ARREST VAN HET GERECHT (Kamer voor hogere voorzieningen)
18 september 2018 ( *1 )
„Hogere voorziening – Openbare dienst – Arbeidscontractanten – Pensioenen – Overdracht naar de pensioenregeling van de Unie van pensioenrechten die eerder krachtens nationale regelingen zijn verworven – Schade als gevolg van de vermeende ontoereikendheid van de informatie die het TAOBG bij de toezending van de hen betreffende voorstellen voor extra pensioenjaren aan rekwiranten heeft verstrekt – Verwerping van het beroep tot schadevergoeding in eerste aanleg – Artikel 77, vierde alinea, van het Statuut – Materiële schade”
In zaak T‑702/16 P,
betreffende een hogere voorziening tegen het arrest van het Gerecht voor ambtenarenzaken van de Europese Unie (Derde kamer) van 20 juli 2016, Barroso Truta e.a./Hof van Justitie van de Europese Unie (F‑126/15, EU:F:2016:159), strekkende tot vernietiging van dit arrest,
José Barroso Truta, arbeidscontractant bij het Hof van Justitie van de Europese Unie, wonende te Bofferdange (Luxemburg),
Marc Forli, arbeidscontractant bij het Hof van Justitie van de Europese Unie, wonende te Lexy (Frankrijk),
Calogero Galante, arbeidscontractant bij het Hof van Justitie van de Europese Unie, wonende te Aix-sur-Cloie (België),
Bernard Gradel, arbeidscontractant bij het Hof van Justitie van de Europese Unie, wonende te Konacker (Frankrijk),
vertegenwoordigd door S. Orlandi en T. Martin, advocaten,
rekwiranten,
tegen
Hof van Justitie van de Europese Unie, vertegenwoordigd door J. Inghelram en Á. Almendros Manzano als gemachtigden,
verweerder in eerste aanleg,
wijst
HET GERECHT (Kamer voor hogere voorzieningen),
samengesteld als volgt: M. van der Woude, president, H. Kanninen en D. Gratsias (rapporteur), rechters,
griffier: G. Predonzani, administrateur,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 9 februari 2018,
het navolgende
Arrest
1
De hogere voorziening van de rekwiranten José Barroso Truta, Marc Forli, Calogero Galante en Bernard Gradel, arbeidscontractanten in de functiegroep I, die voor onbepaalde tijd in dienst zijn genomen en tewerkgesteld bij het directoraat-generaal (DG) Administratie van het Hof van Justitie van de Europese Unie, voorheen genaamd DG Infrastructuur, strekt tot vernietiging van het arrest van het Gerecht voor ambtenarenzaken (Derde kamer) van 20 juli 2016, Barroso Truta e.a./Hof van Justitie van de Europese Unie (F‑126/15, EU:F:2016:159; hierna: „bestreden arrest”). In dit arrest heeft het Gerecht voor ambtenarenzaken hun beroep verworpen, strekkende tot veroordeling van het Hof van Justitie van de Europese Unie tot vergoeding van de schade die zij hebben geleden als gevolg van het verlies van de pensioenrechten die zij vóór hun indiensttreding bij deze instelling krachtens nationale regelingen hadden verworven en naar de pensioenregeling van de Europese Unie hebben overgedragen.
Toepasselijke bepalingen en feiten van het geding
Toepasselijke bepalingen
2
Hoofdstuk 3 van titel V van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Unie (hierna: „Statuut”), in de versie zoals deze geldt met ingang van 1 januari 2014, draagt het opschrift „Pensioenen en invaliditeitsuitkering”. Artikel 77 ervan bepaalt:
„De ambtenaar die ten minste tien dienstjaren heeft vervuld, heeft recht op ouderdomspensioen. […]
Het maximale ouderdomspensioen bedraagt 70 % van het laatste basissalaris, dat behoort bij de laatste rang waarin de ambtenaar ten minste een jaar ingedeeld is geweest. Voor elk dienstjaar, berekend overeenkomstig artikel 3 van bijlage VIII, wordt aan de ambtenaar 1,80 % van dit laatste basissalaris uitgekeerd.
[…]
Het ouderdomspensioen per dienstjaar kan niet minder dan 4 % van het minimum voor levensonderhoud bedragen.
De pensioengerechtigde leeftijd is 66 jaar.
[…]”
3
Volgens artikel 6 van bijlage VIII bij het Statuut „[geldt] [a]ls minimum voor levensonderhoud dat bij de berekening der uitkeringen in aanmerking komt, […] het basissalaris van een ambtenaar in rang AST 1, eerste salaristrap”.
4
In de vorige versie ervan, die gold van 1 mei 2004 tot en met 31 december 2013, bepaalde artikel 77 van het Statuut dat „[v]oor elk dienstjaar […] aan de ambtenaar 1,90 % van [het] laatste basissalaris [dat behoort bij de laatste rang waarin de ambtenaar ten minste een jaar ingedeeld is geweest, werd] uitgekeerd” en dat de pensioengerechtigde leeftijd in beginsel 63 jaar was.
