ARREST VAN HET GERECHT (Zevende kamer)
23 februari 2018 ( *1 )
„Kweekproducten – Aanvraag voor een communautair kwekersrecht voor het plantenras Gala Schnico – Technisch onderzoek – Motiveringsplicht – Artikel 75, eerste zin, van verordening (EG) nr. 2100/94 – Homogeniteit – Artikel 8 van verordening nr. 2100/94 – Aanvullend onderzoek – Artikel 57, lid 3, van verordening nr. 2100/94 – Gelijke behandeling – Ambtshalve onderzoek van de feiten door het CPVO – Artikel 76 van verordening nr. 2100/94”
In zaak T‑445/16,
Schniga GmbH, gevestigd te Bozen (Italië), vertegenwoordigd door G. Würtenberger en R. Kunze, advocaten,
verzoekster,
tegen
Communautair Bureau voor plantenrassen (CPVO), vertegenwoordigd door M. Ekvad, F. Mattina en U. Braun-Mlodecka als gemachtigden, bijgestaan door A. von Mühlendahl en H. Hartwig, advocaten,
verweerder,
betreffende een beroep tegen de beslissing van de kamer van beroep van het CPVO van 22 april 2016 (zaak A 005/2014) inzake een aanvraag voor een communautair kwekersrecht voor het plantenras Gala Schnico,
wijst
HET GERECHT (Zevende kamer),
samengesteld als volgt: V. Tomljenović, president, E. Bieliūnas en A. Kornezov (rapporteur), rechters,
griffier: J. Weychert, administrateur,
gezien het op 5 augustus 2016 ter griffie van het Gerecht neergelegde verzoekschrift,
gezien de op 3 november 2016 ter griffie van het Gerecht neergelegde memorie van antwoord,
gezien de schriftelijke vragen van het Gerecht aan het CPVO en de op 24 mei 2017 ter griffie van het Gerecht ingediende antwoorden op deze vragen,
na de terechtzitting op 14 juni 2017,
het navolgende
Arrest ( 1 )
[omissis]
Conclusies van partijen
21
Verzoekster verzoekt het Gerecht:
–
de bestreden beslissing nietig te verklaren;
–
het CPVO te verwijzen in de kosten.
22
Het CPVO verzoekt het Gerecht:
–
het beroep te verwerpen;
–
verzoekster te verwijzen in de kosten.
In rechte
[omissis]
Eerste middel: aanwijzing van de locatie voor het technisch onderzoek en oorzaak van de geconstateerde heterogeniteit
[omissis]
Eerste onderdeel: aanwijzing van de locatie voor het technisch onderzoek
42
Om te beginnen moet worden opgemerkt dat uit aankondiging nr. 2/2004 van 15 februari 2004, die in het Mededelingenblad van het Communautair Bureau voor plantenrassen is bekendgemaakt, blijkt dat het CPVO heeft besloten uitsluitend de GEVES te belasten met het technisch onderzoek van mutaties van appelrassen van de Malus domestica Borkh.-soort, die net als het kandidaat-ras tot de Gala-mutatiegroep behoren.
[omissis]
48
In ieder geval zij erop gewezen dat overeenkomstig artikel 55, lid 1, van verordening nr. 2100/94 en artikel 13, lid 1, van verordening (EG) nr. 874/2009 van de Commissie van 17 september 2009 houdende uitvoeringsbepalingen van verordening nr. 2100/94 wat betreft de procedures voor het CPVO (PB 2009, L 251, blz. 3) de raad van bestuur van het CPVO een of meer bevoegde instanties van een lidstaat kan belasten met het technisch onderzoek van de rassen van de betrokken soort. Met betrekking tot de mutaties van rassen van de Malus domestica Borkh.-soort, die net als het kandidaat-ras tot de Gala-groep behoren, is het technisch onderzoek uitsluitend aan de GEVES opgedragen, zoals in punt 42 hierboven is uiteengezet.
49
In de eerste plaats moet in dit verband worden vastgesteld dat de klimaatomstandigheden die normaal heersen op de onderzoekslocatie van de GEVES naar behoren in aanmerking zijn genomen bij de aanwijzing ervan als de onderzoekslocatie voor de betrokken mutatiegroepen, waaronder de Gala-mutatiegroep. In reactie op een maatregel tot organisatie van de procesgang die ten aanzien van het CPVO is genomen, heeft het CPVO immers verscheidene interne documenten overgelegd die dateren van vóór de vaststelling van aankondiging nr. 2/2004 en waaruit blijkt dat volgens deskundigen op het gebied van fruitgewassen die door het CPVO zijn geraadpleegd, de typische klimaatomstandigheden op de locatie van de GEVES pleitten voor concentratie van de voor Gala-mutanten uit te voeren technische onderzoeken op die locatie.
