ARREST VAN HET GERECHT (Vierde kamer)
5 september 2018 ( *1 )
„Openbare dienst – Aanwerving – Algemeen vergelijkend onderzoek – Aankondiging van vergelijkend onderzoek EPSO/AD/303/15 (AD 7) – Verificatie door EPSO van de voorwaarden voor toelating tot het vergelijkend onderzoek – Werkervaring van een kortere dan de vereiste minimumduur – Aard van de controle van de toelatingsvoorwaarde verband houdende met de werkervaring – Motiveringsplicht – Kennelijk onjuiste beoordeling door de jury van het vergelijkend onderzoek – Gelijke behandeling”
In zaak T‑671/16,
Vincent Villeneuve, wonende te Montpellier (Frankrijk), vertegenwoordigd door C. Mourato, advocaat,
verzoeker,
tegen
Europese Commissie, vertegenwoordigd door G. Gattinara en L. Radu Bouyon als gemachtigden,
verweerster,
betreffende een verzoek krachtens artikel 270 VWEU, strekkende tot nietigverklaring van het besluit van de jury van het vergelijkend onderzoek van 5 november 2015 tot afwijzing van verzoekers inschrijving voor het algemeen vergelijkend onderzoek op basis van kwalificaties en toetsen EPSO/AD/303/15 – Ontwikkelingssamenwerking en beheer van hulp aan niet EU-landen (AD 7),
wijst
HET GERECHT (Vierde kamer),
samengesteld als volgt: H. Kanninen (rapporteur), president, J. Schwarcz en C. Iliopoulos, rechters,
griffier: G. Predonzani, administrateur,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 8 november 2017,
het navolgende
Arrest
Voorgeschiedenis van het geding
1
De aankondiging voor het algemeen vergelijkend onderzoek op basis van kwalificaties en toetsen EPSO/AD/303/15 – Ontwikkelingssamenwerking en beheer van hulp aan niet EU-landen (AD 7) (PB 2015, C 150 A, blz. 1; hierna: „aankondiging van het vergelijkend onderzoek”), bevatte vier afzonderlijke rubrieken, respectievelijk genaamd „Wat houdt de functie in?”, „Aan welke voorwaarden moet ik voldoen?”, „Hoe verloopt de selectieprocedure?” en „Hoe en wanneer kan ik me inschrijven?”.
2
In de rubriek „Aan welke voorwaarden moet ik voldoen?” werd aangegeven dat aan alle „algemene voorwaarden” en „bijzondere voorwaarden” betreffende de talen, de kwalificaties en de werkervaring moest worden voldaan op het ogenblik waarop de kandidaat zijn inschrijving valideerde.
3
In het kader van de bijzondere voorwaarden betreffende de kwalificaties en de werkervaring werd van de kandidaat verlangd:
„een diploma van een voltooide universitaire opleiding van ten minste vier jaar, gevolgd door ten minste zes jaar werkervaring op het gebied van het vergelijkend onderzoek
of
een diploma van een voltooide universitaire opleiding van ten minste drie jaar, gevolgd door ten minste zeven jaar werkervaring op het gebied van het vergelijkend onderzoek”.
4
In de rubriek „Hoe verloopt de selectieprocedure?” van de aankondiging van het vergelijkend onderzoek werd in punt 1, „Meerkeuzetoetsen per computer”, aangegeven dat de kandidaten die hun inschrijving hadden gevalideerd, zouden worden uitgenodigd voor een aantal meerkeuzetoetsen en dat deze toetsen tot uitsluiting zouden leiden indien de minimumscore niet werd behaald. Punt 2 van die rubriek, „Selectie op basis van kwalificaties”, luidde:
„Ten eerste wordt op basis van de gegevens in het onlinesollicitatieformulier gecontroleerd of u voldoet aan de voorwaarden. Er zijn twee mogelijke scenario’s:
als de meerkeuzetoetsen vooraf plaatsvinden, worden de dossiers van de kandidaten gecontroleerd in afnemende volgorde van de behaalde score, totdat het in punt 1 bedoelde quotum is bereikt. De dossiers van de overige kandidaten worden niet gecontroleerd;
als de meerkeuzetoetsen niet vooraf plaatsvinden, worden de dossiers van alle kandidaten gecontroleerd.
Vervolgens wordt voor de aldus geselecteerde kandidaten de selectie op basis van kwalificaties uitgevoerd op basis van de informatie die is verstrekt in de rubriek ‚Talent Screener/Evaluateur de talent/Talentfilter’. De jury kent aan elk selectiecriterium een gewicht toe (1, 2 of 3) naargelang van het belang dat de jury aan dat criterium hecht. Voor elk antwoord van de kandidaat wordt een score tussen 0 en 4 punten toegekend.
Deze score wordt vervolgens vermenigvuldigd met het gewicht van het desbetreffende criterium en deze uitkomsten worden opgeteld tot de totaalscore. Het profiel van degenen met de hoogste totaalscore sluit het beste aan bij de uit te voeren taken.
In BIJLAGE III vindt u de lijst van selectiecriteria.”
5
Bijlage I bij de aankondiging van het vergelijkend onderzoek gaf een indicatie van de werkzaamheden die de na afloop van het vergelijkend onderzoek aangeworven administrateurs, op het gebied van de ontwikkelingssamenwerking zouden moeten uitvoeren.
6
Bijlage III bij de aankondiging van het vergelijkend onderzoek gaf een opsomming van de criteria die de jury van het vergelijkend onderzoek overeenkomstig punt 2 van de rubriek „Hoe verloopt de selectieprocedure?” van de aankondiging van het vergelijkend onderzoek in aanmerking zou nemen voor de selectie op basis van de kwalificaties.
7
Op 8 mei 2015 heeft verzoeker, Vincent Villeneuve, zich ingeschreven voor vergelijkend onderzoek EPSO/AD/303/15.
8
Op verzoekers sollicitatieformulier bevatte het tabblad „Werkervaring” drie invoervelden, waarvan de eerste twee luidden:
„Invoer1
Data (JJJJ-MM-DD)
van 2012‑10‑01 tot 2015‑05‑08
Duur in maanden en dagen
Berekende waarden: Maanden: 31 Dagen: 7
Soort ervaring
Overig
Eventuele aanvullende details
‚Overig’
Public relations
Classificatie
Zelfstandig
[...]
Type of sector van activiteit
Public relations en consultancy in belangenbehartiging op het gebied van bevolkings‑ en ontwikkelingskwesties
[...]
Vervulde functie
Consultant
Aard van de uitgeoefende werkzaamheden
Samenwerking met gekozen en niet-gekozen vertegenwoordigers, parlementaire gezagsdragers, internationale organisaties, nationale en internationale niet-gouvernementele organisaties en leden van maatschappelijke organisaties over activiteiten op het gebied van parlementaire belangenbehartiging die de ontwikkeling en uitvoering van het beleid ondersteunen.
Ontwikkeling, ontwerp en beheer van projectvoorstellen, verspreiding van parlementair belangenbehartigingsmateriaal (tweetalige nieuwsbrief, handleidingen, informatiebulletins) en hulp aan parlementaire initiatieven (hoorzittingen, rondetafelgesprekken, amendementen, vragen, toespraken, brieven, opinieartikelen)
Invoer 2
Data (JJJJ-MM-DD)
van 2008‑08‑31 tot 2012‑09‑30
Duur in maanden en dagen
Berekende waarden: Maanden: 49 Dagen: 0
Soort ervaring
Overig
Aanvullende details
Indien ‚Overig’
Diensten op het gebied van de belangenbehartiging (advocacy)
Classificatie
Niet-gouvernementele organisatie
Aanvullende details
Indien ‚Overig’
Europees Parlementair Forum over bevolking en ontwikkeling (EPF)
Type of sector van activiteit
EPF is een netwerk van parlementariërs uit heel Europa die zich inzetten voor de bescherming van de procreatieve en seksuele gezondheid van de meest kwetsbare personen in de wereld.
Naam en adres van de werkgever
Europees Parlementair Forum over bevolking en ontwikkeling – EPF
23 rue Montoyer1000 BrusselBelgië
Vervulde functie
2008‑2010 Assistant belast met de belangenbehartiging
2011‑2012 Projectmanager
Aard van de uitgeoefende werkzaamheden
Organisatie, beheer en coördinatie van internationale parlementaire conferenties. Organisatie, beheer en coördinatie van parlementaire delegaties.
Ondersteuning aan het werven van fondsen en aan activiteiten voor het mobiliseren van middelen.
Analyses en onderzoek naar het beleid op het gebied van ontwikkelingssamenwerking en demografische kwesties.
Publicaties.”
9
Op 16 juni 2015 heeft het Europees Bureau voor personeelsselectie (EPSO) verzoeker meegedeeld dat „de kandidaten die de beste cijfers voor de meerkeuzetoetsen op de computer hebben gekregen (en ten minste de vereiste minimumscore) en voldoen aan de algemene en de bijzondere toelatingsvoorwaarden, zullen doorgaan naar de fase van de selectie op basis van de kwalificaties”.