5
Artikel 2 van bijlage VIII bij het Statuut bepaalt het volgende:
„Het ouderdomspensioen wordt berekend op de grondslag van het totale aantal door de ambtenaar verkregen pensioenjaren. Ieder dienstjaar, berekend overeenkomstig artikel 3, geeft recht op één pensioenjaar en iedere volle maand op een twaalfde van een pensioenjaar.
Voor het bepalen van het recht op ouderdomspensioen kunnen ten hoogste de pensioenjaren in aanmerking worden genomen die benodigd zijn om het maximale pensioen in de zin van artikel 77, tweede alinea, van het Statuut te verkrijgen.”
6
Artikel 11, lid 2, van bijlage VIII bij het Statuut luidt als volgt:
„De ambtenaar die in dienst van de Unie treedt na:
–
de dienst bij een overheidsorgaan, of bij een nationale of internationale organisatie te hebben beëindigd, of
–
in loondienst of als zelfstandige te hebben gewerkt,
kan, na zijn aanstelling in vaste dienst, doch vóór het tijdstip waarop hij het recht op een ouderdomspensioen in de zin van artikel 77 van het Statuut verkrijgt, het kapitaal dat overeenkomt met de pensioenrechten die hij uit hoofde van bovengenoemde activiteiten heeft verworven, geactualiseerd tot op de dag waarop de overdracht plaatsvindt, aan de Unie doen betalen.
In dat geval bepaalt het tot aanstelling bevoegde gezag van elke instelling waarbij de ambtenaar werkzaam is, met inachtneming van het basissalaris, de leefregel en de wisselkoers op het ogenblik dat om overdracht is verzocht, door middel van algemene uitvoeringsbepalingen het aantal pensioenjaren dat zij volgens de pensioenregeling van de Unie aanrekent uit hoofde van de vroegere diensttijd op basis van het overgeschreven kapitaal, verminderd met het bedrag dat overeenkomt met de herwaardering van het kapitaal tussen de datum van het verzoek om overdracht en de datum waarop de overdracht plaatsvindt.
[…]”
7
Artikel 109 van de Regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van de Europese Unie (hierna: „RAP”) bepaalt:
„1. Bij beëindiging van de dienst heeft de arbeidscontractant recht op een ouderdomspensioen, op overschrijving van de actuariële tegenwaarde of op een uitkering bij vertrek onder de voorwaarden vastgesteld in titel V, hoofdstuk 3, van het Statuut en in bijlage VIII van het Statuut. […]
2. Artikel 11, lid 2 en 3, van bijlage VIII van het Statuut zijn van overeenkomstige toepassing op arbeidscontractanten.
[…]”
8
Artikel 110 RAP bepaalt:
„De tijd die hij als arbeidscontractant in dienst van de Unie heeft doorgebracht, wordt in aanmerking genomen voor de berekening van het aantal pensioenjaren volgens de bepalingen van bijlage VIII van het Statuut.”
9
Tot slot bepaalt artikel 7, lid 6, van het besluit van het administratief comité van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 17 oktober 2011 houdende algemene uitvoeringsbepalingen van de artikelen 11 en 12 van bijlage VIII bij het Statuut dat „het aantal pensioenjaren dat [als extra pensioenjaren na overdracht] wordt aangerekend, in geen geval het aantal pensioenjaren kan overschrijden gedurende welke de betrokkene was aangesloten bij de betrokken regelingen” en dat „het resterende bedrag dat eventueel voortvloeit uit de plafonnering van de pensioenjaren, wordt terugbetaald aan de betrokken functionaris”.
Aan het geschil ten grondslag liggende feiten
10
Het Gerecht voor ambtenarenzaken heeft de voorgeschiedenis van het geding uiteengezet in de punten 8 tot en met 48 van het bestreden arrest. Deze punten worden hieronder in hoofdzaak weergegeven.
Verzoeken om overdracht van de pensioenrechten
11
Rekwiranten hebben tussen 2006 en 2010 verzoeken op grond van artikel 11, lid 2, van bijlage VIII bij het Statuut ingediend om overdracht van de pensioenrechten die zij eerder bij verschillende Luxemburgse, Franse en Belgische instellingen hadden verworven.
12
Het tot het aangaan van aanstellingsovereenkomsten bevoegd gezag van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: „TAOBG”) heeft aan rekwiranten voorstellen voor extra pensioenjaren gedaan, waarbij het hun heeft verzocht de in aanmerking genomen gegevens zorgvuldig te verifiëren. Tevens verzocht het hun „voor een toelichting op de berekening en een bespreking van de wenselijkheid van de overdracht contact op te nemen met [de daartoe aangewezen verantwoordelijke personen van de directie Personeel en Personeelsadministratie van DG Personeel en Financiën van het Hof van Justitie van de Europese Unie]”.