50
Verzoekster voert geen specifieke argumenten aan die deze beoordeling ter discussie kunnen stellen. Bijgevolg moeten de argumenten van verzoekster dat de GEVES als locatie voor het technisch onderzoek van het kandidaat-ras niet geschikt zou zijn vanwege de klimaatomstandigheden die daar heersen, hoe dan ook worden afgewezen.
51
In de tweede plaats stelt verzoekster niet, zoals zij ter terechtzitting heeft bevestigd, dat de klimaatomstandigheden op de locatie van de GEVES tijdens de onderzoeksperiode voor het kandidaat-ras abnormaal waren.
52
In de derde plaats is de eenduidige en voorafgaande aanwijzing van het onderzoeksbureau dat verantwoordelijk is voor het technisch onderzoek van alle soorten of rassen die tot dezelfde mutatiegroep behoren, zoals die welke voortvloeit uit aankondiging nr. 2/2004, in overeenstemming met de algemene opzet van het bij verordening nr. 2100/94 ingestelde communautaire kwekersrecht en met de beginselen van gelijke behandeling, rechtszekerheid en transparantie die aan die verordening ten grondslag liggen.
53
Deze algemene opzet en beginselen vereisen immers dat alle kandidaat-rassen die tot dezelfde plantenmutatiegroep van een bepaalde soort behoren, onder dezelfde voorwaarden worden beoordeeld.
54
Daartoe wordt in aankondiging nr. 2/2004 de aandacht van aanvragers van het communautaire kwekersrecht gevestigd op het feit dat „alleen het [CPVO] bepaalt waar het kandidaat-ras wordt beoordeeld” en dat „[a]fspraken die rechtstreeks en zonder de toestemming van het [CPVO] met een onderzoeksbureau worden gemaakt, […] dan ook latere onderzoeksresultaten in gevaar [zullen] brengen”.
[omissis]
Tweede onderdeel: oorzaak van het gebrek aan homogeniteit
[omissis]
63
Onder deze omstandigheden en rekening houdend met de ruime beoordelingsmarge waarover het CPVO beschikt met betrekking tot de wetenschappelijk en technisch ingewikkelde vraag of het kandidaat-ras ten tijde van het technisch onderzoek voldoende homogeen was in de uitingsvorm van zijn eigenschappen (arresten van 15 april 2010, Schräder/CPVO, C‑38/09 P, EU:C:2010:196, punt 77, en 19 december 2012, Brookfield New Zealand en Elaris/CPVO en Schniga, C‑534/10 P, EU:C:2012:813, punt 50), kon de kamer van beroep op goede gronden tot de conclusie komen dat er een gebrek aan homogeniteit was gelet op de aanzienlijke verschillen die in de uitingsvorm van eigenschap 39 gedurende de twee opeenvolgende onderzoeksjaren zijn geconstateerd, aangezien het technisch onderzoek in overeenstemming met het CPVO-protocol TP/14/2 was uitgevoerd – hetgeen overigens niet wordt betwist – en er geen aanwijzingen waren dat de uitingsvorm van deze eigenschap was belemmerd door de milieuomstandigheden waaronder het technisch onderzoek was uitgevoerd. Evenmin heeft de kamer van beroep een kennelijke beoordelingsfout gemaakt door te oordelen dat het CPVO in dergelijke gevallen niet verplicht was alle mogelijke verklaringen te zoeken voor het geconstateerde gebrek aan homogeniteit.
[omissis]
Tweede middel: schending van artikel 57, lid 3, van verordening nr. 2100/94 en van het beginsel van gelijke behandeling
[omissis]
Eerste onderdeel: schending van artikel 57, lid 3, van verordening nr. 2100/94
[omissis]
83
Ten slotte kan, indien wordt aangenomen dat verzoeksters argumenten aldus moeten worden uitgelegd dat zij stelt dat de homogeniteitsproblemen te wijten zijn aan de kwaliteit van het onderzochte entmateriaal en dat deze problemen op natuurlijke wijze hadden kunnen afnemen in de loop van de tijd, zodat een extra waarnemingsjaar gerechtvaardigd was, ermee worden volstaan vast te stellen dat het verstrekken van geschikt entmateriaal de uitsluitende verantwoordelijkheid van de aanvrager van een communautair kwekersrecht is.
[omissis]
HET GERECHT (Zevende kamer),
rechtdoende, verklaart:
1)
Het beroep wordt verworpen.
2)
Schniga GmbH wordt verwezen in de kosten.
Tomljenović
Bieliūnas
Kornezov
Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 23 februari 2018.
ondertekeningen
( *1 ) Procestaal: Duits.
( 1 ) Enkel de punten van dit arrest waarvan het Gerecht publicatie nuttig acht, worden weergegeven.