10
Op 3 september 2015 heeft verzoeker de meerkeuzetoetsen afgelegd.
11
Op 3 november 2015 heeft EPSO verzoeker meegedeeld dat hij voor de meerkeuzetoetsen de vereiste minimumscore had behaald.
12
Op 5 november 2015 heeft EPSO verzoeker meegedeeld dat de jury van het vergelijkend onderzoek had gecontroleerd of hij aan alle toelatingsvoorwaarden van de aankondiging van het vergelijkend onderzoek voldeed, en naar aanleiding daarvan had besloten dat hij niet kon worden toegelaten tot de volgende fase van het vergelijkend onderzoek (hierna: „besluit van de jury van het vergelijkend onderzoek van 5 november 2015”). EPSO heeft gepreciseerd dat verzoeker na de sluitingsdatum van de online-sollicitaties niet beschikte over de vereiste ervaring van ten minste zes jaar op het gebied van het vergelijkend onderzoek, na het behalen van een diploma van een voltooide universitaire opleiding van ten minste vier jaar.
13
Diezelfde dag heeft verzoeker EPSO erop gewezen dat hij op zijn sollicitatieformulier melding had gemaakt van een ervaring van 85 maanden, welke volledig was opgedaan in de ontwikkelingssamenwerking binnen de Internationale Organisatie voor Migratie (IOM), en vervolgens als uitvoeringspartner van het Bevolkingsfonds van de Verenigde Naties (UNFPA).
14
Op 15 november 2015 heeft verzoeker een verzoek tot heronderzoek van het besluit van de jury van het vergelijkend onderzoek van 5 november 2015 ingediend.
15
Op 25 januari 2016 heeft EPSO verzoeker meegedeeld dat de jury van het vergelijkend onderzoek haar besluit had bevestigd om verzoeker niet toe te laten tot de volgende fase van het vergelijkend onderzoek.
16
Op 5 februari 2016 heeft verzoeker krachtens artikel 90, lid 2, van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Unie (hierna: „Statuut”) een klacht ingediend tegen het besluit van de jury van het vergelijkend onderzoek van 5 november 2015.
17
Bij besluit van 10 juni 2016 heeft de directeur van EPSO die klacht afgewezen (hierna: „besluit tot afwijzing van de klacht van 10 juni 2016”).
Procedure en conclusies van partijen
18
Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 20 september 2016, heeft verzoeker het onderhavige beroep ingesteld. De Europese Commissie heeft op 6 december 2016 het verweerschrift ingediend. De schriftelijke behandeling is gesloten nadat verzoeker op 24 januari en de Commissie op 13 maart 2017 zijn repliek respectievelijk haar dupliek had ingediend.
19
Bij op 4 april 2017 ter griffie van het Gerecht neergelegde akte heeft verzoeker overeenkomstig artikel 106, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht verzocht om een hoorzitting te houden. De Commissie heeft niet een dergelijk verzoek ingediend.
20
Verzoeker verzoekt het Gerecht:
–
het besluit van de jury van het vergelijkend onderzoek van 5 november 2015 nietig te verklaren;
–
de Commissie te verwijzen in de kosten.
21
Na een ter terechtzitting door het Gerecht gestelde vraag heeft verzoeker aangegeven dat hij eveneens vroeg om nietigverklaring van het besluit van de jury van het vergelijkend onderzoek van 25 januari 2016.
22
De Commissie verzoekt het Gerecht:
–
het beroep te verwerpen;
–
verzoeker te verwijzen in de kosten.
In rechte
23
Ter onderbouwing van zijn beroep voert verzoeker vier middelen aan: niet-nakoming van de motiveringsplicht, kennelijk onjuiste beoordeling, onwettigheid van de aankondiging van het vergelijkend onderzoek en schending van het beginsel van gelijke behandeling van kandidaten van het vergelijkend onderzoek. Eerst moet het eerste middel worden onderzocht, vervolgens het derde, dan het tweede en tot slot het vierde.
Opmerkingen vooraf
24
Het is vaste rechtspraak dat wanneer een kandidaat voor een vergelijkend onderzoek vraagt om heronderzoek van een besluit van een jury, het besluit dat de jury na heronderzoek van de situatie van de kandidaat neemt, het voor hem bezwarend besluit is in de zin van artikel 90, lid 2, of eventueel artikel 91, lid 1, van het Statuut (arrest van 13 december 2006, Heus/Commissie, T‑173/05, EU:T:2006:392, punt 19). Het na heronderzoek genomen besluit komt dus in de plaats van het oorspronkelijke besluit van de jury (zie in die zin beschikking van 28 april 2015, Garcia Minguez/Commissie, F‑72/14, EU:F:2015:40, punt 26).
25
In casu moet worden vastgesteld dat het onderhavige beroep is gericht tegen het besluit van de jury van het vergelijkend onderzoek van 25 januari 2016, dat is genomen na het verzoek tot heronderzoek van het besluit van die jury van 5 november 2015, waarvoor het in de plaats komt (hierna: „bestreden besluit”).
Eerste middel: niet-nakoming van de motiveringsplicht
26
Verzoeker stelt dat hij noch aan de hand van het besluit van de jury van het vergelijkend onderzoek van 5 november 2015, noch aan de hand van het bestreden besluit kan begrijpen waarom die jury niet van mening was dat hij een ervaring van zes jaar op het gebied van de ontwikkelingssamenwerking had.
27
Op basis van het besluit tot afwijzing van de klacht van 10 juni 2016 neemt hij aan dat het probleem in zijn werkzaamheid als zelfstandig consultant voor bevolkings‑ en ontwikkelingskwesties ligt. Er wordt echter niet uitgelegd of deze activiteit problematisch was omdat deze als zelfstandige is uitgeoefend dan wel wegens de kwaliteit van de adviezen of de aard van de verrichte werkzaamheden. Zijn werkervaring als consultant is grotendeels dezelfde als die welke hij als werknemer bij dezelfde organisatie heeft verkregen, namelijk het Europees Parlementair Forum over bevolking en ontwikkeling (EPF). Er is dus een tegenstrijdigheid in de beoordeling van die ervaring en, dientengevolge, in de motivering.
28
Verzoeker stelt voorts dat de bijzondere toelatingsvoorwaarde in de aankondiging van het vergelijkend onderzoek uitsluitend preciseert dat de kandidaten ervaring moeten hebben „op het gebied van het vergelijkend onderzoek”, en dat in die fase nergens wordt verlangd „dat die ervaring rechtstreeks betrekking moet hebben op het gebied van het vergelijkend onderzoek [...] of dat deze relevant moet zijn voor de doelstellingen van het vergelijkend onderzoek”.
29
Ten slotte stelt verzoeker dat de motivering van het besluit tot afwijzing van de klacht van 10 juni 2016 die van EPSO is en niet die van de jury van het vergelijkend onderzoek, zodat daarmee bij het onderzoek van de eerbiediging van de motiveringsplicht geen rekening kan worden gehouden.
30
De Commissie betwist verzoekers argumenten.
31
Om te beginnen moet worden opgemerkt dat een aantal argumenten die verzoeker in het kader van het eerste middel aanvoert, in feite de gegrondheid van het bestreden besluit beogen te betwisten en in het bijzonder de beoordeling van de jury van het vergelijkend onderzoek van zijn werkervaring. Er zij echter aan herinnerd dat de verplichting om besluiten te motiveren een wezenlijk vormvoorschrift is dat moet worden onderscheiden van de vraag van de gegrondheid van de motivering, die de inhoudelijke wettigheid van de omstreden handeling betreft (zie in die zin arresten van 7 maart 2002, Italië/Commissie, C‑310/99, EU:C:2002:143, punt 48, en 17 september 2015, Ricoh Belgium/Raad, T‑691/13, niet gepubliceerd, EU:T:2015:641, punt 32).
32
Hieruit volgt dat verzoekers argumenten die betrekking hebben op de inhoud van het bestreden besluit, zullen worden onderzocht in het kader van het tweede middel, dat ontleend is aan een kennelijk onjuiste beoordeling.
33
Wat verzoekers argumenten over de motivering van het bestreden besluit betreft, zij eraan herinnerd dat volgens artikel 25, tweede alinea, van het Statuut „iedere nadelige beslissing met redenen dient te zijn omkleed”.
34
Volgens vaste rechtspraak heeft de in artikel 25, tweede alinea, van het Statuut voorziene verplichting om een besluit te motiveren tot doel, enerzijds de belanghebbende de nodige gegevens te verschaffen om te beoordelen of het besluit al dan niet gegrond is, en anderzijds het rechterlijk toezicht mogelijk te maken (zie in die zin arrest van 19 januari 2017, Commissie/Frieberger en Vallin, T‑232/16 P, niet gepubliceerd, EU:T:2017:15, punt 40en aldaar aangehaalde rechtspraak).
