ARREST VAN HET GERECHT (Achtste kamer)
28 april 2017 ( *1 )
„Openbare dienst — Ambtenaren — Tijdelijk functionarissen — Beloning — Gezinstoelagen — Schooltoelage — Weigering om schoolkosten te vergoeden — Artikel 3, lid 1, van bijlage VII bij het Statuut — Gewettigd vertrouwen — Gelijke behandeling — Beginsel van behoorlijk bestuur”
In zaak T‑580/16,
Irit Azoulay, tijdelijk functionaris van het Europees Parlement, wonende te Brussel (België),
Andrew Boreham, tijdelijk functionaris van het Europees Parlement, wonende te Wansin-Hannut (België),
Mirja Bouchard, ambtenaar van het Europees Parlement, wonende te Villers-la-Ville (België),
Darren Neville, ambtenaar van het Europees Parlement, wonende te Ohain (België),
vertegenwoordigd door M. Casado García-Hirschfeld, advocaat,
verzoekers,
tegen
Europees Parlement, vertegenwoordigd door E. Taneva en L. Deneys als gemachtigden,
verweerder,
betreffende een verzoek krachtens artikel 270 VWEU en strekkende tot nietigverklaring van de individuele besluiten van het Parlement van 24 april 2015 houdende weigering om schooltoelagen voor het jaar 2014/2015 toe te kennen en, voor zover nodig, van de individuele besluiten van het Parlement van 17 en 19 november 2015 houdende gedeeltelijke afwijzing van verzoekers’ klachten van 20 juli 2015,
wijst
HET GERECHT (Achtste kamer),
samengesteld als volgt: A. M. Collins, president, R. Barents (rapporteur) en J. Passer, rechters,
griffier: M. Marescaux, administrateur,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 14 december 2016,
het navolgende
Arrest
Voorgeschiedenis van het geding
1
De eerste verzoekster, Irit Azoulay, heeft een kind dat sinds september 2014 is ingeschreven aan het Athénée Ganenou te Brussel (België). De drie andere verzoekers, Andrew Boreham, Mirja Bouchard en Darren Neville, hebben kinderen die zijn ingeschreven aan de École internationale Le Verseau te Bierges (België). De verzoekers wier kinderen reeds vóór 2014 aan die scholen waren ingeschreven, hebben tot het schooljaar 2014/2015 vergoeding van de schoolkosten van die kinderen gekregen, binnen de grenzen van het maandelijkse maximumbedrag.
2
De École internationale Le Verseau is een niet-confessionele school die deel uitmaakt van de Fédération des établissements libres subventionnés indépendants (FELSI) en wordt gesubsidieerd door de Franse Gemeenschap. De lessen worden vanaf het kleuteronderwijs gegeven in het Frans en het Engels door leerkrachten wier moedertaal dat is. De school wordt echter niet volledig met die subsidie gefinancierd. Zij beschikt over eigen middelen, die haar met name worden verstrekt door de vereniging zonder winstoogmerk Les Amis du Verseau.
3
Het Athénée Ganenou is een confessionele school die wordt gesubsidieerd door de Franse Gemeenschap, waarvan zij het officiële en volledige onderwijsprogramma toepast, aangevuld met een aantal uren per week om de Hebreeuwse taal te onderwijzen, de geschiedenis van het joodse geloof, de Bijbel en het Engels, vanaf het basisonderwijs. Deze school wordt niet volledig met die subsidie gefinancierd. Zij beschikt over eigen middelen, die haar met name worden verstrekt door de vereniging zonder winstoogmerk Les Amis de Ganenou.
4
In oktober en november 2014 hebben verzoekers verzoeken ingediend om vergoeding van de schoolkosten die zij voor hun ten laste komende kinderen hadden gedragen. Die verzoeken gingen vergezeld van bewijselementen verstrekt door de betrokken scholen, die identiek waren aan die welke zij bij hun eerdere verzoeken om vergoeding van die schoolkosten hadden gevoegd, welke waren toegewezen.
5
Op 24 april 2015 hebben verzoekers de definitieve afwijzing van hun verzoeken om vergoeding van schoolkosten ontvangen (hierna: „bestreden besluiten”), op grond dat niet was voldaan aan de voorwaarden van artikel 3, lid 1, van bijlage VII bij het Statuut van de ambtenaren van de Europese Unie (hierna: „Statuut”), aangezien de twee betrokken scholen geen instellingen waren waar schoolgeld moet worden betaald in de zin van die bepaling, daar hun optionele bijdragen aan de betrokken verenigingen zonder winstoogmerk buiten het kader van het verplichte gratis onderwijs vielen zoals voorzien in de Belgische wettelijke regeling.
