wandelstokken; reisbenodigdheden en onderdelen daarvan (begrepen in klasse 18)”;
—
klasse 26: „Kunstbloemen”.
6
Ter ondersteuning van de oppositie werd de weigeringsgrond van artikel 8, lid 1, onder b), van verordening nr. 207/2009 aangevoerd.
7
Bij beslissing van 21 januari 2014 heeft de oppositieafdeling de oppositie gedeeltelijk toegewezen. Op grond dat het geen soortgelijke waren betrof, is de oppositie afgewezen voor de hiernavolgende waren:
—
klasse 14: „Versieringen en decoraties voor ritssluitingen in edele metalen; edele metalen en hun legeringen”;
—
klasse 18: „Lederwaren en kunstleder en hieruit vervaardigde producten voor zover niet begrepen in andere klassen; dierenhuiden”;
—
klasse 26: „Riemsluitingen; versieringen en decoraties voor ritssluitingen in edele metalen”.
8
De oppositieafdeling heeft de oppositie wegens het bestaan van verwarringsgevaar toegewezen voor de andere waren waarop de betrokken internationale inschrijving betrekking had.
9
Op 7 maart 2014 heeft verzoekster krachtens de artikelen 58 tot en met 64 van verordening nr. 207/2009 bij het EUIPO beroep ingesteld tegen de beslissing van de oppositieafdeling.
10
Bij beslissing van 12 november 2015 (hierna: „bestreden beslissing”) heeft de eerste kamer van beroep van het EUIPO het beroep verworpen. Zij heeft met name geoordeeld dat de oppositieafdeling de oppositie had afgewezen voor de hiernavolgende waren:
—
klasse 14: „Versieringen en decoraties voor ritssluitingen in edele metalen”;
—
klasse 18: „Lederwaren en kunstleder en hieruit vervaardigde producten voor zover niet begrepen in andere klassen; dierenhuiden”;
—
klasse 26: „Riemsluitingen; versieringen en decoraties voor ritssluitingen in edele metalen”.
11
De kamer van beroep heeft geoordeeld dat die waren en de door het oudere merk aangeduide waren geen soortgelijke waren betroffen. Zij heeft in dit verband met name erop gewezen dat het bij deze waren deels ging om onderdelen en deels om grondstoffen of half afgewerkte producten – die in de eerste plaats voor de vervaardiging van andere waren dienen en dus gericht zijn op een zeer aandachtig gespecialiseerd publiek – terwijl het bij de door het oudere merk aangeduide waren ging om afgewerkte producten die bestemd zijn voor de redelijk aandachtige eindverbruiker. De kamer van beroep is tot de slotsom gekomen dat, aangezien deze waren niet soortgelijk zijn, er geen sprake was van gevaar voor verwarring tussen de conflicterende merken.
Conclusies van partijen
12
Verzoekster verzoekt het Gerecht:
—
de bestreden beslissing te vernietigen;
—
het EUIPO te verwijzen in de kosten.
13
Het EUIPO verzoekt het Gerecht:
—
het beroep te verwerpen;
—
verzoekster te verwijzen in de kosten.
In rechte
Ontvankelijkheid van bepaalde door verzoekster aangevoerde argumenten
14
Het EUIPO stelt dat verzoekster haar betoog betreffende de soortgelijkheid van de waren die tot de klassen 14, 18 en 26 behoren, grotendeels baseert op producten zoals „riemen” of „kleren” – dan wel op „meubels”, „beddengoed”, of „kunstenaarsmateriaal” – welke waren in feite tot andere klassen behoren dan die waarvoor het oudere merk is ingeschreven en die niet aan de orde waren in de administratieve procedure voor het EUIPO. Bijgevolg moeten de door verzoekster met betrekking tot deze andere waren verstrekte toelichtingen als niet-ontvankelijk worden beschouwd.
15
Bovendien betoogt het EUIPO dat verzoekster voor het eerst voor het Gerecht nieuwe argumenten heeft aangevoerd. Het EUIPO verwijst dienaangaande allereerst naar verzoeksters bewering dat „leder” en „dierenhuiden” niet enkel dienen als grondstoffen die tot een afgewerkt product dienen te worden verwerkt, maar dat deze waren ook als zodanig rechtstreeks op de markt worden gebracht, onder meer als siervoorwerpen. Vervolgens is het EUIPO van mening dat verzoeksters betoog betreffende het feit dat het oudere merk waarvan zij houdster is, eveneens voor „kunstleder” als zodanig is ingeschreven, eveneens nieuw is. Ten slotte is volgens het EUIPO het argument van verzoekster betreffende de door de kamers van beroep in eerdere beslissingen gehanteerde benadering, waarbij deze enerzijds „leder” en „dierenhuiden” – als halffabricaten – en anderzijds op basis van deze grondstoffen vervaardigde afgewerkte producten als soortgelijke waren hebben beschouwd, ook een nieuw argument. Aangezien deze argumenten voor het eerst voor het Gerecht zijn aangevoerd, moeten zij niet-ontvankelijk worden verklaard.
16
Herinnerd moet worden aan de vaste rechtspraak volgens welke het krachtens artikel 65, lid 2, van verordening nr. 207/2009 voor het Gerecht ingestelde beroep gericht is op de toetsing van de wettigheid van de beslissingen van de kamers van beroep. Volgens artikel 76 van deze verordening moet deze toetsing gebeuren met inachtneming van het feitelijke en het juridische kader van het geschil zoals dat voor de kamer van beroep is gebracht [zie in die zin arrest van 1 februari 2005, SPAG/BHIM – Dann en Backer (HOOLIGAN), T‑57/03, EU:T:2005:29, punt 17en aldaar aangehaalde rechtspraak].
17
Bovendien kunnen volgens artikel 188 van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht de memories van de partijen die in het kader van de procedure voor het Gerecht worden neergelegd, geen wijziging brengen in het voorwerp van het geschil voor de kamer van beroep.
18
De argumenten van het EUIPO betreffende de niet-ontvankelijkheid van bepaalde argumenten van verzoekster moeten op basis van die beginselen worden onderzocht.
19
Aangaande de niet-ontvankelijkheid van verzoeksters argument betreffende de vergelijking van de betrokken waren met de andere waren dan die welke in de administratieve procedure voor het EUIPO aan de orde waren, moet erop worden gewezen dat verzoekster in het oppositieformulier, in de rubriek „waren en diensten waarop de oppositie is gebaseerd”, niet het vakje „alle waren en diensten van de inschrijving/van de aanvraag” heeft aangevinkt, maar wel het vakje „de hiernavolgende waren en diensten”, en dat zij in deze rubriek „alle waren en diensten van de klassen 14, 18 en 26” heeft geschreven. Verzoekster heeft de oppositie dus enkel gebaseerd op de tot de klassen 14, 18 en 26 behorende waren waarop het oudere merk betrekking had. Bijgevolg maakten verzoeksters argumenten betreffende de soortgelijkheid met de andere waren geen deel uit van het voorwerp van het beroep voor de kamer van beroep, en dienen deze argumenten niet-ontvankelijk te worden verklaard.