35
Wat meer in het bijzonder besluiten betreft waarbij de toelating tot een vergelijkend onderzoek wordt geweigerd, heeft de Unierechter gepreciseerd dat de jury daartoe precies diende aan te geven aan welke voorwaarden van de aankondiging van het vergelijkend onderzoek de kandidaat niet zou hebben voldaan (zie in die zin arrest van 13 december 1990, Gonzalez Holguera/Parlement, T‑115/89, EU:T:1990:84, punt 43, en 14 juni 2007, De Meerleer/Commissie, F‑121/05, EU:F:2007:102, punten 145 en 146). In dit verband zij eraan herinnerd dat de jury van een vergelijkend onderzoek met veel deelnemers volgens vaste rechtspraak zich in de fase van de toelating tot het examen ertoe kan beperken, de weigering summier te motiveren en de kandidaten alleen de selectiecriteria en de beslissing van de jury mee te delen, behalve wanneer de kandidaten haar uitdrukkelijk om individuele toelichting vragen (zie in die zin arresten van 19 juli 1999, Carrión/Raad, T‑168/97, EU:T:1999:154, punt 32, en 13 december 1990, Gonzalez Holguera/Parlement, T‑115/89, EU:T:1990:84, punt 43).
36
In casu werd verzoeker bij het besluit van de jury van het vergelijkend onderzoek van 5 november 2015 ervan op de hoogte gesteld dat hij niet was toegelaten tot de volgende fase van het vergelijkend onderzoek, omdat hij niet over een werkervaring van ten minste zes jaar op het gebied van het vergelijkend onderzoek beschikte (zie punt 12 hierboven).
37
Wat het bestreden besluit betreft, zij eraan herinnerd dat volgens de aankondiging van het vergelijkend onderzoek alleen de kandidaten die op basis van de informatie op hun sollicitatieformulier hadden voldaan aan alle toelatingscriteria, konden worden toegelaten tot het vergelijkend onderzoek. Er werd eveneens aangegeven dat de jury zijn sollicitatieformulier aandachtig had onderzocht en daarbij bijzondere aandacht had besteed aan het onderdeel dat aan zijn werkervaring was gewijd, doch dat zij tot de conclusie was gekomen dat hij niet aan de toelatingsvoorwaarden voldeed omdat die ervaring ontoereikend was op het gebied van het vergelijkend onderzoek, namelijk de ontwikkelingssamenwerking. Hieraan werd toegevoegd dat verzoekers persoonlijke overtuiging over de wijze waarop zijn ervaring in aanmerking had moeten worden genomen subjectief was en niet in de plaats kon komen van de beoordeling door de jury.
38
Bovendien moet worden vastgesteld dat het besluit tot afwijzing van de klacht van 10 juni 2016 het bestreden besluit bevestigt en preciseringen voor de redenen daarvoor aanvoert. In een dergelijk geval moet de wettigheid van de bezwarende handeling, in casu het bestreden besluit, worden onderzocht aan de hand van de motivering in het besluit tot afwijzing van de klacht, daar die motivering wordt geacht samen te vallen met het bestreden besluit. Bij het besluit tot afwijzing van de klacht heeft het tot aanstelling bevoegd gezag (hierna: „TABG”) immers de motivering van het bestreden besluit aangevuld, met name door in te gaan op de grieven die verzoeker in zijn klacht had aangevoerd. Gelet op het evolutieve karakter van de precontentieuze procedure, kan de motivering in het besluit tot afwijzing van de klacht dus niet buiten beschouwing worden gelaten (zie in die zin arrest van 13 juni 2012, Mocová/Commissie, F‑41/11, EU:F:2012:82, punt 21; beschikking van 12 april 2016, Beiner/Commissie, F‑135/15, EU:F:2016:77, punt 24, en arrest van 10 juni 2016, HI/Commissie, F‑133/15, EU:F:2016:127, punt 87).
39
Uit het besluit tot afwijzing van de klacht van 10 juni 2016 blijkt dat verzoekers werkervaring zoals omschreven in „[i]nvoer 1” van zijn sollicitatieformulier volgens de jury van het vergelijkend onderzoek niet rechtstreeks verband hield met het gebied van het vergelijkend onderzoek, gelet op de aard van de in bijlage I bij de aankondiging van het vergelijkend onderzoek omschreven taken.
40
Onder deze omstandigheden moet ervan worden uitgegaan dat de motivering van het bestreden besluit, zoals aangevuld bij de motivering van het besluit tot afwijzing van de klacht van 10 juni 2016, voldoende precies aangeeft aan welke voorwaarde van de aankondiging van het vergelijkend onderzoek verzoeker niet had voldaan, namelijk die van de werkervaring.
41
Hieraan moet worden toegevoegd dat het betoog dat verzoeker in het kader van het tweede middel voert, dat is ontleend aan een kennelijk onjuiste beoordeling, aantoont dat hij voldoende kennis had van het feit waarom hij was uitgesloten van de volgende fase van het vergelijkend onderzoek.
42
Het eerste middel dient dus te worden afgewezen.
Derde middel: onwettigheid van de aankondiging van het vergelijkend onderzoek
43
Verzoeker stelt dat punt 2, „Selectie op basis van kwalificaties”, van de aankondiging van het vergelijkend onderzoek onwettig is, voor zover het betrekking heeft op de eerste fase van verificatie van de toelatingsvoorwaarden.
44
Anders dan de Commissie betoogt, acht verzoeker het derde middel ontvankelijk, aangezien er zonder enige twijfel een verband is tussen de onwettigheid van de aankondiging van het vergelijkend onderzoek en het bestreden besluit. Zonder voormeld punt 2, eerste alinea, van die aankondiging had de jury van het vergelijkend onderzoek zijn sollicitatie na de eerste toelatingsfase immers niet kunnen afwijzen.
45
Verzoeker betwist voorts het argument van de Commissie dat een eventuele verklaring van onwettigheid van punt 2 van de aankondiging van het vergelijkend onderzoek niet rechtstreeks tot de nietigverklaring van het bestreden besluit leidt, aangezien de inaanmerkingneming van de antwoorden in de rubriek „Talentfilter” van het sollicitatieformulier sowieso tot verzoekers uitsluiting had geleid. Verzoeker vraagt zich namelijk af hoe de Commissie tot die conclusie heeft kunnen komen, gelet op het feit dat de jury van het vergelijkend onderzoek nu juist geen rekening heeft gehouden met de inhoud van die rubriek.
46
Ten gronde stelt verzoeker dat het onderzoek van de kwalificaties, en met name van de werkervaring „gelet op de doelstellingen van het vergelijkend onderzoek” en, dientengevolge, van de te vervullen post, noodzakelijkerwijs inhoudt dat gebruik wordt gemaakt van de informatie in de rubriek „Talentfilter” van het sollicitatieformulier, zodat een vergelijkend, volledig, concreet, aandachtig en objectief onderzoek van de sollicitaties kan plaatsvinden. Dat onderzoek kan niet worden uitgevoerd zonder een bijzondere en concrete analyse op basis van objectieve en gewogen criteria van alle diploma’s, de volledige werkervaring en de volledige door elke kandidaat opgegeven talenkennis. Verzoeker noemt in dit opzicht punt 2.4 van de Algemene bepalingen betreffende algemene vergelijkende onderzoeken (PB 2015, C 70 A, blz. 1; hierna: „AUB algemene vergelijkende onderzoeken”), waarin wordt bepaald dat de selectie „uitsluitend” wordt uitgevoerd op basis van de antwoorden in het onderdeel „Talent screener” van het sollicitatieformulier (vierde alinea), en dat dit onderdeel een „gestructureerd kader” is om „de verdiensten van de kandidaten objectief met elkaar [te kunnen] vergelijken” (tweede alinea).
47
Een onvolledige vergelijking van de kwalificaties, de kandidaten of de selectiecriteria is in strijd met artikel 27 van het Statuut en met het fundamentele doel om ambtenaren aan te werven die „uit een oogpunt van bekwaamheid [en] prestatievermogen aan de hoogste eisen voldoen”.
48
Bovendien bepaalt het krachtens artikel 29, lid 1, van het Statuut vastgestelde artikel 5 van bijlage III bij het Statuut duidelijk dat de jury bij een vergelijkend onderzoek op de grondslag van schriftelijke bewijsstukken, na de normen te hebben bepaald volgens welke zij deze stukken zal beoordelen, „een onderzoek instelt” naar de schriftelijke bewijsstukken van de toegelaten sollicitanten.
49
Voorts voorziet punt 2, tweede alinea, van de aankondiging van het vergelijkend onderzoek weliswaar in een selectie op basis van kwalificaties die „vervolgens” wordt uitgevoerd op basis van de informatie die is verstrekt in de rubriek „Talentfilter” van het sollicitatieformulier en in een vergelijking van de totaalscore van elke kandidaat op basis van de punten die zijn ontvangen voor de veertien gewogen selectiecriteria teneinde de profielen te vinden die het best aansluiten bij de uit te voeren taken, doch deze bepaling zou elke nuttige werking verliezen indien die selectie ten dele kon plaatsvinden bij de verificatie van de toelatingsvoorwaarden, die ten onrechte als „eerste” fase van de selectie op basis van kwalificaties wordt aangemerkt, zonder dat er sprake is van enige procedure om een vergelijkend en objectief onderzoek van de sollicitaties te garanderen en de keuze van de beste kandidaten.