6
Elke verzoeker heeft op 20 juli 2015 een klacht ingediend in de zin van artikel 90, lid 2, van het Statuut. Die klachten zijn afgewezen bij individuele besluiten van de secretaris-generaal van het Europees Parlement van 17 en 19 november 2015 (hierna: „besluiten tot afwijzing van de klachten”). Hij heeft echter besloten om verzoekers „bij wijze van coulance en uitzondering” de schooltoelage voor het jaar 2014/2015 toe te kennen, doch deze niet meer toe te kennen voor de komende schooljaren aan de École internationale Le Verseau en het Athénée Ganenou.
Conclusies van partijen en procedure
7
Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht voor ambtenarenzaken op 17 februari 2016, hebben verzoekers het onderhavige beroep ingesteld.
8
Volgens artikel 3 van verordening (EU, Euratom) nr. 2016/1192 van het Europees Parlement en de Raad van 6 juli 2016, betreffende de overdracht aan het Gerecht van de bevoegdheid om in eerste aanleg uitspraak te doen in geschillen tussen de Europese Unie en haar personeelsleden (PB 2016, L 200, blz. 137), zijn de zaken die op 31 augustus 2016 aanhangig waren bij het Gerecht voor ambtenarenzaken overgedragen aan het Gerecht, dat die zaken blijft behandelen in de staat waarin zij zich op die datum bevonden en wel overeenkomstig zijn Reglement voor de procesvoering.
9
Verzoekers verzoeken het Gerecht:
—
de bestreden besluiten nietig te verklaren;
—
voor zover nodig, de besluiten houdende afwijzing van de klachten nietig te verklaren;
—
het Parlement te veroordelen tot betaling van de schooltoelage voor het jaar 2015/2016 aan hen, vermeerderd met vertragingsrente vanaf de data waarop die bedragen verschuldigd waren;
—
het Parlement te verwijzen in de kosten.
10
Het Parlement verzoekt het Gerecht:
—
het beroep te verwerpen;
—
verzoekers te verwijzen in de kosten.
11
Ter terechtzitting hebben verzoekers in antwoord op een vraag van het Gerecht verzocht om het tweede punt van hun conclusies te wijzigen, zodat zij het Gerecht dus verzoeken:
—
de bestreden besluiten nietig te verklaren;
—
voor zover nodig, nietig te verklaren „de besluiten houdende afwijzing van de klachten, echter met uitzondering van het besluit van de secretaris-generaal van het Parlement om hun bij wijze van coulance en uitzondering de schooltoelage voor het jaar 2014/2015 toe te kennen”;
—
het Parlement te veroordelen tot betaling van de schooltoelage voor het jaar 2015/2016 aan hen, vermeerderd met vertragingsrente vanaf de data waarop die bedragen verschuldigd waren;
—
het Parlement te verwijzen in de kosten.
In rechte
Vordering tot nietigverklaring van de besluiten houdende afwijzing van de klachten
12
Volgens vaste rechtspraak heeft een vordering tot nietigverklaring die formeel is gericht tegen het besluit houdende afwijzing van een klacht, tot gevolg dat bij het Gerecht beroep wordt ingesteld tegen het besluit waartegen de klacht is ingediend, wanneer eerstgenoemd besluit als zodanig geen autonome inhoud heeft (arrest van 17 januari 1989, Vainker/Parlement, 293/87, EU:C:1989:8, punt 8). Daar de besluiten houdende afwijzing van de klachten in casu geen autonome inhoud hebben, moet ervan worden uitgegaan dat het beroep gericht is tegen de bestreden besluiten.
Vordering tot nietigverklaring van de bestreden besluiten
13
Ter onderbouwing van het beroep voeren verzoekers drie middelen aan, ontleend aan 1) schending van artikel 3, lid 1, van bijlage VII bij het Statuut en een kennelijke beoordelingsfout; 2) schending van het beginsel van bescherming van het gewettigd vertrouwen, en 3) schending van de beginselen van gelijke behandeling en behoorlijk bestuur.
Eerste middel: schending van artikel 3, lid 1, van bijlage VII bij het Statuut en een kennelijke beoordelingsfout
– Argumenten van partijen
14
Ten eerste merken verzoekers op dat het begrip „schoolkosten” in artikel 3, lid 1, van bijlage VII bij het Statuut betrekking heeft op de inschrijvingskosten en de kosten voor het schoolbezoek. Huns inziens kan de voorwaarde dat „schoolgeld moet worden betaald” verwarring doen ontstaan. Het optionele of verplichte karakter van schoolkosten is immers niet relevant, aangezien het slechts om schoolkosten gaat die de ambtenaar voor ten laste komende kinderen heeft gedragen in scholen die het onderwijsproject van hun keuze aanbieden. Volgens die bepaling is de toekenning van de schooltoelage niet afhankelijk van de bestaande benamingen of indeling die op nationaal niveau wordt gemaakt, maar slechts van de aard van de te vergoeden kosten en de bestanddelen daarvan.