20
Daarentegen moet verzoeksters argument dat „leder” en „dierenhuiden” niet enkel als grondstof maar ook als afgewerkt product worden verkocht, ontvankelijk worden verklaard.
21
In de punten 32 tot en met 35 van de bestreden beslissing heeft de kamer van beroep zich in wezen immers gebaseerd op algemeen bekende feiten, dat wil zeggen feiten die voor eenieder kenbaar zijn of die kenbaar zijn via algemeen toegankelijke bronnen, waar zij heeft verklaard dat „lederwaren en kunstleder voor zover niet begrepen in andere klassen; dierenhuiden” halffabricaten zijn die gericht zijn op een ander publiek dan het publiek waarvoor de door het oudere merk aangeduide afgewerkte producten bestemd zijn.
22
Uit de rechtspraak volgt dat een partij tegen wie het EUIPO algemeen bekende feiten aanvoert, de juistheid daarvan voor het Gerecht kan betwisten (arrest van 22 juni 2006, Storck/BHIM, C‑25/05 P, EU:C:2006:422, punt 52; beschikking van 3 juni 2009, Zipcar/BHIM, C‑394/08 P, niet gepubliceerd, EU:C:2009:334, punt 43, en arrest van 10 november 2011, LG Electronics/BHIM, C‑88/11 P, niet gepubliceerd, EU:C:2011:727, punt 28).
23
Voorts moet worden geoordeeld dat verzoeksters argument betreffende de beslissingspraktijk van het EUIPO eveneens ontvankelijk is, aangezien een partij volgens de rechtspraak daarnaar mag verwijzen, zelfs indien dit voor het eerst voor het Gerecht gebeurt en zelfs indien deze praktijk dateert van ná de beëindiging van de procedure voor het EUIPO [zie in deze zin arrest van 24 november 2005, Sadas/BHIM – LTJ Diffusion (ARTHUR ET FELICIE), T‑346/04, EU:T:2005:420, punt 20].
24
Ten slotte moet verzoeksters argument betreffende het feit dat het oudere merk waarvan zij houdster is, ook voor „kunstleder” als zodanig is ingeschreven, ontvankelijk worden verklaard en ten gronde worden onderzocht.
25
Dit argument van verzoekster betreft in wezen de uitlegging van de lijst van waren waarop het oudere merk betrekking heeft. In dit verband moet worden opgemerkt dat de vraag of de bewoordingen van klasse 18 met betrekking tot het oudere merk aldus moeten worden opgevat dat daartoe ook „lederwaren”, „kunstleder” als zodanig en „uit leder vervaardigde producten” behoren, dan wel of de tekst daarvan aldus moet worden gelezen dat deze enkel betrekking heeft op „lederwaren” en „uit leder vervaardigde producten”, een vraag betreft die tot het feitelijke en juridische kader voor de kamer van beroep behoorde.
26
Teneinde te kunnen nagaan of de betrokken waren dezelfde of soortgelijke waren betreffen, moeten de instanties van het EUIPO altijd bepalen op welke waren de conflicterende merken betrekking hebben en in die context dienen zij in voorkomend geval over te gaan tot uitlegging van de lijst van waren waarvoor het merk is ingeschreven. Een argument betreffende de uitlegging van de lijst van waren waarop het oudere merk betrekking heeft, kan dus niet worden geacht buiten het kader van het geding te treden zoals dit voor de kamer van beroep is gebracht. Kwesties die moeten worden beslecht om het geschil te kunnen afdoen, behoren immers tot het feitelijke en het juridische kader voor de kamer van beroep (zie in die zin arrest van 1 februari 2005, HOOLIGAN, T‑57/03, EU:T:2005:29, punt 25).
Onjuiste identificatie van de waren waarop het beroep betrekking had en ontbreken van een beslissing met betrekking tot bepaalde waren
27
Benadrukt moet worden dat verzoekster in de motivering van haar beroep bij de kamer van beroep heeft aangegeven dat de oppositieafdeling de oppositie had afgewezen voor de „versieringen en decoraties voor ritssluitingen in edele metalen” van klasse 14, de „dierenhuiden” van klasse 18, en de „riemsluitingen en versieringen en decoraties voor ritssluitingen in edele metalen” van klasse 26.
28
Geconstateerd moet worden dat in deze opsomming geen sprake is van de „edele metalen en hun legeringen” en van het „leder en kunstleder”, waarvoor de oppositie eveneens was afgewezen.
29
Hoewel de kamer van beroep de waren „leder en kunstleder” heeft onderzocht, was dat niet geval voor „edele metalen en hun legeringen”, aangezien zij heeft geoordeeld dat de oppositieafdeling de oppositie met betrekking tot deze laatste waren had afgewezen.
30
In dit verband moet erop worden gewezen dat uit het beschikkende gedeelte van de beslissing van de oppositieafdeling blijkt dat deze laatste de oppositie weliswaar heeft toegewezen voor „waren in edele metalen en hun legeringen”, maar dat zij de oppositie heeft afgewezen met betrekking tot „edele metalen en hun legeringen”, waarvoor zij heeft geoordeeld dat deze niet soortgelijk waren met de door het oudere merk beschermde waren. Op bladzijde 6 van de beslissing van de oppositieafdeling heeft deze laatste aangegeven dat zij de oppositie afwees voor alle waren die geen soortgelijkheid vertoonden met de door het oudere merk aangeduide waren, daaronder begrepen de „edele metalen en hun legeringen”.
31
Voor zover de kamer van beroep heeft geoordeeld dat de oppositieafdeling de oppositie uitsluitend had afgewezen voor de waren die werden opgesomd in punt 1 van de bestreden beslissing – waarin met betrekking tot de tot klasse 14 behorende waren waarop de betrokken internationale inschrijving ziet, enkel melding werd gemaakt van „versieringen en decoraties voor ritssluitingen in edele metalen”, zonder dat naar de „edele metalen en hun legeringen” werd verwezen, zijn partijen bij maatregel tot organisatie van de procesgang krachtens artikel 89 van het Reglement voor de procesvoering verzocht om zich uit te spreken over enerzijds de omvang van het voorwerp van het geschil bij de kamer van beroep en anderzijds over de impact die het verzuim van de kamer van beroep om een standpunt in te nemen over de tot klasse 14 behorende „edele metalen en hun legeringen”, wat de betrokken internationale inschrijving betreft, mogelijkerwijs heeft gehad op de uitkomst van het onderhavige geding.