50
De Commissie betwist verzoekers argumenten.
51
Om te beginnen moet worden opgemerkt dat verzoeker in het kader van het derde middel, dat is ontleend aan de onwettigheid van de aankondiging van het vergelijkend onderzoek, argumenten aanvoert om de strijdigheid van die aankondiging met de bepalingen van het Statuut en met de AUB algemene vergelijkende onderzoeken aan te tonen, maar eveneens argumenten waarmee hij wil aantonen dat de jury van het vergelijkend onderzoek die aankondiging verkeerd heeft toegepast.
52
In het kader van dat derde middel stelt hij immers dat de jury van het vergelijkend onderzoek tijdens de eerste fase van toelating ten onrechte heeft onderzocht of zijn ervaring adequaat was voor de te vervullen post, hetgeen volgens hem in de tweede fase van de selectie op basis van kwalificaties had moeten geschieden. Dit betoog moet worden aangemerkt als gevoerd ter onderbouwing van de eerste grief van het tweede middel, dat is ontleend aan een kennelijk onjuiste beoordeling, zodat het in het kader van het onderzoek van dat middel zal worden geanalyseerd.
53
Alvorens de gegrondheid van dit derde middel te onderzoeken, moet de door de Commissie betwiste ontvankelijkheid ervan worden onderzocht.
54
Allereerst zij eraan herinnerd dat een verzoeker weliswaar het recht heeft om binnen de voorgeschreven termijnen rechtstreeks beroep in te stellen tegen een aankondiging van vergelijkend onderzoek, wanneer deze een voor hem bezwarend besluit van het TABG vormt in de zin van de artikelen 90 en 91 van het Statuut, doch hij wordt niet geconfronteerd met een verval van recht in het kader van een beroep tegen het besluit om hem niet toe te laten tot het vergelijkend onderzoek, alleen op grond dat hij niet tijdig de aankondiging van vergelijkend onderzoek heeft betwist (zie in die zin arresten van 16 september 1993, Noonan/Commissie, T‑60/92, EU:T:1993:74, punt 21, en 31 januari 2006, Giulietti/Commissie, T‑293/03, EU:T:2006:37, punt 40). Een kandidaat van een vergelijkend onderzoek kan immers niet het recht worden ontzegd de gegrondheid van het jegens hem met toepassing van de voorwaarden van die aankondiging genomen individuele besluit op alle punten ervan aan te vechten, daaronder begrepen de punten die in die aankondiging zijn omschreven. Enkel door dat toepassingsbesluit wordt immers zijn rechtspositie geïndividualiseerd en verkrijgt hij zekerheid over de vraag hoe en in hoeverre zijn bijzondere belangen zijn aangetast (zie in die zin arresten van 16 september 1993, Noonan/Commissie, T‑60/92, EU:T:1993:74, punt 23, en 31 januari 2006, Giulietti/Commissie, T‑293/03, EU:T:2006:37, punt 41). Zolang de sollicitaties van de verzoekende partijen niet door de jury zijn uitgesloten, staat hun belang om op te komen tegen de aankondiging van vergelijkend onderzoek immers nog niet vast, zodat hun niet kan worden verweten dat zij deze aankondiging niet binnen de door de artikelen 90 en 91 van het Statuut gestelde termijnen hebben aangevochten. In het kader van een beroep tegen latere handelingen kan een verzoeker dus de onregelmatigheid aan de orde stellen van eerdere handelingen die daarmee nauw verband houden (zie in die zin arrest van 15 september 2017, Commissie/FE, T‑734/15 P, EU:T:2017:612, punt 115).
55
Bij het ontbreken van een nauw verband tussen de motivering van het bestreden besluit en het middel ontleend aan de onregelmatigheid van de aankondiging van vergelijkend onderzoek waartegen niet tijdig is opgekomen, moet dit middel echter niet-ontvankelijk worden verklaard krachtens de bepalingen inzake de beroepstermijnen, die van openbare orde zijn en waarvan in een dergelijke situatie niet kan worden afgeweken zonder het rechtszekerheidsbeginsel geweld aan te doen (zie in die zin arresten van 11 maart 1986, Adams e.a./Commissie, 294/84, EU:C:1986:112, punt 17; 16 september 1993, Noonan/Commissie, T‑60/92, EU:T:1993:74, punt 27, en 31 januari 2006, Giulietti/Commissie, T‑293/03, EU:T:2006:37, point 42).
56
In het licht van al die overwegingen moet worden bepaald of er in casu sprake is van een nauw verband tussen de motivering van het bestreden besluit en het derde middel, dat is ontleend aan de onwettigheid van punt 2 van de aankondiging van het vergelijkend onderzoek.
57
Dienaangaande blijkt uit de motivering van het bestreden besluit dat het besluit is genomen omdat verzoekers werkervaring op het gebied van het vergelijkend onderzoek niet lang genoeg was.
58
Een dergelijke motivering, die tot de uitsluitende beoordeling door de jury van het vergelijkend onderzoek van de toelatingsvoorwaarden behoort, is vastgesteld krachtens punt 2 van de aankondiging van het vergelijkend onderzoek, dat nu juist bepaalt dat de jury eerst nagaat of aan de toelatingsvoorwaarden is voldaan alvorens alleen voor de toegelaten kandidaten over te gaan tot de selectie op basis van kwalificaties.
59
Verzoeker betwist de wettigheid van punt 2 van de aankondiging van het vergelijkend onderzoek op grond dat hij had moeten worden uitgesloten na een volledig en vergelijkend onderzoek van zijn sollicitatie met die van de andere kandidaten, en niet na slechts een verificatie van de toelatingsvoorwaarden. Met andere woorden, verzoeker betoogt dat punt 2 van de aankondiging van het vergelijkend onderzoek, op grond waarvan zijn sollicitatie is afgewezen, onwettig is omdat het voorziet in een eerste schiftende fase alleen op basis van de verificatie van de toelatingsvoorwaarden, terwijl hij van mening is dat zijn sollicitatie alleen had mogen worden afgewezen na een volledige en vergelijkende beoordeling daarvan, op basis van de informatie in de rubriek „Talentfilter” van zijn sollicitatieformulier.
60
Op die wijze stelt verzoeker dus de onwettigheid aan de orde van punt 2 van de aankondiging van het vergelijkend onderzoek, op grond waarvan het bestreden besluit hem niet heeft toegelaten tot het vervolg van het vergelijkend onderzoek. Het derde middel moet derhalve ontvankelijk worden verklaard en het door de Commissie aangevoerde niet-ontvankelijkheidsmiddel moet worden afgewezen.
61
Wat de gegrondheid van het derde middel betreft, moet er allereerst aan worden herinnerd dat de organisatie van een vergelijkend onderzoek tot doel heeft te voorzien in vacatures bij de instellingen. Bijgevolg staat het, zoals met name volgt uit artikel 1, eerste alinea, en artikel 4 van bijlage III bij het Statuut, aan het TABG om de aankondiging van dat vergelijkend onderzoek op te stellen en daarvoor de meest geschikte methode van selectie van kandidaten vast te stellen, afhankelijk van de vereisten die zijn verbonden aan de te vervullen ambten en, meer in het algemeen, van het belang van de dienst (zie in die zin arrest van 27 september 2006, Blackler/Parlement, T‑420/04, EU:T:2006:282, punt 45).
62
Niettemin moet worden benadrukt dat de uitoefening door het TABG van deze beoordelingsbevoegdheid, ongeacht het aantal personen dat kan solliciteren voor het betrokken vergelijkend onderzoek, noodzakelijkerwijs haar begrenzing vindt in de eerbiediging van de geldende voorschriften alsmede in algemene rechtsbeginselen. Hieruit volgt dat met de door het TABG gekozen methode wordt beoogd, in de eerste plaats om personen aan te werven die uit een oogpunt van vakbekwaamheid en prestatievermogen aan de hoogste eisen voldoen overeenkomstig artikel 27 van het Statuut, in de tweede plaats om overeenkomstig artikel 5 van bijlage III bij het Statuut de beoordeling, van geval tot geval, of de overgelegde diploma’s of de vermelde beroepservaring van elke sollicitant van het niveau zijn dat het Statuut en de aankondiging van vergelijkend onderzoek verlangen, voor te behouden aan een onafhankelijke jury, en in de derde plaats om te komen tot een coherente en objectieve selectie van kandidaten (arrest van 16 september 2013, Glantenay e.a./Commissie, F‑23/12 en F‑30/12, EU:F:2013:127, punt 70).
63
Verzoeker stelt in wezen dat de omstandigheid dat sollicitanten na verificatie van de toelatingsvoorwaarden worden uitgesloten zonder dat hun sollicitatie is beoordeeld op basis van de informatie die zij in de rubriek „Talentfilter” van hun sollicitatieformulier hebben verstrekt, in strijd is met de artikelen 27 en 29 van het Statuut, met artikel 5 van bijlage III bij het Statuut en met de AUB algemene vergelijkende onderzoeken.