15
Ten tweede betogen zij dat het begrip „schoolkosten” een autonoom begrip is. Zij erkennen dat het in België gesubsidieerde onderwijs niet voorziet in het onderwijs van de Engelse moedertaal door Engelstalige leerkrachten noch in de overdracht van de culturele, religieuze en historische erfenis van het Joodse volk. Het enige middel om dat onderwijs te verzekeren is een aanvullende financiering. De kosten die door de eigen middelen van de betrokken scholen worden gedragen en worden gefinancierd dankzij de steun van de verenigingen zonder winstoogmerk, zijn wel degelijk kosten die een leerling de mogelijkheid bieden om allereerst toegang te krijgen tot een specifiek onderwijsproject, en vervolgens om met succes deel te nemen aan de programma’s en de lessen van die school te volgen. Het argument van het Parlement dat de Belgische wettelijke regeling preciseert dat een school een inschrijving niet afhankelijk mag stellen van de betaling van een geldbedrag, of dit nu aan de school zelf of aan een andere instantie is, miskent het autonome karakter van het begrip „schoolkosten”. Uit de declaratie van de schoolkosten blijkt dat de gedragen kosten exact overeenkomen met de bijdrage van de ouders aan de financiering van de vereniging zonder winstoogmerk die een gesubsidieerde onderwijsinstelling ondersteunt, en dat zij, gelet op het doel en de besteding ervan, vergoedbare schoolkosten vormen.
16
Ten derde merken verzoekers op dat de van vergoeding uitgesloten kosten, welke worden genoemd in artikel 3 van de algemene uitvoeringsbepalingen voor de toekenning van de in artikel 3 van bijlage VII bij het Statuut bedoelde schooltoelage, die het Parlement overeenkomstig artikel 110 van het Statuut heeft vastgesteld op 18 mei 2004 (hierna: „AUB”), kosten zijn die losstaan van de onderwijsactiviteit, en dus in wezen optioneel zijn. De kosten verband houdende met de door de betrokken verenigingen zonder winstoogmerk gevraagde bedragen, zijn daarentegen kosten die later moeten worden betaald, als onderdeel van de kosten voor de inschrijving en het schoolbezoek.
17
Volgens het Parlement volgt uit de Belgische wettelijke regeling dat de gesubsidieerde vrije onderwijsinstellingen gratis onderwijs verstrekken en geen particuliere scholen zijn, waar kosten moeten worden gemaakt voor de inschrijving van de leerlingen en de toegang tot de lessen. Ofschoon onder bepaalde voorwaarden sommige kosten kunnen worden verlangd, kan de niet-betaling daarvan geen reden zijn om de leerling te bestraffen door te weigeren hem in te schrijven of door hem uit te sluiten. De opsomming, in artikel 3 AUB, van kosten die zijn uitgesloten van de vergoeding van schoolkosten, is niet uitputtend. Als schoolkosten worden immers enkel die kosten beschouwd, waarvan de toelating van de leerling tot de school en tot haar programma afhangt. In casu hangt de inschrijving van de leerlingen aan de betrokken scholen niet af van de betaling van inschrijvingskosten. De bijdragen van de ouders aan de betrokken verenigingen zonder winstoogmerk dekken het specifieke programma van de beide scholen.
18
Het Parlement betoogt eveneens dat personeelsleden die in aanmerking willen komen voor de schooltoelage, overeenkomstig conclusie nr. 012/77 van de hoofden van administratie een factuur over moeten leggen die onderscheid maakt tussen de verschillende soorten kosten. De door verzoekers overgelegde facturen en attesten voldoen niet aan die voorwaarde en op grond daarvan kan niet precies worden bepaald waaraan de door hen betaalde bijdragen worden besteed.
– Beoordeling door het Gerecht
19
Artikel 3, lid 1, van bijlage VII bij het Statuut bepaalt met name dat „[o]nder de voorwaarden vastgelegd in de algemene uitvoeringsbepalingen [van dit artikel], […] de ambtenaar voor ieder te zijnen laste komend kind […], dat ten minste vijf jaar oud is en regelmatig volledig dagonderwijs volgt bij een instelling voor lager of middelbaar onderwijs waar schoolgeld moet worden betaald, of bij een instelling voor hoger onderwijs, een schooltoelage [ontvangt] ten bedrage van de werkelijk door hem gedragen schoolkosten, tot ten hoogste 260,95 EUR per maand”.
20
Blijkens artikel 3, lid 1, van bijlage VII bij het Statuut heeft het begrip „schoolkosten” betrekking op de kosten in verband met het volgen van regelmatig volledig dagonderwijs door het ten laste komend kind van een ambtenaar bij „een instelling voor lager of middelbaar onderwijs waar schoolgeld moet worden betaald”.