32
Ter beantwoording van de gestelde vragen heeft verzoekster enerzijds gepreciseerd dat het door haar bij de kamer van beroep ingestelde beroep betrekking had op de beslissing van de oppositieafdeling in haar geheel, voor zover de oppositie daarbij was afgewezen. Het bij de kamer van beroep ingediende verzoekschrift diende derhalve aldus te worden opgevat dat daarmee ook werd opgekomen tegen de afwijzing van de oppositie voor „leder en kunstleder” en „edele metalen en hun legeringen”.
33
Volgens verzoekster dient de fout die de kamer van beroep heeft gemaakt doordat zij zich niet over de „edele metalen en hun legeringen” heeft uitgesproken, te leiden tot de vernietiging van de bestreden beslissing.
34
Anderzijds heeft het EUIPO verklaard dat de omvang van het voorwerp van het geschil niet duidelijk bleek uit de door verzoekster bij de kamer van beroep ingediende vordering. Niettemin heeft het EUIPO te kennen gegeven dat de kamer van beroep die vordering aldus had moeten opvatten dat deze betrekking had op alle waren waarvoor de oppositieafdeling de oppositie had afgewezen, dus ook op „leder en kunstleder” en „edele metalen en hun legeringen”.
35
Volgens het EUIPO heeft de fout die verband houdt met het feit dat de kamer van beroep zich niet over de „edele metalen en hun legeringen” heeft uitgesproken, geen invloed gehad op de uitkomst van de onderhavige zaak, temeer daar verzoekster zelf die waren niet heeft vermeld, noch in haar beroep bij de kamer van beroep, noch in haar verzoekschrift bij het Gerecht.
36
Gelet op het voorgaande moet worden geoordeeld dat het door verzoekster bij de kamer van beroep ingestelde beroep betrekking had op de beslissing van de oppositieafdeling in haar geheel, voor zover de oppositie daarbij was afgewezen. Dit kan duidelijk worden afgeleid uit zowel het formulier van het EUIPO betreffende de omvang van het beroep als de conclusies die verzoekster heeft geformuleerd in de schriftelijke uiteenzetting van de gronden van het beroep. Om te beginnen heeft verzoekster in dat formulier immers het vakje aangekruist waarmee te kennen werd gegeven dat de beslissing werd aangevochten in haar geheel, en voorts heeft verzoekster in haar schriftelijke uiteenzetting geconcludeerd tot, ten eerste, toewijzing van de oppositie voor alle betrokken waren en, ten tweede, de volledige weigering in de Unie van de door de betrokken internationale inschrijving verleende bescherming. Zowel verzoekster als het EUIPO hebben in hun antwoorden op de gestelde vragen overigens bevestigd dat het door verzoekster bij de kamer van beroep ingestelde beroep aldus diende te worden begrepen dat het werd ingesteld tegen de beslissing van de oppositieafdeling in haar geheel, voor zover de oppositie daarbij was afgewezen.
37
Bijgevolg moet worden geconcludeerd dat de kamer van beroep heeft verzuimd het bij haar ingestelde beroep af te doen voor zover dit betrekking had op de afwijzing van de oppositie betreffende de tot klasse 14 behorende „edele metalen en hun legeringen”, wat de betrokken internationale inschrijving betreft. Daardoor is de kamer van beroep het op haar krachtens artikel 64, lid 1, eerste volzin, van verordening nr. 207/2009 rustende verplichting om over het bij haar ingestelde beroep te beslissen, niet nagekomen. Deze verplichting dient aldus te worden begrepen, dat de kamer van beroep dient te beslissen over elke bij haar ingestelde vordering in haar geheel, door toewijzing, niet-ontvankelijkverklaring of afwijzing ervan. Onderstreept moet worden dat de niet-naleving van deze verplichting invloed kan hebben op de inhoud van de beslissing van de kamer van beroep, zodat het hier gaat om een wezenlijk vormvoorschrift waarvan schending ambtshalve kan worden opgeworpen door het Gerecht [arrest van 10 juni 2008, Gabel Industria Tessile/BHIM – Creaciones Garel (GABEL), T‑85/07, EU:T:2008:186, punt 20].
38
Anders dan het EUIPO in zijn antwoorden op de schriftelijke vragen van het Gerecht aanvoert, mag niet ervan worden uitgegaan dat de kamer van beroep, door het beroep in zijn geheel te verwerpen, uit hoofde van de functionele continuïteit het standpunt van de oppositieafdeling heeft bevestigd wat de „edele metalen en hun legeringen” betreft. Uit de bestreden beslissing blijkt immers dat de kamer van beroep niet heeft opgemerkt dat deze waren deel uitmaakten van het voorwerp van het bij haar ingestelde beroep. Het is dus uitgesloten dat wordt aangenomen dat de kamer van beroep de overwegingen van de oppositieafdeling betreffende de „edele metalen en hun legeringen” heeft willen overnemen.
39
Opgemerkt zij overigens dat het Gerecht niet kan overgaan tot een beoordeling waarover de kamer van beroep geen standpunt heeft ingenomen (zie in die zin arrest van 5 juli 2011, Edwin/BHIM, C‑263/09 P, EU:C:2011:452, punt 72). Dat is in casu het geval, aangezien vaststaat dat de kamer van beroep zich geenszins heeft uitgesproken over de „edele metalen en hun legeringen”. Bijgevolg moet de bestreden beslissing worden vernietigd voor zover de kamer van beroep heeft nagelaten te beslissen over de tot de klasse 14 behorende „edele metalen en hun legeringen”, wat de betrokken internationale inschrijving betreft.
Door het oudere merk beschermde waren
40
In het kader van haar analyse van het verband dat bestaat tussen de door de conflicterende merken aangeduide waren die tot klasse 18 behoren, stelt verzoekster dat het oudere merk waarvan zij houdster is, was ingeschreven voor „lederwaren” en „kunstleder” als zodanig, alsook voor „uit kunstleder vervaardigde producten”. Haar betoog is gebaseerd op de Duitse taalversie van de lijst van waren. De aanvraag tot inschrijving van het oudere merk is in die taal ingediend en luidt als volgt: „Waren aus Leder und Lederimitationen sowie Waren daraus (soweit in Klasse 18 enthalten)” [waren in leder en kunstleder en daaruit vervaardigde waren (voor zover begrepen in klasse 18)].
41
Het EUIPO betwist dit betoog van verzoekster. Het benadrukt allereerst dat de bewoordingen van de lijst van waren van klasse 18 die door het oudere merk worden aangeduid, verschillen van de bewoordingen van de Overeenkomst van Nice, die luiden als volgt: „Leder en kunstleder en hieruit vervaardigde producten voor zover niet begrepen in andere klassen […]”. Verder voert het EUIPO aan dat de omvang van de door deze klasse verleende bescherming onnauwkeurig is en dient te worden uitgelegd, en hoe dan ook niet voldoet aan de criteria van duidelijkheid en precisie zoals deze door het Hof zijn neergelegd in het arrest van 19 juni 2012, Chartered Institute of Patent Attorneys (C‑307/10, EU:C:2012:361).