64
Voor verzoeker volgt de onwettigheid van de aankondiging van het vergelijkend onderzoek dus uit het feit dat de sollicitanten in een prematuur stadium worden uitgesloten, zonder dat hun sollicitatie aan de hand van de te vervullen post volledig en concreet is onderzocht.
65
Om te beginnen moet worden opgemerkt dat er een tegenstrijdigheid is tussen het betoog dat verzoeker in het kader van het derde middel heeft ontwikkeld en het hierna uiteengezette betoog over de eerste grief van het tweede middel, dat is ontleend aan een kennelijk onjuiste beoordeling. In het kader van dat laatste middel verwijt hij de jury van het vergelijkend onderzoek juist dat zij zich niet heeft beperkt tot een abstracte controle van de minimumvoorwaarden voor toelating en dat zij het onderzoek van de relevantie van zijn ervaring voor de te vervullen post niet heeft uitgesteld tot een latere fase.
66
Voorts moet worden nagegaan of de duidelijke scheiding in punt 2 van de aankondiging van het vergelijkend onderzoek, in de rubriek „Hoe verloopt de selectieprocedure?”, tussen de fase van toelating en die van de selectie op basis van kwalificaties, in strijd is met het Statuut en met de AUB algemene vergelijkende onderzoeken.
67
Ten eerste moet worden vastgesteld dat, zoals verzoeker opmerkt, uit punt 2.4 van de AUB algemene vergelijkende onderzoeken weliswaar blijkt dat de tweede fase „uitsluitend op basis van de antwoorden in het onderdeel ‚talent screener’ van het elektronische sollicitatieformulier [wordt] uitgevoerd”, doch dat uit dit punt ook blijkt dat „[d]e selectie op basis van kwalificaties plaats[vindt] nadat werd gecontroleerd of u voldoet aan de toelatingsvoorwaarden op basis van de informatie in het elektronische sollicitatieformulier” en dat „[d]e jury alleen de kwalificaties [beoordeelt] van de kandidaten die voldoen aan alle voorwaarden om in aanmerking te komen”.
68
Ten tweede moet worden vastgesteld dat de uitsluiting van sollicitanten na afloop van de fase van verificatie van de toelatingsvoorwaarden uitdrukkelijk is voorzien in de procedure voor een vergelijkend onderzoek zoals deze volgt uit artikel 5, eerste alinea, van bijlage III bij het Statuut, dat bepaalt dat de jury „[n]a kennisneming van [de] [sollicitatie]dossiers de lijst vast[stelt] van de sollicitanten die voldoen aan de voorwaarden, omschreven in de aankondiging van het vergelijkend onderzoek”, en uit artikel 5, vierde alinea, van die bijlage, volgens hetwelk bij een vergelijkend onderzoek op de grondslag van zowel schriftelijke bewijsstukken als een examen, zoals in casu het geval was, „de jury [bepaalt] welke sollicitanten uit deze lijst tot het examen worden toegelaten”.
69
Voorts moet worden opgemerkt dat het door verzoeker genoemde artikel 5, derde alinea, van bijlage III bij het Statuut vergelijkende onderzoeken op de grondslag van schriftelijke bewijsstukken betreft en dus niet geldt voor het betrokken vergelijkend onderzoek, dat op de grondslag van schriftelijke bewijsstukken en een examen was. In elk geval schrijft deze door verzoeker genoemde bepaling alleen voor dat de jury alleen de bewijsstukken onderzoekt „van de sollicitanten die op de in de eerste alinea bedoelde lijst zijn geplaatst”, dat wil zeggen de lijst van kandidaten die voldoen aan de toelatingsvoorwaarden zoals omschreven in de aankondiging van het vergelijkend onderzoek.
70
Uit de bepalingen van artikel 5 van bijlage III bij het Statuut en van punt 2.4 van de AUB algemene vergelijkende onderzoeken volgt dus dat de tweede fase alleen de kandidaten betreft die aan de toelatingsvoorwaarden voldoen. Op grond van de toepasselijke bepalingen is het dus zo dat de aankondiging van het vergelijkend onderzoek niet alleen kón, maar ook móest voorzien in een voorafgaande controle van de toelatingsvoorwaarden voordat de jury van het vergelijkend onderzoek de kwalificaties onderzocht.
71
Verzoeker voert geen argumenten aan ten bewijze van het feit dat het TABG, hoewel het de voorwaarden heeft geëerbiedigd die zijn opgenomen in de bovengenoemde bepalingen van bijlage III bij het Statuut en van de AUB algemene vergelijkende onderzoeken, toch de meer algemene voorschriften van de artikelen 27 en 29 van het Statuut heeft geschonden. In elk geval werpt hij niet, ook niet subsidiair, een exceptie van onwettigheid op van punt 2.4 van de AUB algemene vergelijkende onderzoeken en van artikel 5 van bijlage III bij het Statuut, met name gelet op die artikelen van het Statuut.
72
Onder deze omstandigheden moet het derde middel, dat is ontleend aan de onwettigheid van de aankondiging van het vergelijkend onderzoek, in zijn geheel worden afgewezen.
Tweede middel: kennelijk onjuiste beoordeling
73
Het tweede middel omvat twee grieven.
74
De eerste grief houdt in dat de jury van het vergelijkend onderzoek zich in de fase van verificatie of aan de toelatingsvoorwaarden was voldaan niet ertoe heeft beperkt, na te gaan of verzoeker voldeed aan de voorwaarde van werkervaring op het gebied van het vergelijkend onderzoek, maar eveneens heeft beoordeeld of die werkervaring adequaat was voor de te vervullen post, hetgeen volgens hem uitsluitend in de latere fase van de selectie op basis van kwalificaties had moeten geschieden.
75
Met zijn tweede grief verwijt hij de jury van het vergelijkend onderzoek dat zij de ervaring die was omschreven in „[i]nvoer 1” van verzoekers sollicitatieformulier, niet heeft aangemerkt als ervaring „op het gebied van het vergelijkend onderzoek”.
76
De Commissie betwist verzoekers argumenten.
Eerste grief
77
Verzoeker stelt in wezen dat de jury van het vergelijkend onderzoek een beoordelingsfout heeft gemaakt door voor wat het voorwerp van haar controle betreft geen onderscheid te maken tussen de eerste fase – die van de toelating – en de tweede – die van de selectie op basis van kwalificaties. In de eerste fase had de jury slechts moeten nagaan of zijn werkervaring onder het gebied van het vergelijkend onderzoek viel. Pas in de tweede fase diende de jury te onderzoeken of de werkervaring van de kandidaten adequaat was voor de te vervullen post, en wel op basis van de informatie in de rubriek „Talentfilter” van het sollicitatieformulier. De jury van het vergelijkend onderzoek heeft die twee fasen door elkaar gehaald door reeds in de eerste fase te onderzoeken of zijn ervaring adequaat was voor de te vervullen post.
78
Om te beginnen moet worden opgemerkt dat verzoekers lezing van de aankondiging van het vergelijkend onderzoek, die overigens ook de lezing van de Commissie is, juist is.
79
De aankondiging van het vergelijkend onderzoek bevat immers een rubriek „Hoe verloopt de selectieprocedure?”, waarvan punt 2, „Selectie op basis van kwalificaties”, luidt:
„Ten eerste wordt op basis van de gegevens in het onlinesollicitatieformulier gecontroleerd of u voldoet aan de voorwaarden.
[...]
Vervolgens wordt voor de aldus geselecteerde kandidaten de selectie op basis van kwalificaties uitgevoerd op basis van de informatie die is verstrekt in de rubriek ‚Talent Screener/Evaluateur de talent/Talentfilter’. De jury kent aan elk selectiecriterium een gewicht toe (1, 2 of 3) naargelang van het belang dat de jury aan dat criterium hecht. Voor elk antwoord van de kandidaat wordt een score tussen 0 en 4 punten toegekend.
Deze score wordt vervolgens vermenigvuldigd met het gewicht van het desbetreffende criterium en deze uitkomsten worden opgeteld tot de totaalscore. Het profiel van degenen met de hoogste totaalscore sluit het beste aan bij de uit te voeren taken.”
80
Uit punt 2 van de aankondiging van het vergelijkend onderzoek volgt duidelijk dat de omschrijving van de fase van verificatie van de toelatingsvoorwaarden, welke wordt ingeleid met de woorden „ten eerste”, voorafgaat aan de fase van de selectie op basis van kwalificaties, welke wordt ingeleid met het woord „vervolgens”. Het lijdt voorts geen enkele twijfel dat de kandidaten die niet aan de toelatingsvoorwaarden voldoen en die dus worden geacht niet in aanmerking te komen, niet worden toegelaten tot de fase van de selectie op basis van kwalificaties.