21
Derhalve moet worden onderzocht of de École internationale Le Verseau en het Athénée Ganenou instellingen „voor lager of middelbaar onderwijs” zijn „waar schoolgeld moet worden betaald” in de zin van artikel 3, lid 1, van bijlage VII bij het Statuut.
22
Ten eerste staat vast dat volgens de in de Franse Gemeenschap toepasselijke wettelijke regeling het verplichte onderwijs in die Gemeenschap gratis is en dat er dus geen schoolgeld kan worden verlangd of ontvangen.
23
Dienaangaande zij opgemerkt dat circulaire nr. 4516 van de Franse Gemeenschap van 29 augustus 2013, „De kosteloosheid van de toegang tot het verplichte onderwijs” (hierna: „circulaire nr. 4516”), in hoofdstuk II, „De regels voor de kosteloosheid van de toegang tot het onderwijs”, opgenomen in onderdeel A, „Kosten die door de school niet kunnen worden verlangd (artikel 100 en 102 van het decreet van 24 juli 1997‚Taken’)”, preciseert:
„Zowel in het basis- als in het voortgezet onderwijs kunnen de onderwijsinstellingen van de ouders niet de betaling van bepaalde kosten verlangen. Dit geldt met name voor:
1)
Direct of indirect schoolgeld:
Artikel 12, [lid] 1, van de wet van 29 mei 1959, het zogenoemde Schoolpact, en artikel 100, [lid] 1, van het decreet van 24 juli 1997 preciseren dat geen direct of indirect schoolgeld kan worden geïnd of aanvaard.
In de praktijk:
Dit betekent met name dat een onderwijsinstelling een inschrijving niet afhankelijk kan stellen van de betaling van een geldbedrag, of dit nu aan de instelling zelf of aan een ander orgaan (vzw, vereniging, niet-erkende vereniging) is.”
24
Ten tweede staat eveneens vast dat verzoekers overeenkomstig de in de punten 22 en 23 hierboven genoemde regeling aan de École internationale Le Verseau, het Athénée Ganenou of een derde orgaan geen kosten hebben moeten betalen voor de inschrijving of het bezoek van hun kinderen aan die scholen.
25
Uit de door de École internationale Le Verseau afgegeven verklaringen blijkt immers dat „[d]e bijdrage voor het jaar 2014/2015 […] uitsluitend zal worden besteed aan het behoud en de ontwikkeling van de onderwijsprojecten [van die school] waarvoor [de ten laste van de tweede tot en met de vierde verzoeker komende kinderen] regelmatig [worden] ingeschreven en die niet door de Franse Gemeenschap worden gesubsidieerd”. Het Athénée Ganenou „bevestigt […] de inschrijving van [het ten laste van de eerste verzoekster komende kind] voor het jaar 2014/2015”, geeft aan dat het „een gesubsidieerde vrije school is die het officiële en volledige programma van de [Franse Gemeenschap] toepast”, vermeldt dat „[d]e bijdrage aan het niet-gesubsidieerde specifieke onderwijs- en schoolproject 270 EUR per maand bedraagt, tien maanden per jaar”, en preciseert dat „[d]ie kosten niet het schoolmateriaal noch de kantine dekken, welke kosten afzonderlijk worden betaald”.
26
Hieruit volgt dat in casu niet wordt voldaan aan de voorwaarde van een „instelling voor lager of middelbaar onderwijs waar schoolgeld moet worden betaald” in de zin van artikel 3, lid 1, van bijlage VII bij het Statuut, en dat verzoekers derhalve niet in aanmerking kunnen komen voor een schooltoelage ten behoeve van hun ten laste komende kinderen die aan de École internationale Le Verseau respectievelijk het Athénée Ganenou zijn ingeschreven.
27
Aan deze vaststelling wordt niet afgedaan door de door verzoekers aangevoerde argumenten.
28
Om te beginnen betogen verzoekers dat het begrip „schoolkosten” betrekking heeft op de kosten die de ambtenaar voor zijn ten laste komende kinderen draagt in scholen die het onderwijsproject van hun keuze aanbieden.
29
Artikel 3 AUB bepaalt:
„Binnen de grens voorzien in artikel 3, lid 1, eerste en derde alinea, van bijlage VII bij het Statuut, is schooltoelage B bestemd voor:
a)
de kosten van inschrijving en het bezoek aan de onderwijsinstellingen[;]
b)
de vervoerskosten[;]
met uitsluiting van alle andere kosten, en met name:
—
verplichte kosten, zoals die voor de aankoop van boeken, schoolmateriaal, sportuitrusting, dekking van een schoolverzekering en ziektekosten, examenkosten, kosten voor gemeenschappelijke externe schoolactiviteiten (zoals excursies, bezoeken en schoolreizen, sportcursussen etc.), alsmede andere kosten in verband met het volgen van het schoolprogramma van de bezochte onderwijsinstelling,
—
kosten die zijn ontstaan door de deelneming van het kind aan skikampen, schoolkampen aan zee of lessen in de buitenlucht alsmede aan soortgelijke activiteiten.”