42
Vastgesteld moet worden dat volgens artikel 120, lid 3, van verordening nr. 207/2009 – dat bepaalt dat „[i]n geval van twijfel […] de tekst in de taal van het [EUIPO] waarin het gemeenschapsmerk aangevraagd is, rechtskracht [heeft]” –, de omvang van de bescherming zoals die door de voornoemde Duitse taalversie wordt verleend, in casu moet prevaleren [zie in die zin arrest van 21 maart 2013, Event/BHIM – CBT Comunicación Multimedia (eventer EVENT MANAGEMENT SYSTEMS), T‑353/11, niet gepubliceerd, EU:T:2013:147, punten 14‑16].
43
Bovendien zij eraan herinnerd dat regel 2, lid 2, van verordening (EG) nr. 2868/95 van de Commissie van 13 december 1995 tot uitvoering van verordening (EG) nr. 40/94 van de Raad inzake het gemeenschapsmerk (PB 1995, L 303, blz. 1), zoals deze bepaling op het tijdstip van de feiten van toepassing was, preciseert dat de opgave van waren en diensten zodanig wordt geformuleerd dat daaruit duidelijk de aard van die waren en diensten blijkt.
44
Hieruit volgt dat degene die om inschrijving van een teken als Uniemerk verzoekt, in zijn aanvraag de opgave van waren of diensten waarvoor de aanvraag wordt ingediend, dient te vermelden en voor elk van deze waren of diensten een beschrijving dient te geven waaruit duidelijk de aard ervan blijkt [arrest van 23 november 2011, Pukka Luggage/BHIM – Azpiroz Arruti (PUKKA), T‑483/10, niet gepubliceerd, EU:T:2011:692, punt 37].
45
Dit vereiste van duidelijkheid is overigens bevestigd in het arrest van 19 juni 2012, Chartered Institute of Patent Attorneys (C‑307/10, EU:C:2012:361), waarnaar het EUIPO verwijst in zijn opmerkingen. In die zaak heeft het Hof voor recht verklaard dat de waren of diensten waarvoor een Uniemerk wordt aangevraagd, door de aanvrager voldoende duidelijk en nauwkeurig moeten worden omschreven opdat de bevoegde autoriteiten en de marktdeelnemers louter op basis daarvan de omvang van de merkbescherming kunnen bepalen (arrest van 19 juni 2012, Chartered Institute of Patent Attorneys, C‑307/10, EU:C:2012:361, punt 64).
46
In casu kan de voormelde Duitse formulering op twee verschillende wijzen worden begrepen. Zij kan enerzijds worden verstaan op de wijze die door verzoekster wordt gesuggereerd, zoals in punt 40 supra is aangegeven. Bij deze opvatting wordt ervan uitgegaan dat, aangezien het woord „waren” zowel aan het begin als aan het einde van de omschrijving van de tot de betrokken klasse 18 behorende waren wordt gebruikt, bij het eerste gebruik van dat woord enkel naar het bestanddeel „leder” wordt verwezen, terwijl de bewoordingen „sowie Waren daraus (soweit in Klasse 18 enthalten)” [en daaruit vervaardigde waren (voor zover begrepen in klasse 18)] het bestanddeel „kunstleder” betreffen. Hieruit volgt dat het „kunstleder” bij die benadering ook onder die formulering valt. Deze bewoordingen kunnen anderzijds ook worden verstaan op de wijze die door het EUIPO wordt gesuggereerd, namelijk dat zij enkel betrekking hebben op „waren van leder en kunstleder” als afgewerkte producten.
47
Vastgesteld moet worden dat de benadering die door verzoekster wordt gevolgd met betrekking tot de bewoordingen van de lijst van de tot klasse 18 behorende waren die door het oudere merk worden aangeduid, dubbelzinnig van aard is doordat daarbij de twee voormelde verschillende opvattingen worden toegestaan, en deze benadering dus niet voldoet aan het vereiste van duidelijkheid dat voortvloeit uit regel 2, lid 2, van verordening nr. 2868/95 alsook uit de rechtspraak. Onderstreept moet worden dat verzoekster deze dubbelzinnigheid zelf creëert, doordat zij de woorden „Waren aus” (waren van) toevoegt vóór de algemene omschrijving van klasse 18. Volgens de in de punten 44 en 45 supra in herinnering gebrachte rechtspraak staat het echter aan verzoekster om de bewoordingen van de lijst van de tot klasse 18 behorende waren die door het oudere merk worden aangeduid, te verduidelijken. Indien het verzoeksters bedoeling was om bescherming aan te vragen voor „kunstleder”, had zij voor de lijst van waren met name een formulering moeten kiezen waaruit dit voornemen duidelijk bleek.
48
Geoordeeld moet worden dat de merkhouder geen profijt mag trekken uit het feit dat hij zijn verplichting om de lijst van waren klaar en duidelijk aan te geven, niet is nagekomen. De gebruikte bewoordingen kunnen hoe dan ook niet aldus worden opgevat dat daartoe – ten behoeve van verzoekster – ook „kunstleder” als zodanig behoort.
49
Bijgevolg moet verzoeksters argument dat het oudere merk ook bescherming biedt aan „kunstleder”, worden afgewezen.
Enkele middel: schending van artikel 8, lid 1, onder b), van verordening nr. 207/2009
50
Verzoekster voert in wezen één enkel middel aan, namelijk schending van artikel 8, lid 1, onder b), van verordening nr. 207/2009.
51
Zij baseert haar beroep op een samenstel van grieven die verband houden met de beoordeling die de kamer van beroep in de bestreden beslissing heeft verricht met betrekking tot het ontbreken van gevaar voor verwarring tussen de conflicterende merken. Meer bepaald stelt verzoekster dat de kamer van beroep ten onrechte heeft geoordeeld dat de door de betrokken internationale inschrijving aangeduide waren en de door het oudere merk aangeduide waren niet soortgelijk zijn. Zij stelt derhalve dat de kamer van beroep ten onrechte tot de slotsom is gekomen dat geen sprake was van verwarringsgevaar.
52
Het EUIPO betwist verzoeksters argumenten.
53
Vooraf moet erop worden gewezen dat artikel 151, lid 1, van verordening nr. 207/2009 bepaalt dat een internationale inschrijving waarin de Europese Unie wordt aangewezen, vanaf de datum van de inschrijving overeenkomstig artikel 3, lid 4, van het Protocol bij de Schikking van Madrid betreffende de internationale inschrijving van merken, aangenomen te Madrid op 27 juni 1989 (PB 2003, L 296, blz. 22), dezelfde rechtsgevolgen heeft als een aanvraag om een Uniemerk. Volgens artikel 156, lid 1, van verordening nr. 207/2009 kan tegen internationale inschrijvingen waarin de Europese Unie wordt aangewezen, op dezelfde wijze oppositie worden ingesteld als tegen gepubliceerde aanvragen om een Uniemerk.