81
Het is juist dat, zoals verzoeker opmerkt en de Commissie toegeeft, het opschrift van punt 2, namelijk „Selectie op basis van kwalificaties”, voor verwarring zorgt door de indruk te wekken dat dit punt alleen de fase van de selectie op basis van kwalificaties betreft. Uit de inhoud ervan blijkt echter expliciet dat de fase van de selectie op basis van kwalificaties volgt op de fase van de toelating, en dat elk van die fasen op een speciale wijze door de jury van het vergelijkend onderzoek wordt gecontroleerd. In de fase van de toelating moet de jury nagaan of is voldaan aan de toelatingsvoorwaarden van de rubriek „Aan welke voorwaarden moet ik voldoen?” en, in casu, of de werkervaring van de sollicitanten betrekking heeft op het gebied van het vergelijkend onderzoek. In het kader van de fase van de selectie op basis van kwalificaties en uitsluitend voor de kandidaten die aan de toelatingsvoorwaarden voldoen, selecteert de jury de kandidaten op basis van de informatie die zij hebben verstrekt in de rubriek „Talentfilter” van hun sollicitatieformulier.
82
Partijen zijn het dus eens over de uitlegging van de aankondiging van het vergelijkend onderzoek en met name over het bestaan van een onderscheid tussen de fase van de verificatie van de toelatingsvoorwaarden en die van de selectie op basis van kwalificaties, waarbij de tweede fase alleen geldt voor kandidaten die met succes door de eerste fase zijn gekomen.
83
Verzoeker verwijt de jury van het vergelijkend onderzoek echter dat zij in het kader van de eerste fase, dat wil zeggen die van de toelating, heeft gecontroleerd of zijn werkervaring adequaat is voor de te vervullen post, hetgeen volgens hem in de tweede fase moet gebeuren, namelijk die van de selectie op basis van kwalificaties.
84
Dienaangaande moet er allereerst aan worden herinnerd dat de jury van het vergelijkend onderzoek in de eerste fase met name moest nagaan of de kandidaten voldeden aan de bijzondere voorwaarden zoals genoemd in de rubriek „Aan welke voorwaarden moet ik voldoen?”, namelijk die van de kwalificaties en de werkervaring. Volgens die voorwaarden dienden de sollicitanten in het bezit te zijn van:
„een diploma van een voltooide universitaire opleiding van ten minste vier jaar, gevolgd door ten minste zes jaar werkervaring op het gebied van het vergelijkend onderzoek
of
een diploma van een voltooide universitaire opleiding van ten minste drie jaar, gevolgd door ten minste zeven jaar werkervaring op het gebied van het vergelijkend onderzoek”.
85
De jury van het vergelijkend onderzoek diende dus na te gaan of de kandidaten met name beschikten over een werkervaring (naargelang het geval van zes of zeven jaar) „op het gebied van het vergelijkend onderzoek”, dat in de titel van het vergelijkend onderzoek wordt omschreven als „Ontwikkelingssamenwerking en beheer van hulp aan niet EU-landen”.
86
Zoals blijkt uit het besluit tot afwijzing van de klacht van 10 juni 2016 en uit het bij het verweerschrift gevoegde beoordelingsformulier van verzoekers kwalificaties, heeft de jury van het vergelijkend onderzoek zich op het standpunt gesteld dat verzoeker niet voldeed aan de voorwaarde van een ervaring van ten minste zes jaar op het gebied van het vergelijkend onderzoek, gelet op de aard van de in bijlage I bij de aankondiging van het vergelijkend onderzoek omschreven taken. Om na te gaan of verzoekers werkervaring betrekking had „op het gebied van het vergelijkend onderzoek”, heeft de jury zich dus gebaseerd op de taken van de te vervullen post, zoals omschreven in bijlage I bij de aankondiging van het vergelijkend onderzoek.
87
In het kader van de eerste fase mocht de jury van het vergelijkend onderzoek dus weliswaar alleen nagaan of verzoekers ervaring een ervaring op het gebied van het vergelijkend onderzoek was, doch om dat te doen moest zij de door hem uitgeoefende werkzaamheden zoals uiteengezet in zijn sollicitatieformulier, vergelijken met de taken van de te vervullen post. Deze werkwijze wordt overigens uitdrukkelijk vermeld in punt 1.3 van de door verzoeker genoemde AUB algemene vergelijkende onderzoeken, waaruit blijkt:
„Werkervaring wordt alleen meegeteld voor zover deze verband houdt met de aard van de functie, zoals beschreven in de aankondiging van het vergelijkend onderzoek waarvoor u zich inschrijft.
[...]
Noot: indien volgens de aankondiging van vergelijkend onderzoek werkervaring is vereist op het gebied van het vergelijkend onderzoek, worden de elementen van uw werkervaring [...], slechts in aanmerking genomen indien deze relevant zijn voor dat gebied.
Het is belangrijk dat u de aard van de verrichte werkzaamheden zo precies mogelijk beschrijft op uw sollicitatieformulier, zodat de jury kan beoordelen hoe relevant uw ervaring is voor de functie.”
88
Deze werkwijze van de jury van het vergelijkend onderzoek is eveneens in overeenstemming met de vaste rechtspraak dat de toelatingsvoorwaarden moeten worden uitgelegd tegen de achtergrond van het doel van het betrokken vergelijkend onderzoek zoals dat uit de functieomschrijving van de te vervullen posten volgt, zodat het gedeelte over de aard van de functies en dat over de toelatingsvoorwaarden van de betrokken aankondiging van vergelijkend onderzoek samen moeten worden beschouwd (zie in die zin arrest van 14 juli 2000, Teixeira Neves/Hof van Justitie, T‑146/99, EU:T:2000:194, punt 34en aldaar aangehaalde rechtspraak).
89
Door de werkzaamheden zoals de kandidaat die heeft omschreven in de rubriek „Talentfilter” van zijn sollicitatieformulier te vergelijken met de taken van de te vervullen post zoals die zijn omschreven in bijlage I bij de aankondiging van het vergelijkend onderzoek, heeft de jury, anders dan verzoeker stelt, niet beoordeeld of zijn werkervaring adequaat was voor de te vervullen post. Die beoordeling dient te geschieden in de fase van de selectie op basis van de kwalificaties die vervolgens plaatsvindt. Zoals blijkt uit punt 2 van de aankondiging van het vergelijkend onderzoek selecteert de jury in die tweede fase de kandidaten die door de eerste fase zijn gekomen, door rekening te houden met de informatie die zij in de rubriek „Talentfilter” van hun sollicitatieformulier hebben gegeven en met de selectiecriteria zoals vermeld in bijlage III bij de aankondiging van het vergelijkend onderzoek. In het kader van die tweede fase bepaalt de jury, zoals aangegeven in punt 2 van de aankondiging van het vergelijkend onderzoek, „[h]et profiel van degenen [dat] het beste aan[sluit] bij de uit te voeren taken”.
90
Voorts moet worden vastgesteld dat verzoeker slechts stelt dat de jury van het vergelijkend onderzoek in het kader van de toelatingsfase rekening heeft gehouden met de informatie in de rubriek „Talentfilter” van het sollicitatieformulier, en dus met de selectiecriteria zoals genoemd in bijlage III bij de aankondiging van het vergelijkend onderzoek, doch dat hij geen begin van een bewijs daarvoor aanvoert.
91
Hieruit volgt dat verzoekers eerste grief berust op een verwisseling van het voorwerp van controle van de jury van het vergelijkend onderzoek, die, anders dan verzoeker stelt, in het kader van de eerste fase niet heeft gecontroleerd of zijn werkervaring adequaat was voor de te vervullen post aan de hand van de selectiecriteria van bijlage III bij de aankondiging van het vergelijkend onderzoek, doch slechts heeft nagegaan of zijn ervaring betrekking had op het gebied van het vergelijkend onderzoek door de in zijn sollicitatieformulier genoemde ervaring te vergelijken met de taken zoals omschreven in bijlage I bij de aankondiging van het vergelijkend onderzoek.
92
Gelet op de voorgaande overwegingen moet de eerste grief worden afgewezen.
Tweede grief
93
Om te beginnen zij eraan herinnerd dat de jury van het vergelijkend onderzoek volgens het besluit tot afwijzing van de klacht van 10 juni 2016 en het bij het verweerschrift gevoegde beoordelingsformulier van verzoekers kwalificaties niet van mening was, dat zijn werkervaring zoals omschreven in „[i]nvoer 1” van zijn sollicitatieformulier „rechtstreeks verband hield met ‚het gebied van het vergelijkend onderzoek’, namelijk de ontwikkelingssamenwerking en het beheer van hulp aan niet EU-landen”.
94
Met zijn tweede grief betwist verzoeker deze beoordeling van de jury van het vergelijkend onderzoek. Hij uit met name kritiek op het verschil in beoordeling dat de jury heeft gemaakt tussen de ervaring zoals omschreven in „[i]nvoer 1” en die zoals omschreven in „[i]nvoer 2” van zijn sollicitatieformulier.
95
Er moet dus worden nagegaan of de jury van het vergelijkend onderzoek een kennelijke beoordelingsfout heeft gemaakt door vast te stellen dat verzoekers werkervaring zoals omschreven in „[i]nvoer 1” van zijn sollicitatieformulier geen betrekking had op het gebied van het vergelijkend onderzoek.