30
Opgemerkt zij dus dat de schoolkosten volgens artikel 3 AUB de „kosten van inschrijving en het bezoek van de onderwijsinstellingen” dekken. Aldus geformuleerd dekken de schoolkosten zowel de kosten waardoor een leerling toegang tot de onderwijsinstelling krijgt (inschrijvingskosten) als de kosten om de lessen te kunnen volgen en zinvol deel te kunnen nemen aan de programma’s van die onderwijsinstelling (kosten van het schoolbezoek) (arrest van 8 september 2011, Bovagnet/Commissie, F‑89/10, EU:F:2011:129, punt 23).
31
Vastgesteld zij dat de inschrijving en het onderwijs dat de École internationale Le Verseau en het Athénée Ganenou de ten laste van verzoekers komende kinderen bieden, in casu niet afhangen van de betaling van een geldbedrag aan die instellingen of aan derde instanties, zoals verenigingen zonder winstoogmerk, dat de kosten van inschrijving en van het bezoek aan die scholen dekt. Was dit wel het geval, dan zou dit overigens niet in overeenstemming zijn met de in de Franse Gemeenschap geldende wettelijke regeling, zoals blijkt uit circulaire nr. 4516.
32
Voorts moet worden vastgesteld dat verzoekers niet de opmerking van het Parlement hebben weersproken, dat de niet-betaling van de betrokken bedragen aan de respectieve verenigingen zonder winstoogmerk voor de leerling in geen geval een reden voor een sanctie kan vormen, zoals de weigering om hem in te schrijven of om hem uit te sluiten.
33
In dit verband moet tevens worden verwezen naar circulaire nr. 4516, waarvan hoofdstuk II, onder de rubriek „Niet-betaling van kosten”, met betrekking tot de betaling van kosten die de school kan verlangen, zoals kosten voor „het zwembad en [de] culturele en sportieve activiteiten”, het volgende preciseert:
„Bij niet-betaling of weigering van betaling, kan de school noch weigeren een leerling in te schrijven of opnieuw in te schrijven, noch hem definitief uitsluiten, noch hem bestraffen, noch weigeren hem zijn rapport of diploma te overhandigen. In voorkomend geval wordt binnen elk van de organiserende instanties voorzien in een procedure inzake een verzoek tot terugvordering.”
34
Dit betekent dat het argument ontleend aan het begrip „schoolkosten” niets wijzigt aan de omstandigheid dat de École internationale Le Verseau en het Athénée Ganenou bij gebreke van kosten voor inschrijving en schoolbezoek, niet kunnen worden aangemerkt als „instelling[en] voor lager of middelbaar onderwijs waar schoolgeld moet worden betaald” in de zin van artikel 3, lid 1, van bijlage VII bij het Statuut.
35
Vervolgens merken verzoekers op dat aangezien het begrip „schoolkosten” een autonoom begrip van het recht van de Europese Unie is, de inhoud daarvan niet kan afhangen van bestaande benamingen of indelingen op nationaal niveau, maar alleen van de aard en de bestanddelen van de te vergoeden kosten (arrest van 8 september 2011, Bovagnet/Commissie, F‑89/10, EU:F:2011:129, punt 22).
36
Verzoekers merken terecht op dat het begrip „schoolkosten” een autonoom begrip van het Unierecht is, en dat de nationale benamingen of indelingen op het gebied van schoolkosten derhalve niet doorslaggevend zijn. Dit betekent echter eveneens dat de benaming of de indeling van de bijdragen die de ouders aan de betrokken verenigingen zonder winstoogmerk betalen, niets wijzigen aan de omstandigheid dat noch de École internationale Le Verseau noch het Athénée Ganenou kosten voor inschrijving of het schoolbezoek verlangt. Hieruit volgt noodzakelijkerwijs dat de door die verenigingen zonder winstoogmerk gevraagde bijdragen voor de deelneming van de kinderen aan het niet-gesubsidieerde specifieke schoolproject van die scholen, evenmin betrekking kunnen hebben op de inschrijving aan en het bezoek van die scholen, zoals circulaire nr. 4516 overigens bevestigt. De in casu door die verenigingen zonder winstoogmerk gevraagde bijdragen kunnen dus in geen geval worden aangemerkt als „schoolkosten” in de zin van artikel 3, lid 1, van bijlage VII bij het Statuut en zoals nader omschreven in artikel 3 AUB.