54
Artikel 8, lid 1, onder b), van verordening nr. 207/2009 bepaalt dat na oppositie door de houder van een ouder merk inschrijving van het aangevraagde merk wordt geweigerd wanneer het gelijk is aan of overeenstemt met het oudere merk en betrekking heeft op dezelfde of soortgelijke waren of diensten, indien daardoor verwarring bij het publiek kan ontstaan op het grondgebied waarop het oudere merk wordt beschermd. Verwarring omvat het gevaar van associatie met het oudere merk.
55
Volgens vaste rechtspraak is er sprake van verwarringsgevaar wanneer het publiek kan menen dat de betrokken waren of diensten van dezelfde onderneming of, in voorkomend geval, van economisch verbonden ondernemingen afkomstig zijn. Volgens deze rechtspraak dient het verwarringsgevaar globaal te worden beoordeeld met inachtneming van de wijze waarop het relevante publiek de betrokken tekens en waren of diensten opvat, en van alle relevante omstandigheden van het concrete geval, in het bijzonder de onderlinge samenhang tussen de overeenstemming van de tekens en de soortgelijkheid van de waren of diensten waarop zij betrekking hebben [zie arresten van 29 september 1998, Canon, C‑39/97, EU:C:1998:442, punten 16, 17 en 29 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 9 juli 2003, Laboratorios RTB/BHIM – Giorgio Beverly Hills (GIORGIO BEVERLY HILLS), T‑162/01, EU:T:2003:199, punten 30‑33 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
56
Voor de toepassing van artikel 8, lid 1, onder b), van verordening nr. 207/2009 is slechts sprake van gevaar voor verwarring indien de conflicterende merken gelijk zijn of overeenstemmen en de waren of diensten waarop zij betrekking hebben, dezelfde of soortgelijk zijn. Het gaat daarbij om twee cumulatieve voorwaarden [zie arrest van 8 maart 2013, Mayer Naman/BHIM – Daniel e Mayer (David Mayer), T‑498/10, niet gepubliceerd, EU:T:2013:117, punt 47en aldaar aangehaalde rechtspraak].
57
Het is tegen de achtergrond van deze beginselen dat moet worden onderzocht of de kamer van beroep terecht heeft geoordeeld dat met betrekking tot de betrokken waren geen gevaar voor verwarring tussen de conflicterende merken bestond.
Relevant publiek
58
Volgens de rechtspraak dient in het kader van de globale beoordeling van het verwarringsgevaar te worden uitgegaan van de normaal geïnformeerde en redelijk omzichtige en oplettende gemiddelde consument van de betrokken warencategorie. Ook dient er rekening mee te worden gehouden, dat het aandachtniveau van de gemiddelde consument kan variëren naargelang van de soort waren of diensten waarom het gaat [zie arrest van 13 februari 2007, Mundipharma/BHIM – Altana Pharma (RESPICUR), T‑256/04, EU:T:2007:46, punt 42en aldaar aangehaalde rechtspraak].
59
Aangezien het oudere merk een Uniemerk is, moet in casu ervan worden uitgegaan dat het voor de beoordeling van het verwarringsgevaar relevante grondgebied dat van de Unie is, zoals de kamer van beroep op goede gronden heeft geconstateerd en hetgeen overigens door verzoekster niet is betwist.
60
Verzoekster betwist evenwel de vaststelling van de kamer van beroep volgens welke de relevante groep consumenten op basis waarvan het verwarringsgevaar dient te worden beoordeeld, een bijzonder aandachtig gespecialiseerd publiek betreft.
61
Aangezien het door verzoekster dienaangaande geformuleerde betoog grotendeels samenvalt met bepaalde aspecten die onder de analyse van de vergelijking van de betrokken waren vallen, moeten deze argumenten worden getoetst bij het onderzoek van de vraag of die waren al dan niet soortgelijke waren zijn.
62
Bijgevolg moet het onderzoek van het beroep worden voortgezet wat de vergelijking van de waren betreft.
Vergelijking van de waren
– Waren van de klassen 14 en 26
63
In de bestreden beslissing heeft de kamer van beroep geconstateerd dat de twee betrokken groepen van tot de klassen 14 en 26 behorende waren, zoals deze door de internationale inschrijving in kwestie respectievelijk het oudere merk worden aangeduid, verschilden wat de aard, de bestemming en het gebruik ervan betreft. Zij heeft geconcludeerd dat deze waren niet soortgelijk zijn, aangezien riemsluitingen, versieringen en decoraties voor ritssluitingen in edele metalen onderdelen betreffen die voornamelijk worden gebruikt voor de vervaardiging en de versiering van ritssluitingen of riemen, en die dus halffabricaten zijn, terwijl de door het oudere merk aangeduide waren van de klassen 14 en 26 afgewerkte producten zijn die deels ertoe strekken het juiste uur aan te geven en tijden te meten („uurwerken” en „tijdmeetinstrumenten”), en deels als juwelen of sieraden dienen.
64
Bovendien heeft de kamer van beroep erop gewezen dat de betrokken waren niet complementair zijn, aangezien de betwiste onderdelen noch onmisbaar noch van beduidend belang zijn voor het gebruik van de tot de klassen 14 en 26 behorende afgewerkte producten waarop het oudere merk betrekking heeft. Deze waren worden overigens niet verkocht via dezelfde distributiekanalen. Zij vervullen een geheel verschillende functie en zij zijn niet concurrerend. Aangezien die waren niet tot hetzelfde publiek zijn gericht, zijn zij evenmin onderling verwisselbaar. De kamer van beroep heeft dan ook geconcludeerd dat de betrokken waren van de klassen 14 en 26 niet soortgelijk waren.
65
Voorts heeft de kamer van beroep geoordeeld dat de afgewerkte producten, met name de door het oudere merk aangeduide „tassen” van klasse 18, zowel naar hun inhoud als naar hun bestemming verschilden van de onderdelen van de klassen 14 en 26 waarop de betrokken internationale inschrijving ziet. Gesteld al dat de onderdelen van ritssluitingen en riemsluitingen noodzakelijk zijn voor het gebruik van de afgewerkte producten van klasse 18 waarop het oudere merk betrekking heeft, voor zover deze laatste producten ritssluitingen dan wel riemen of draagbanden bevatten, zal de relevante consument evenwel niet ervan uitgaan dat deze waren door dezelfde producenten worden aangeboden.