96
Dienaangaande zij er allereerst aan herinnerd dat de jury gebonden is aan de tekst van de aankondiging van het vergelijkend onderzoek zoals die is bekendgemaakt. De aankondiging van vergelijkend onderzoek heeft immers voornamelijk tot doel, de belangstellenden zo nauwkeurig mogelijk in te lichten over de voor de betrokken post gestelde voorwaarden, zodat zij enerzijds kunnen beoordelen of het voor hen zin heeft te solliciteren, en anderzijds welke bewijsstukken voor de werkzaamheden van de jury van belang zijn en dus bij het sollicitatieformulier moeten worden gevoegd (zie in die zin beschikking van 3 april 2001, Zaur-Gora en Dubigh/Commissie, T‑95/00 en T‑96/00, EU:T:2001:114, punt 47, en arrest van 13 september 2010, Spanje/Commissie, T‑156/07 en T‑232/07, niet gepubliceerd, EU:T:2010:392, punt 87).
97
Wat meer in het bijzonder een toelatingsvoorwaarde inzake de werkervaring betreft, is geoordeeld dat het doel van de aankondiging van het vergelijkend onderzoek, namelijk „de belanghebbenden zo exact mogelijk te informeren”, zich niet ertegen verzet dat de jury van geval tot geval mag beoordelen of de door een kandidaat vermelde werkervaring overeenkomt met het door de aankondiging van het vergelijkend onderzoek vereiste niveau (zie in die zin arresten van 12 juli 1989, Belardinelli e.a./Hof van Justitie, 225/87, EU:C:1989:309, punt 13, en 25 maart 2004, Petrich/Commissie, T‑145/02, EU:T:2004:91, punt 37).
98
In het kader van de statutaire bepalingen betreffende de procedures voor vergelijkende onderzoeken beschikt de jury ter zake over een ruime beoordelingsbevoegdheid, zowel met betrekking tot de aard en de duur van de vroegere werkervaring van de kandidaten als met betrekking tot het nauwe of minder nauwe verband van die werkervaring met de eisen van de post waarin moet worden voorzien. In het kader van zijn wettigheidstoetsing moet het Gerecht zich dus ertoe beperken, te onderzoeken of bij de uitoefening van die bevoegdheid geen kennelijke fout is gemaakt (zie in die zin arresten van 13 december 1990, Gonzalez Holguera/Parlement, T‑115/89, EU:T:1990:84, punt 54, en 30 juni 2005, Eppe/Parlement, T‑439/03, niet gepubliceerd, EU:T:2005:266, punt 36).
99
Bij die toetsing moet de Unierechter er rekening mee houden dat een kandidaat voor een vergelijkend onderzoek in beginsel en volgens vaste rechtspraak de jury alle informatie en stukken moet geven die hij nuttig acht met het oog op het onderzoek van zijn sollicitatie, zodat de jury kan nagaan of hij aan de voorwaarden van de aankondiging van het vergelijkend onderzoek voldoet, en dit temeer wanneer daar uitdrukkelijk en formeel om is verzocht (zie in die zin arresten van 12 juli 1989, Belardinelli e.a./Hof van Justitie, 225/87, EU:C:1989:309, punt 24, en 20 juni 1990, Burban/Parlement, T‑133/89, EU:T:1990:36, punten 31 en 34). Wanneer de jury zich erover uitspreekt of kandidaten al dan niet zijn toegelaten tot deelneming, mag zij haar onderzoek dus beperken tot de sollicitatieformulieren en de daarbij gevoegde stukken (zie in die zin arresten van 13 maart 2002, Martínez Alarcón/Commissie, T‑357/00, T‑361/00, T‑363/00 en T‑364/00, EU:T:2002:66, punt 76, en 28 november 2002, Pujals Gomis/Commissie, T‑332/01, EU:T:2002:289, punten 42‑44).
100
In het kader van het onderhavige geding moet bovendien worden gepreciseerd dat, gelet op de ruime beoordelingsbevoegdheid waarover de jury van een vergelijkend onderzoek beschikt, de vaststelling dat zij bij de beoordeling van de feiten een kennelijke fout heeft gemaakt die de nietigverklaring van het genomen besluit rechtvaardigt, veronderstelt dat de door de verzoekende partij aan te dragen bewijselementen afdoende zijn om de beoordelingen van de administratie hun plausibiliteit te ontnemen (zie in die zin arrest van 24 april 2013, Demeneix/Commissie, F‑96/12, EU:F:2013:52, punt 45, en beschikking van 12 april 2016, Beiner/Commissie, F‑135/15, EU:F:2016:77, punt 38).
101
Zoals uit de punten 87 en 88 hierboven blijkt, moeten de toelatingsvoorwaarden worden uitgelegd tegen de achtergrond van de doelstellingen van het betrokken vergelijkend onderzoek zoals deze blijken uit de omschrijving van de taken van de te vervullen posten, zodat het gedeelte over de aard van de taken en dat over de toelatingsvoorwaarden van de aankondiging van het vergelijkend onderzoek gezamenlijk moeten worden beschouwd.
102
In casu vermeldt bijlage I bij de aankondiging van het vergelijkend onderzoek, die de taken van de te vervullen post omschrijft, dat de administrateurs taken moeten uitvoeren op het gebied van de ontwikkelingssamenwerking, zoals met name „bijdragen aan het analyseren van ontwikkelingsgerelateerde vraagstukken en beleidslijnen, uitwerken van nationaal en regionaal ontwikkelingsbeleid [...] en beleidsdialogen met partners en belanghebbenden”, „deelnemen aan het identificeren en formuleren van projecten en programma’s voor ontwikkelingssamenwerking”, „deelnemen aan het operationeel beheer van projecten en programma’s voor ontwikkelingssamenwerking, waaronder het opstellen van mandaten, aanbestedingsprocedures, sluiting van contracten en toezicht op de uitvoering van contracten”, „deelnemen aan het operationeel beheer van programma’s voor begrotingssteun in het kader van ontwikkelingssamenwerking”, „toezicht houden op en evalueren van projecten en programma’s voor ontwikkelingssamenwerking” en „contacten onderhouden met alle betrokkenen, zoals regeringen, internationale en regionale organisaties, lidstaten en maatschappelijke organisaties op het gebied van ontwikkelingssamenwerking”.
103
In „[i]nvoer 1” van verzoekers sollicitatieformulier, betreffende zijn werkervaring voor de periode van 1 oktober 2012 tot 8 mei 2015, wordt het soort ervaring omschreven als „public relations” en de door hem verrichte werkzaamheden als: „Samenwerking met gekozen en niet-gekozen vertegenwoordigers, parlementaire gezagsdragers, internationale organisaties, nationale en internationale niet-gouvernementele organisaties en de leden van maatschappelijke organisaties over activiteiten op het gebied van parlementaire belangenbehartiging die de ontwikkeling en uitvoering van het beleid ondersteunen. Ontwikkeling, ontwerp en beheer van projectvoorstellen, verspreiding van parlementair belangenbehartigingsmateriaal (tweetalige nieuwsbrief, handleidingen, informatiebulletins) en hulp aan parlementaire initiatieven (hoorzittingen, rondetafelgesprekken, amendementen, vragen, toespraken, brieven, opinieartikelen)”.
104
In de rubriek „Type of sector van activiteit” van „[i]nvoer 1” wordt gespecificeerd dat het gaat om „public relations en consultancy in belangenbehartiging op het gebied van bevolkings‑ en ontwikkelingskwesties”.
105
De in „[i]nvoer 1” opgegeven sector van activiteit verwijst dus naar bevolkings‑ en ontwikkelingskwesties waarvan niet wordt betwist dat zij verband houden met het gebied van het vergelijkend onderzoek, dat betrekking heeft op de ontwikkelingssamenwerking en het beheer van hulp aan niet EU-landen.
106
Tegelijkertijd en zoals de Commissie opmerkt, waren de in „[i]nvoer 1” omschreven taken consultancywerkzaamheden ter ondersteuning van „activiteiten op het gebied van parlementaire belangenbehartiging”. Bovendien verwijzen de rubrieken „Soort ervaring” en „Type of sector van activiteit”, aan de hand waarvan de omschrijving van de taken moet worden gelezen, naar werkzaamheden hetzij op het gebied van „public relations” hetzij op het gebied van „public relations en consultancy in belangenbehartiging (advocacy)”.
107
Overeenkomstig de in punten 87 en 88 hierboven in herinnering gebrachte beginselen moeten die taken worden bezien tegen de achtergrond van de werkzaamheden van de te vervullen post zoals omschreven in bijlage I bij de aankondiging van het vergelijkend onderzoek, die met name bestaan in het uitdenken en het verzekeren van het operationeel beheer en in het volgen en evalueren van ontwikkelingssamenwerkingsprogramma’s of begrotingssteun voor dergelijke samenwerkingsprogramma’s.