37
Ten slotte betogen verzoekers dat de in artikel 3 AUB genoemde kosten die van vergoeding zijn uitgesloten, geen verband houden met de onderwijsactiviteit en dus in feite optioneel zijn, terwijl de kosten verband houdende met de door de betrokken verenigingen zonder winstoogmerk gevraagde bedragen kosten zijn die later verschuldigd zijn, als onderdeel van de kosten voor inschrijving en het schoolbezoek.
38
Dienaangaande zij eraan herinnerd dat artikel 3 AUB „alle andere kosten”, die het uitsluit van vergoeding en waarvan het een aantal voorbeelden geeft, plaatst tegenover de „kosten voor inschrijving en het bezoek van de onderwijsinstellingen” alsmede de „vervoerskosten”, waarvoor een beperkte vergoeding mogelijk is. Anders dan verzoekers stellen, heeft de uitdrukking „alle andere kosten” bovendien niet uitsluitend betrekking op de „kosten die geen verband houden met de onderwijsactiviteit”. Deze bepaling doelt immers uitdrukkelijk op „andere kosten in verband met het volgen van het schoolprogramma van de bezochte onderwijsinstelling”.
39
Ten slotte hebben verzoekers aangevoerd dat het verplichte onderwijs aan de École internationale Le Verseau en het Athénée Ganenou, werd aangevuld met een opleiding die deel uitmaakt van het onderwijsproject van elk van die scholen, en dat zij daartoe aan de betrokken verenigingen zonder winstoogmerk bedragen betaalden ter dekking van de deelneming van hun kinderen aan het niet-gesubsidieerde specifieke schoolproject van die scholen.
40
Uit die verklaringen volgt dat, daar de aan de betrokken verenigingen zonder winstoogmerk betaalde bijdragen niet kunnen worden aangemerkt als schoolkosten, zij kosten vormen die ontstaan door de eisen en activiteiten verband houdende met het volgen van het schoolprogramma, namelijk de deelneming van de kinderen aan het niet-gesubsidieerde specifieke schoolproject van die scholen, en moeten worden aangemerkt als „andere kosten in verband met het volgen van het schoolprogramma van de bezochte onderwijsinstelling” in de zin van artikel 3, tweede alinea, AUB, die volgens diezelfde bepaling niet worden gedekt door schooltoelage B.
41
Het eerste middel moet dus worden afgewezen.
Tweede middel: schending van het beginsel van bescherming van het gewettigd vertrouwen
– Argumenten van partijen
42
Volgens verzoekers heeft het Parlement nauwkeurige toezeggingen gedaan die bij hen de verwachting hebben gewekt dat zij de schooltoelagen zouden krijgen, aangezien die kosten in de voorgaande jaren ook waren vergoed. Zij weerleggen het argument van het Parlement dat de schooltoelage jaarlijks wordt beoordeeld. Huns inziens gaat het veeleer om een jaarlijks onderzoek van het beleid inzake de vergoeding van schoolkosten, hetgeen betekent dat wordt aanvaard dat het Parlement het recht heeft om het standpunt van de administratie over een louter interne situatie radicaal te wijzigen, hetgeen in strijd is met het rechtszekerheidsbeginsel.
43
Het Parlement betwist verzoekers’ betoog.
– Beoordeling door het Gerecht
44
Voor een beroep op bescherming van het gewettigd vertrouwen dient aan drie voorwaarden te zijn voldaan. In de eerste plaats moet de betrokkene van de administratie nauwkeurige, onvoorwaardelijke en onderling overeenstemmende toezeggingen hebben gekregen, die van bevoegde en betrouwbare bronnen afkomstig zijn. In de tweede plaats moeten deze toezeggingen gegronde verwachtingen kunnen wekken bij degene aan wie zij gericht zijn. In de derde plaats moeten de gedane toezeggingen in overeenstemming zijn met de geldende regels (arrest van 7 november 2002, G/Commissie, T‑199/01, EU:T:2002:271, punt 38).
45
In casu volstaat de opmerking dat, zelfs al zou ervan worden uitgegaan dat het Parlement verzoekers nauwkeurige, onvoorwaardelijke en onderling overeenstemmende toezeggingen heeft gedaan over de vergoeding van de kosten die zij aan de betrokken verenigingen zonder winstoogmerk hebben betaald voor de deelneming van hun ten laste komende kinderen aan het niet-gesubsidieerde specifieke schoolproject van die scholen, die toezeggingen niet in overeenstemming zouden zijn met het Statuut, zoals in de punten 19 tot en met 41 hierboven is aangegeven. Mitsdien kan niet worden vastgesteld dat er in casu sprake is van schending van het beginsel van bescherming van het gewettigd vertrouwen.