66
Verzoekster betwist de beoordeling van de kamer van beroep om verschillende redenen. Zij stelt allereerst dat deze laatste eraan voorbijgegaan is dat de betrokken waren ook afzonderlijk kunnen worden gebruikt, als product op zich dat ook tot de eindconsument is gericht. In dit verband verwijst verzoekster inzonderheid naar de grote verschillen die bestaan tussen de artikelen die worden omschreven als „decoraties voor ritssluitingen” – zoals hangers, kettingen, ringen – die op ritssluitingen kunnen worden aangebracht ter versiering van het afgewerkte product, zoals tassen of kleren. Evenzo worden „riemsluitingen” verkocht als afzonderlijk product, waarmee de eindconsument bijvoorbeeld lange stoffen kan vastmaken, zoals draperieën, gordijnen of over het lichaam te dragen kleren, dan wel lichaamsvormen kan beklemtonen. Bovendien stelt verzoekster dat de betrokken waren worden gedistribueerd door dezelfde producenten, worden gekocht door hetzelfde publiek, en worden aangeboden op dezelfde verkooppunten. Bijgevolg zal het betrokken publiek ervan uitgaan dat deze waren rechtstreeks verband met elkaar houden en elkaar aanvullen. Dit complementaire karakter berust overigens op het feit dat zij hetzelfde – esthetische – doel dienen, namelijk als decoratie van het afgewerkte product.
67
Het EUIPO betwist verzoeksters argumenten.
68
Om te beginnen moet in herinnering worden geroepen dat volgens vaste rechtspraak bij de beoordeling van de soortgelijkheid van de betrokken waren of diensten rekening moet worden gehouden met alle relevante factoren die de verhouding tussen deze waren of diensten kenmerken. Dat zijn onder meer hun aard, bestemming en gebruik, maar ook het concurrerende dan wel complementaire karakter ervan. Er kan ook rekening worden gehouden met andere factoren, zoals de distributiekanalen van de betrokken waren [zie in die zin arrest van 11 juli 2007, El Corte Inglés/BHIM – Bolaños Sabri (PiraÑAM diseño original Juan Bolaños), T‑443/05, EU:T:2007:219, punt 37en aldaar aangehaalde rechtspraak].
69
Wat in de eerste plaats verzoeksters argument betreft dat de waren die tot de klassen 14 en 26 behoren, te weten de „decoraties voor ritssluitingen in edele metalen” en de „riemsluitingen”, ook als afzonderlijk product rechtstreeks aan de eindconsument kunnen worden verkocht, moet worden vastgesteld dat, zelfs indien dit het geval kan zijn, die omstandigheid niet afdoet aan het feit dat die waren meestal worden verkocht aan ondernemers die ze tot afgewerkte producten verwerken, meer bepaald producenten van riemen en ritssluitingen.
70
Deze conclusie wordt niet ontkracht door verzoeksters argumenten. In dit verband moet inzonderheid worden benadrukt dat het argument waarmee verzoekster aanvoert dat de consument met „riemsluitingen” lange stoffen kan vastmaken, zoals draperieën, gordijnen of over het lichaam te dragen kleren, niet kan worden aanvaard. „Riemsluitingen” zijn naar hun aard en hun bestemming als zodanig immers producten die dienen als sluiting van riemen, en geen waren die worden gebruikt voor de door verzoekster vermelde doeleinden.
71
Verzoekster verklaart voorts dat de betrokken waren worden gedistribueerd door dezelfde producenten of door onderling verbonden producenten en dat zij worden aangeboden op dezelfde verkooppunten, en aldaar bovendien in dezelfde rekken. Dit betreft evenwel een loutere verklaring, zonder dat daarmee worden aangegeven welk type onderneming volgens haar zowel de betrokken waren als de door het oudere merk aangeduide waren produceert, en op welke verkoopplaatsen die waren te koop worden aangeboden.
72
In de tweede plaats moet het argument worden afgewezen dat verzoekster ontleent aan het complementaire karakter van de betrokken waren, welk argument is gebaseerd op het feit dat deze waren hetzelfde – esthetische – doel dienen, namelijk ter versiering van het afgewerkte product.
73
Dienaangaande moet in de eerste plaats erop worden gewezen dat waren of diensten volgens de rechtspraak complementair zijn wanneer zij dermate onderling verbonden zijn dat de ene onontbeerlijk of belangrijk is voor het gebruik van de andere, zodat de consument kan denken dat de verantwoordelijkheid voor de vervaardiging van deze waren of het verrichten van deze diensten in handen is van een en dezelfde onderneming [arrest van 30 april 2015, Tecalan/BHIM – Ensinger (TECALAN), T‑100/14, niet gepubliceerd, EU:T:2015:251, punt 40; zie in die zin ook arrest van 22 januari 2009, Commercy/BHIM – easyGroup IP Licensing (easyHotel), T‑316/07, EU:T:2009:14, punten 57 en 58 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
74
Bovendien is er volgens de rechtspraak slechts sprake van een esthetische complementariteit wanneer het stadium van een echte esthetische „noodzaak” is bereikt, in die zin dat de ene waar onontbeerlijk of belangrijk is voor het gebruik van de andere en dat de consument het gebruikelijk en normaal vindt om deze waren samen te gebruiken [arrest van 11 juli 2007, Mülhens/BHIM – Minoronzoni (TOSCA BLU), T‑150/04, EU:T:2007:214, punt 36; zie in die zin ook arrest van 1 maart 2005, Sergio Rossi/BHIM – Sissi Rossi (SISSI ROSSI), T‑169/03, EU:T:2005:72, punten 60 en 62].
75
In casu moet worden vastgesteld dat de betrokken waren, namelijk enerzijds de tot de klassen 14 en 26 behorende „riemsluitingen” en „versieringen en decoraties voor ritssluitingen in edele metalen” waarop de aan de orde zijnde internationale inschrijving betrekking heeft, en anderzijds de tot diezelfde klassen behorende waren zoals deze door het oudere merk worden beschermd, te weten uurwerken en juwelierswaren of siervoorwerpen zoals versieringen voor sleutelhangers en decoraties in edele metalen alsook kunstbloemen, verschillend van aard zijn, en dus noch onontbeerlijk noch minstens belangrijk zijn voor het respectieve gebruik ervan.