108
De door verzoeker in „[i]nvoer 1” opgegeven taken konden door de jury echter aldus worden opgevat dat zij geen verantwoordelijkheden inhielden bij de operationele uitvoering van een programma voor samenwerking of begrotingssteun. De jury, die met name over een ruime beoordelingsmarge beschikt bij de vraag of de ervaring van de kandidaat een nauw of minder nauw verband kan hebben met de eisen van de te vervullen post, mocht zich dus op het standpunt stellen dat de aldus door verzoeker omschreven taken anders waren dan de in bijlage I bij de aankondiging van het vergelijkend onderzoek omschreven taken.
109
De jury heeft dus niet blijk gegeven van een kennelijk onjuiste beoordeling door vast te stellen dat de in „[i]nvoer 1” opgegeven ervaring geen verband hield met het gebied van het vergelijkend onderzoek en de doelstellingen ervan, zoals deze volgen uit de omschrijving van de werkzaamheden van de te vervullen post.
110
Geen van de andere door verzoeker aangevoerde argumenten kan afdoen aan deze vaststelling. Wat zijn betoog betreft, ontleend aan de vermeende incoherentie bij de beoordeling van „[i]nvoer 1” en „[i]nvoer 2” van zijn sollicitatieformulier, moet allereerst worden opgemerkt dat verzoeker zelf erkent dat de in „[i]nvoer 1” en „[i]nvoer 2” omschreven werkzaamheden niet op dezelfde wijze zijn geformuleerd. Voorts stelt hij dat de in „[i]nvoer 1” en „[i]nvoer 2” omschreven werkzaamheden ten behoeve van een organisatie zijn verricht, namelijk EPF, hetgeen op geen enkele wijze uit het sollicitatieformulier blijkt. In repliek voert hij aan dat de in de beide invoervelden omschreven werkzaamheden alle betrekking hadden op het beleid inzake de ontwikkelingssamenwerking en het beheer van hulp aan niet EU-landen, zonder echter bewijs voor die stellingen aan te voeren. Bovendien stelt hij, wederom zonder bewijs, dat de in de beide invoervelden omschreven werkzaamheden alle thematische activiteiten hadden meegebracht in ontwikkelingslanden die partner van de Unie zijn, en publicaties op het gebied van de ontwikkelingssamenwerking die specifiek betrekking hadden op bevolkingsproblemen.
111
Aangaande verzoekers argument dat de jury van het vergelijkend onderzoek ten onrechte rekening heeft gehouden met zijn positie als zelfstandige bij de uitoefening van zijn in „[i]nvoer 1” van het sollicitatieformulier omschreven activiteiten, moet worden opgemerkt dat uit geen enkel jurybesluit noch uit het besluit tot afwijzing van de klacht van 10 juni 2016 blijkt dat de in „[i]nvoer 1” omschreven activiteiten niet onder het gebied van het vergelijkend onderzoek vielen, op grond dat verzoeker deze als zelfstandig consultant en niet als werknemer zou hebben uitgeoefend.
112
Met betrekking tot verzoekers argumenten ontleend aan de informatie in de rubriek „Talentfilter” van zijn sollicitatieformulier, moet eraan worden herinnerd dat de jury van het vergelijkend onderzoek in de fase van verificatie van de toelatingsvoorwaarden niet gehouden was om rekening te houden met de in die rubriek opgenomen informatie (zie in die zin beschikking van 12 april 2016, Beiner/Commissie, F‑135/15, EU:F:2016:77, punt 47). Zoals immers reeds gezegd, blijkt uit punt 2 van de rubriek „Hoe verloopt de selectieprocedure?” van de aankondiging van het vergelijkend onderzoek dat de selectie op basis van kwalificaties aan de hand van de informatie die de kandidaten in de rubriek „Talentfilter” van het sollicitatieformulier hadden verstrekt, „vervolgens” plaatsvond en uitsluitend voor de toegelaten sollicitanten. Op dit punt moet er voorts op worden gewezen dat verzoeker zichzelf tegenspreekt, aangezien hij in het kader van de eerste grief van het derde middel zelf stelt dat de jury in de eerste fase van toelating geen rekening mag houden met de informatie in de rubriek „Talentfilter” van zijn sollicitatieformulier.
113
Gelet op de voorgaande overwegingen moet de tweede grief en derhalve het gehele tweede middel, ontleend aan een kennelijk onjuiste beoordeling, worden afgewezen.
Vierde middel: schending van het beginsel van gelijke behandeling
114
Verzoeker stelt dat de verkeerde uitlegging van de aankondiging van het vergelijkend onderzoek door de jury en het daaruit volgende jurybesluit van 5 november 2015 tot een verschil in behandeling van kandidaten hebben geleid, en met name van hem, wiens werkervaring niet is onderzocht aan de hand van de informatie in de rubriek „Talentfilter” van zijn sollicitatieformulier, en kandidaten wier ervaring en andere kwalificaties wel vergelijkend zijn onderzocht.
115
Hij betoogt dat niet alleen de relevantie van de kwalificaties van de andere kandidaten is onderzocht, hetgeen bij hem niet is geschied, maar eveneens dat de totaalscore die hij had kunnen krijgen indien de relevantie van al zijn kwalificaties was onderzocht, gelijk aan of hoger zou zijn geweest dan de totaalscore van de andere sollicitanten.
116
Dit verschil in behandeling is niet gerechtvaardigd. Doordat hij ten onrechte en anders dan de andere toegelaten kandidaten zelfs vóór de selectie op basis van kwalificaties aan de hand van de informatie in de rubriek „Talentfilter” van zijn sollicitatieformulier ten onrechte is uitgesloten van het vergelijkend onderzoek, heeft de jury hem op „onregelmatige wijze gediscrimineerd” op basis van de eveneens onregelmatige verificatie van de toelatingsvoorwaarden, naast de kennelijk onjuiste beoordeling en de schending van de regels en procedures voor de selectie op basis van kwalificaties.
117
De Commissie betwist verzoekers argumenten.
118
Volgens de rechtspraak vereist het beginsel van gelijke behandeling, als algemeen beginsel van het Unierecht, dat vergelijkbare situaties niet verschillend en verschillende situaties niet gelijk mogen worden behandeld, tenzij een dergelijke behandeling objectief gerechtvaardigd is (zie in die zin arresten van 11 september 2007, Lindorfer/Raad, C‑227/04 P, EU:C:2007:490, punt 63, en 17 juli 2008, Campoli/Commissie, C‑71/07 P, EU:C:2008:424, punt 50).
119
Met betrekking tot een materie waarvoor een discretionaire bevoegdheid bestaat, wordt dit beginsel geschonden wanneer de betrokken instelling een onderscheid maakt dat op willekeur berust of kennelijk ongeschikt is ter bereiking van het doel van de regeling (zie in die zin arresten van 8 januari 2003, Hirsch e.a./ECB, T‑94/01, T‑152/01 en T‑286/01, EU:T:2003:3, punt 51; 8 november 2006, Chetcuti/Commissie, T‑357/04, EU:T:2006:339, punt 54, en 29 november 2006, Campoli/Commissie, T‑135/05, EU:T:2006:366, punten 95‑97).
120
Zoals reeds gezegd, maakt de aankondiging van het vergelijkend onderzoek in casu onderscheid tussen de fase van verificatie van de toelatingsvoorwaarden en die van de selectie op basis van de kwalificaties, waarbij die laatste fase alleen geldt voor kandidaten die na de vorige fase zijn toegelaten.
121
Uit de in de punten 43 tot en met 72 hierboven uiteengezette overwegingen over het derde middel, ontleend aan de onwettigheid van de aankondiging van het vergelijkend onderzoek, blijkt dat dit door de aankondiging van het vergelijkend onderzoek gemaakte onderscheid niet onwettig is.
122
Uit de overwegingen in de punten 73 tot en met 113 hierboven blijkt eveneens dat de jury van het vergelijkend onderzoek verzoekers sollicitatie op grond van de aankondiging van het vergelijkend onderzoek en zonder blijk te geven van een onjuiste beoordeling, heeft afgewezen na afloop van de toelatingsfase.
123
Verzoeker kan zijn situatie derhalve niet vergelijken met die van de toegelaten kandidaten, wier sollicitatie is onderzocht in de tweede fase van de selectie op basis van kwalificaties en die zich derhalve niet in dezelfde situatie bevonden als hij.
124
Hieruit volgt dat het vierde middel, ontleend aan schending van het beginsel van gelijke behandeling, moet worden afgewezen.
125
Uit de voorgaande overwegingen volgt dat het beroep moet worden verworpen.
Kosten
126
Volgens artikel 134, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij verwezen in de kosten, voor zover dat is gevorderd. Aangezien verzoeker in het ongelijk is gesteld, dient hij overeenkomstig de vordering van de Commissie te worden verwezen in de kosten.
HET GERECHT (Vierde kamer),
rechtdoende, verklaart:
1)
Het beroep wordt verworpen.
2)
Vincent Villeneuve wordt verwezen in de kosten.
Kanninen
Schwarcz
Iliopoulos
Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 5 september 2018.
ondertekeningen
( *1 ) Procestaal: Frans.
Full & Egal Universal Law Academy