46
In elk geval kan uit de stukken van het dossier op geen enkele wijze worden afgeleid dat de administratie verzoekers nauwkeurige, onvoorwaardelijke en onderling overeenstemmende toezeggingen heeft gedaan. Aan de hand van het specifieke formulier dat de administratie voor de scholen heeft voorbereid had middels vragen over de verschillende schoolkosten die de scholen vragen en bij gebreke van een door hen opgestelde gedetailleerde factuur, gemakkelijker moeten kunnen worden vastgesteld of de scholen inschrijvingskosten en kosten voor schoolbezoek hadden verlangd, die door de administratie eventueel hadden moeten worden vergoed. Uit dit formulier is echter niet gebleken dat verzoekers inschrijvingskosten hadden betaald.
47
Ten slotte is verzoekers’ betoog dat de wijziging van de administratieve praktijk in strijd zou zijn met het rechtszekerheidsbeginsel niet-ontvankelijk, aangezien het niet in de klacht is aangevoerd en dus niet voldoet aan de regel van overeenstemming tussen de voorafgaande administratieve klacht en het beroep.
48
Volgens vaste rechtspraak moet ingevolge de regel van overeenstemming tussen de klacht in de zin van artikel 91, lid 2, van het Statuut en het daaropvolgende beroep een voor de Unierechter aangevoerd middel op straffe van niet-ontvankelijkheid reeds in het kader van de precontentieuze procedure zijn aangevoerd; het tot aanstelling bevoegd gezag moet immers kennis hebben kunnen nemen van de bezwaren die de betrokkene tegen het bestreden besluit heeft ingebracht (zie arrest van 7 juli 2004, Schmitt/EBW, T‑175/03, EU:T:2004:214, punt 42en aldaar aangehaalde rechtspraak).
49
Derhalve moet het tweede middel in zijn geheel worden afgewezen.
Derde middel: schending van de beginselen van gelijke behandeling en behoorlijk bestuur
50
Dit middel bestaat uit twee onderdelen. Het eerste is ontleend aan schending van het beginsel van gelijke behandeling, het tweede aan schending van het beginsel van behoorlijk bestuur.
– Argumenten van partijen
51
Met betrekking tot de vermeende schending van het beginsel van gelijke behandeling, betogen verzoekers dat zij zich in dezelfde situatie feitelijk en rechtens bevinden als die van ouders die in de voorgaande jaren vergoeding hebben gekregen van de schoolkosten van hun ten laste komende kinderen, die aan de betrokken scholen waren ingeschreven, alsmede als die van ouders die bij de Europese Commissie werken, die de schoolkosten van hun ten laste komende kinderen die aan die scholen zijn ingeschreven, nog steeds vergoed krijgen.
52
Aangaande de vermeende schending van het beginsel van behoorlijk bestuur stellen verzoekers dat de termijn van zes maanden tussen het verzoek om vergoeding en de bestreden besluiten niet redelijk is, aangezien de vroegere handelwijze van het Parlement geen twijfel liet over de vergoeding van de betrokken kosten. Bovendien uiten zij hun twijfels over de objectiviteit en de zorgvuldigheid waarmee het Parlement de feiten heeft beoordeeld, door de toekenning van de schooltoelage te verbinden aan de persoonlijke keuze van een ouder over het voor zijn kind gekozen onderwijsproject, hetgeen in strijd is met artikel 22 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en met het autonome karakter van het begrip „schoolkosten”.
53
Het Parlement betwist verzoekers’ betoog.
– Beoordeling door het Gerecht
54
Met betrekking tot het eerste onderdeel van het derde middel moet eraan worden herinnerd dat het beginsel van gelijke behandeling een van de fundamentele beginselen van het Unierecht is en dat het wordt geschonden wanneer twee categorieën personen wier situatie feitelijk en juridisch niet essentieel verschilt, verschillend worden behandeld. Dit beginsel vereist dus dat vergelijkbare situaties niet verschillend worden behandeld, tenzij dit objectief gerechtvaardigd is. Om te worden toegestaan, moet het verschil worden gerechtvaardigd op basis van een objectief en redelijk criterium dat evenredig is aan het beoogde doel (arrest van 30 januari 2003, C/Commissie, T‑307/00, EU:T:2003:21, punt 48).
55
Het is echter vaste rechtspraak dat een ambtenaar of functionaris zich niet op een onwettigheid kan beroepen om een voordeel te verkrijgen. Het beginsel van gelijke behandeling moet immers verenigbaar zijn met de eerbiediging van het legaliteitsbeginsel, volgens hetwelk niemand zich ten eigen voordele kan beroepen op een onwettigheid waarvan anderen hebben kunnen profiteren (arresten van 4 juli 1985, Williams/Rekenkamer, 134/84, EU:C:1985:297, punt 14; 2 juni 1994, de Compte/Parlement, C‑326/91 P, EU:C:1994:218, punten 51 en 52, en 1 juli 2010, Časta/Commissie, F‑40/09, EU:F:2010:74, punt 88).