76
Aangaande verzoeksters argument betreffende de complementariteit die volgens haar bestaat tussen de „decoraties voor ritssluitingen in edele metalen” enerzijds en de door het oudere merk aangedrongen aangeduide „tassen” van klasse 18 anderzijds, dient erop te worden gewezen dat de „decoraties voor ritssluitingen in edele metalen” niet belangrijk of onontbeerlijk zijn om een tas te gebruiken. Zelfs een tas met een ritssluiting kan immers worden gebruikt zonder toevoeging van een versiering op deze sluiting. Indien deze kwestie daarnaast wordt benaderd vanuit het oogpunt van het belang – of zelfs het onontbeerlijke karakter – van „tassen” voor het gebruik van „versieringen en decoraties voor ritssluitingen”, moet worden opgemerkt dat het stellig juist is dat een versiering voor ritssluitingen enkel kan worden gebruikt in combinatie met een product waarvoor een ritssluiting vereist is. Vastgesteld moet echter worden dat tassen niet de enige waren vormen waarop een dergelijke sluiting kan worden aangebracht. Een ritssluitingdecoratie kan bijvoorbeeld ook worden gebruikt voor een kledingstuk met een ritssluiting. Verder moet in dit verband worden vastgesteld dat er ook tassen bestaan zonder ritssluiting. De band waarvan sprake is tussen „decoraties voor ritssluitingen in edele metalen en hun legeringen” en „tassen” is dus niet zeer nauw. Dienaangaande moet worden benadrukt dat het voor de vaststelling dat waren soortgelijk zijn omdat zij complementair zijn, het niet volstaat dat het ene product onontbeerlijk dan wel belangrijk is voor het gebruik van het andere, maar dat deze omstandigheid tevens ertoe moet leiden dat de consument kan denken dat de verantwoordelijkheid voor de vervaardiging van deze waren in handen is van een en dezelfde onderneming (zie punt 74 supra). Met andere woorden, nagegaan moet worden of „tassen” dermate belangrijk zijn voor het gebruik van „decoraties voor ritssluitingen in edele metalen” dat het publiek kan menen dat de verantwoordelijkheid voor de vervaardiging van deze waren in handen is van dezelfde onderneming [zie in die zin arrest van 14 mei 2013, Sanco/BHIM – Marsalman (Weergave van een kip), T‑249/11, EU:T:2013:238, punt 39]. Geoordeeld moet worden dat de tussen „decoraties voor ritssluitingen in edele metalen” en „tassen” bestaande band niet voldoende nauw is opdat de consument kan denken dat de verantwoordelijkheid voor de vervaardiging van deze waren in handen is van dezelfde onderneming. Het publiek gaat niet ervan uit dat een producent van tassen ook versieringen voor ritssluitingen te koop aanbiedt.
77
Bovendien moet worden beklemtoond dat, zoals de kamer van beroep punt 26 van de bestreden beslissing heeft gepreciseerd, het feit dat alle litigieuze waren voor decoratieve doeleinden kunnen dienen, niet volstaat om daaruit te kunnen afleiden dat het om soortgelijke waren gaat. Deze omstandigheid vormt immers een veel te algemene factor om enkel op basis daarvan tot de slotsom te kunnen komen dat de betrokken waren complementair – en dus soortgelijk – zijn.
78
Uit het voorgaande volgt dat verzoeksters betoog betreffende de vermeende complementariteit van de betrokken waren moet worden verworpen.
79
Met betrekking tot de andere factoren die volgens de in punt 68 supra aangehaalde rechtspraak relevant zijn, moet enerzijds in herinnering worden gebracht dat verzoekster zelf heeft erkend dat de betrokken waren niet in een concurrentieverhouding tot elkaar staan. Anderzijds moet worden geoordeeld dat de betrokken waren, gelet op hun verschillen, evenmin onderling substitueerbaar zijn.
80
Gelet op de voorgaande overwegingen moet worden vastgesteld dat de kamer van beroep geen blijk heeft gegeven van een onjuiste opvatting waar zij heeft geoordeeld dat de betrokken waren niet soortgelijk zijn.
– Waren van klasse 18
81
In de bestreden beslissing heeft de kamer van beroep in wezen geoordeeld dat het „leder”, het „kunstleder” en de „dierenhuiden” van klasse 18 waarop de internationale inschrijving ziet, grondstoffen en half afgewerkte producten zijn die verder dienen te worden bewerkt en verwerkt, en die bijgevolg tot de producenten van lederwaren – en dus tot een gespecialiseerd publiek – gericht zijn. Zij heeft geoordeeld dat deze waren wezenlijk verschillen van de door het oudere merk aangeduide waren, die afgewerkte producten zijn die tot de eindconsument gericht zijn. Volgens de kamer van beroep is het feit dat de betrokken halffabricaten noodzakelijk zijn voor de productie van een aantal afgewerkte producten die door het oudere merk worden gedekt, zoals tassen en koffers van allerlei aard, portefeuilles of zakken, ontoereikend om te kunnen vaststellen dat de betrokken waren soortgelijk zijn, aangezien deze afgewerkte producten ook met andere materialen kunnen worden vervaardigd. Het publiek gaat dus niet ervan uit dat de waren worden aangeboden door dezelfde producenten. De kamer van beroep heeft daaruit afgeleid dat de betrokken waren van klasse 18 niet soortgelijk zijn.
82
Verzoekster betwist deze vaststelling van de kamer van beroep om verschillende redenen. Om te beginnen geeft zij aan dat de verschillende kamers van beroep van het EUIPO in eerdere beslissingen reeds hebben erkend dat sprake kan zijn van soortgelijkheid van enerzijds leder, kunstleder en dierenhuiden als halffabricaten en anderzijds de afgewerkte producten die met deze materialen worden vervaardigd. Zij stelt tevens dat leder, kunstleder en dierenhuiden evenmin uitsluitend als halffabricaten of grondstoffen worden verhandeld, maar ook rechtstreeks aan de eindconsument kunnen worden verkocht. In dit verband verwijst verzoekster naar het gebruik van deze waren als siervoorwerpen, zoals vloertapijten of wanddecoraties. Bovendien worden „dierenhuiden” ook gebruikt als bescherming van matrassen en zittingen. In dat geval worden de litigieuze waren niet verwerkt in andere waren, maar gebruikt als afzonderlijke waren op zich. Volgens verzoekster zijn de betrokken waren dan ook soortgelijk.
83
Het EUIPO betwist de argumenten van verzoekster.
84
Wat in de eerste plaats verzoeksters argument betreft aangaande de eerdere beslissingspraktijk van de kamers van beroep, die zouden hebben geoordeeld dat leder en dierenhuiden als halffabricaten enerzijds, en met deze materialen vervaardigde waren anderzijds, soortgelijke waren zijn, moet erop worden gewezen dat uit vaste rechtspraak volgt dat de beslissingen die de kamers van beroep krachtens verordening nr. 207/2009 ter zake van de inschrijving van een teken als Uniemerk dienen te nemen, op een gebonden en niet op een discretionaire bevoegdheid berusten. De rechtmatigheid van deze beslissingen moet dus alleen op basis van deze verordening worden beoordeeld en niet op basis van een eerdere beslissingspraktijk van die kamers van beroep [arresten van 26 april 2007, Alcon/BHIM, C‑412/05 P, EU:C:2007:252, punt 65, en 24 november 2005, Sadas/BHIM – LTJ Diffusion (ARTHUR ET FELICIE), T‑346/04, EU:T:2005:420, punt 71]. Bovendien moet worden onderstreept dat het Gerecht hoe dan ook reeds heeft geoordeeld dat „leder en kunstleder” en uit deze materialen vervaardigde waren, zoals tassen, valiezen, paraplu’s, parasols en wandelstokken die in die zaak door het oudere merk werden beschermd, niet soortgelijk waren [zie in die zin arrest van 25 november 2010, Vidieffe/BHIM – Ellis International Group (GOTHA), T‑169/09, niet gepubliceerd, EU:T:2010:484, punten 7 en 29].
85
Wat in de tweede plaats verzoeksters argument betreft dat leder, kunstleder en dierenhuiden niet uitsluitend als grondstoffen of halffabricaten worden verhandeld maar ook als afzonderlijke producten rechtstreeks aan de consument kunnen worden verkocht, moet worden geoordeeld dat, gesteld al dat dit het geval kan zijn, dit niet wegneemt dat deze omstandigheid niet afdoet aan het feit dat die waren voornamelijk tot een professioneel publiek gericht zijn [zie in die zin arrest van 9 november 2016, Birkenstock Sales/EUIPO (Weergave van een patroon van elkaar kruisende golvende lijnen), T‑579/14, in hogere voorziening, EU:T:2016:650, punt 32].
86
Voorts moet worden vastgesteld dat „leder en kunstleder; dierenhuiden” andere eigenschappen hebben en een ander doel dienen dan de waren waarop het oudere merk betrekking heeft. Terwijl de in de betrokken internationale inschrijving vermelde waren in hoofdzaak als grondstof dienen voor de producenten van waren in leder, kunstleder en dierenhuiden, dienen de door het oudere merk aangeduide waren voor het bedekken en kleden van lichaamsdelen van de mens, voor het vervoer van voorwerpen en ter bescherming tegen regen en zonneschijn. Dienaangaande zij overigens aangetekend dat de rechter van de Unie heeft erkend dat een gedeelte van de door het oudere merk aangeduide waren – zoals „paraplu’s” en „parasols” – boven op hun voornaamste functie ook kunnen worden geacht tot de modesector in ruime zin te behoren, aangezien zij door de consument kunnen worden gebruikt om te zorgen voor een zekere uitstraling (zie in die zin arrest van 9 november 2016, Weergave van een patroon van elkaar kruisende golvende lijnen, T‑579/14, in hogere voorziening, EU:T:2016:650, punt 118en aldaar aangehaalde rechtspraak).
87
Wegens hun verschillende aard worden de betrokken waren in de regel vervaardigd door verschillende producenten en op de markt gebracht via verschillende distributiekanalen. Deze waren zijn evenmin concurrerend.
88
Wat de eventuele complementariteit van „leder en kunstleder; dierenhuiden” met bepaalde door het oudere merk aangeduide waren van klasse 18 betreft, moet eraan worden herinnerd dat volgens de rechtspraak waren complementair zijn wanneer zij dermate onderling verbonden zijn dat de ene waar onontbeerlijk of belangrijk is voor het gebruik van de andere, zodat de consument kan denken dat de productie van deze waren in handen is van een en dezelfde onderneming (zie in die zin arrest van 11 juli 2007, PiraÑAM diseño original Juan Bolaños,T‑443/05, EU:T:2007:219, punt 48en aldaar aangehaalde rechtspraak). In casu moet echter worden geconstateerd dat verzoekster niet heeft uiteengezet waarom de betrokken waren onontbeerlijk of minstens belangrijk zijn voor het respectieve gebruik ervan.
89
Verzoekster kan niet stellen dat de door het oudere merk aangeduide waren en „leder en kunstleder; dierenhuiden” complementaire waren zijn omdat de eerste waren worden vervaardigd met de tweede. In dit verband moet worden geoordeeld dat de kamer van beroep in de punten 34 tot en met 36 van de bestreden beslissing op goede gronden heeft geconstateerd dat de vaststelling dat de waren van klasse 18 die onder de aan de orde zijnde internationale inschrijving vallen, noodzakelijk zijn voor de vervaardiging van een aantal tot klasse 18 behorende waren waarop het oudere merk betrekking heeft – zoals tassen en valiezen van allerlei aard –, niet volstaat om daaruit te kunnen afleiden dat de betrokken waren soortgelijk zijn, aangezien deze waren ook met andere materialen kunnen worden vervaardigd en het publiek dus niet ervan uitgaat dat die waren worden aangeboden door dezelfde producenten.
90
Uit het voorgaande volgt dat de kamer van beroep geen beoordelingsfout heeft gemaakt door te oordelen dat de betrokken waren van klasse 18 niet soortgelijk zijn.
91
Aangezien in casu dus niet is voldaan aan een van de cumulatieve voorwaarden die moeten zijn vervuld om te kunnen vaststellen dat sprake is van verwarringsgevaar, dienen verzoeksters argumenten betreffende de overeenstemming van de tekens geen doel.
92
Gelet op alle voorgaande overwegingen moet worden vastgesteld dat de kamer van beroep op goede gronden heeft geoordeeld dat geen gevaar voor verwarring van de conflicterende merken bestond wat de betrokken waren betreft.
93
Hieruit volgt dat de bestreden beslissing moet worden vernietigd voor zover de kamer van beroep het bij haar ingestelde beroep niet heeft afgedaan wat de „edele metalen en hun legeringen” van klasse 14 betreft waarop de betrokken internationale inschrijving ziet. Voor het overige dient het beroep te worden verworpen.
Kosten
94
Volgens artikel 134, lid 3, van het Reglement voor de procesvoering dragen de partijen hun eigen kosten, indien zij onderscheidenlijk op een of meer punten in het ongelijk worden gesteld.
95
Derhalve moet worden beslist dat elke partij haar eigen kosten zal dragen.
HET GERECHT (Vijfde kamer),
rechtdoende, verklaart:
1)
De beslissing van de eerste kamer van beroep van het Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO) van 12 november 2015 (zaak R 679/2014‑1), betreffende een oppositieprocedure tussen Nanu-Nana Joachim Hoepp GmbH & Co. KG en Nadine Fink, wordt vernietigd voor zover de kamer van beroep het bij haar ingestelde beroep niet heeft afgedaan met betrekking tot de „edele metalen en hun legeringen” die behoren tot klasse 14 in de zin van de Overeenkomst van Nice van 15 juni 1957 betreffende de internationale classificatie van de waren en diensten ten behoeve van de inschrijving van merken, zoals herzien en gewijzigd, en welke waren worden aangeduid door het beeldmerk waarop de internationale inschrijving nr. 1111651 met aanduiding van de Europese Unie betrekking heeft.
2)
Het beroep wordt verworpen voor het overige.
3)
Elke partij zal haar eigen kosten dragen.
Gratsias
Dittrich
Xuereb
Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 6 april 2017.
ondertekeningen
( *1 ) Procestaal: Duits.