56
Gelet op het feit dat het eerste middel is afgewezen, kan het eerste onderdeel van het derde middel, dat is ontleend aan schending van het beginsel van gelijke behandeling in vergelijking met andere ambtenaren, derhalve niet slagen (zie in die zin arrest van 21 januari 2014, Van Asbroeck/Parlement, F‑102/12, EU:F:2014:4, punten 37 en 38).
57
In elk geval moet eraan worden herinnerd dat ook al vallen volgens het beginsel van de uniciteit van de openbare dienst, zoals dat in artikel 9, lid 3, van het Verdrag van Amsterdam is geformuleerd, alle ambtenaren van de Unie onder één enkel Statuut, een dergelijk beginsel niet impliceert dat de instellingen de beoordelingsvrijheid die hun door het Statuut wordt toegekend, op dezelfde wijze moeten gebruiken, maar dat zij, integendeel, „autonomie” genieten bij het beheer van hun personeel (arrest van 5 juli 2011, V/Parlement, F‑46/09, EU:F:2011:101, punt 135).
58
Krachtens artikel 110 van het Statuut worden de AUB vastgesteld door het tot aanstelling bevoegd gezag van elke instelling en kunnen zij dus van de ene tot de andere instelling verschillen.
59
Wat het tweede onderdeel van het derde middel betreft, zij eraan herinnerd dat de verplichting om in administratieve procedures een redelijke termijn in acht te nemen, een algemeen beginsel van het Unierecht vormt, waarvan de Unierechter de eerbiediging waarborgt, en dat dit beginsel als onderdeel van het beginsel van behoorlijk bestuur ook is neergelegd in artikel 41, lid 1, van het Handvest van de grondrechten (zie in die zin arrest van 11 april 2006, Angeletti/Commissie, T‑394/03, EU:T:2006:111, punt 162).
60
De schending van het beginsel van behoorlijk bestuur rechtvaardigt in de regel evenwel niet de nietigverklaring van het besluit dat aan het einde van een administratieve procedure is genomen. Alleen wanneer het buitensporig lange tijdsverloop een invloed kan hebben op de inhoud van het besluit dat aan het einde van de administratieve procedure is genomen, heeft de niet-inachtneming van het beginsel van de redelijke termijn immers gevolgen voor de geldigheid van de administratieve procedure.
61
In casu volgt uit het onderzoek van het eerste middel (zie de punten 19 tot en met 41 hierboven) dat zelfs indien wordt aangenomen dat de tijd die het Parlement heeft genomen voor de behandeling van verzoekers’ verzoeken om vergoeding, buitensporig moet worden geacht, dit geen invloed heeft gehad op de inhoud van de bestreden besluiten. Bovendien moet eraan worden herinnerd dat het Parlement wegens de buitensporige tijd die het voor de behandeling heeft genomen, heeft besloten om bij wijze van coulance en uitzondering de schooltoelage voor het jaar 2014/2015 toe te kennen.
62
Het derde middel moet derhalve eveneens worden afgewezen.
63
Mitsdien moet de vordering tot nietigverklaring van de bestreden besluiten worden afgewezen.
Vordering tot veroordeling van het Parlement om verzoekers de schooltoelage voor het jaar 2015/2016 te betalen
64
Verzoekers verzoeken het Gerecht om het Parlement te veroordelen tot betaling van de schooltoelage voor het jaar 2015/2016.
65
Gelet op het feit dat de vordering tot nietigverklaring van de bestreden besluiten is afgewezen, behoeft geen uitspraak meer te worden gedaan over deze vordering.
66
Derhalve moet het beroep in zijn geheel worden verworpen.
Kosten
67
Volgens artikel 134, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij verwezen in de kosten, voor zover dat is gevorderd.
68
Uit de overwegingen van dit arrest volgt dat verzoekers in het ongelijk zijn gesteld. Bovendien heeft het Parlement in zijn conclusies uitdrukkelijk gevraagd om verzoekers te verwijzen in de kosten. Mitsdien moeten verzoekers worden verwezen in de kosten.
HET GERECHT (Achtste kamer),
rechtdoende, verklaart:
1)
Het beroep wordt verworpen.
2)
Irit Azoulay, Andrew Boreham, Mirja Bouchard en Darren Neville worden verwezen in de kosten.
Collins
Barents
Passer
Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 28 april 2017.
ondertekeningen
( *1 ) Procestaal: Frans.