13
Het TAOBG vestigde daarbij de aandacht van rekwiranten op het feit dat „de statutaire gevolgen van de extra pensioenjaren die [op grond van de betrokken voorstellen] worden toegekend, worden geregeld door de uitvoeringsbepalingen van de pensioenregeling van de Europese openbare dienst, zoals deze gelden ten tijde van de afwikkeling van de pensioenrechten, aangezien het aantal extra pensioenjaren dat krachtens de overdrachtsregeling is toegekend, geen wijziging meer zal ondergaan”. Het wees er voorts op dat „het officiële voorstel voor extra pensioenjaren pas effectief wordt na ontvangst van het volledige over te dragen bedrag” en dat „de aldus verkregen extra pensioenjaren niet meetellen bij de berekening van de minimale diensttijd van tien jaar die volgens artikel 77 van het Statuut recht geeft op een pensioen van de Europese openbare dienst” (bestreden arrest, punten 11, 12, 16, 21 en 27).
14
Rekwiranten hebben de nodige actie ondernomen om te bewerkstelligen dat de rechten die zij hadden verworven krachtens de verschillende nationale pensioenregelingen waarbij zij vóór hun indiensttreding bij het Hof van Justitie van de Europese Unie waren aangesloten, volledig – voor sommigen van hen – dan wel gedeeltelijk – voor anderen – zouden worden overgedragen (bestreden arrest, punten 13, 18, 23, 29 en 30). Zoals vermeld in het bestreden arrest, hebben de bevoegde diensten van het Hof van Justitie van de Europese Unie besluiten tot afsluiting van de procedure tot overdracht van de nationale pensioenrechten van rekwiranten vastgesteld (hierna samen: „besluiten tot toekenning van extra pensioenjaren”).
15
Meer in het bijzonder heeft het hoofd van de eenheid Statutaire Rechten bij nota van 16 februari 2012 aan Barroso Truta meegedeeld, dat het TAOBG naar aanleiding van de overdracht van het kapitaal dat overeenkwam met de eerder door hem verworven pensioenrechten, te weten 61121,08 EUR, een nieuwe berekening had gemaakt van het aantal extra pensioenjaren dat uit hoofde van de overdracht van deze rechten naar de pensioenregeling van de Unie moest worden toegekend, waardoor thans volgens laatstgenoemde regeling een tijdvak van bijdragebetaling van 8 jaar en 24 dagen werd erkend (bestreden arrest, punt 14).
16
Bij nota’s van 16 februari 2012, 8 april 2013 en 25 juli 2014 heeft het hoofd van de eenheid Statutaire Rechten aan Forli meegedeeld, dat het TAOBG naar aanleiding van de overdracht van het kapitaal dat overeenkwam met de door hem bij verschillende nationale instellingen verworven pensioenrechten een nieuwe berekening had gemaakt van het aantal extra pensioenjaren dat uit hoofde van de overdracht van deze rechten naar de pensioenregeling van de Unie moest worden toegekend, waardoor thans volgens laatstgenoemde regeling tijdvakken van bijdragebetaling van respectievelijk 15 jaar en 18 dagen, 6 dagen en 1 jaar en 23 dagen werden erkend (bestreden arrest, punt 19).
17
Bij nota’s van 13 november 2009 en 6 december 2010 heeft het hoofd van de eenheid Statutaire Rechten aan Galante meegedeeld, dat het TAOBG een nieuwe berekening had gemaakt van het aantal extra pensioenjaren dat uit hoofde van de overdracht van de eerder door hem bij verschillende nationale instellingen verworven pensioenrechten naar de pensioenregeling van de Unie moest worden toegekend, waardoor thans volgens laatstgenoemde regeling een tijdvak van bijdragebetaling van 4 jaar en 1 maand werd erkend, gecombineerd met een terugbetaling aan Galante van een bedrag van 7626,50 EUR, en een tijdvak van bijdragebetaling van 10 jaar, 4 maanden en 5 dagen (bestreden arrest, punt 25).
18
Bij nota van 20 december 2006, zoals ingetrokken bij en vervangen door een nota van 21 december 2009, en bij nota van 18 oktober 2011 heeft het hoofd van de eenheid Statutaire Rechten aan Gradel meegedeeld, dat het TAOBG naar aanleiding van de overdracht van het kapitaal dat overeenkwam met de eerder door hem bij verschillende nationale instellingen verworven pensioenrechten een nieuwe berekening had gemaakt van het aantal extra pensioenjaren dat uit hoofde van de overdracht van deze rechten naar de pensioenregeling van de Unie moest worden toegekend, waardoor thans volgens laatstgenoemde regeling een tijdvak van bijdragebetaling van 16 jaar werd erkend, gecombineerd met een terugbetaling aan Galante van een bedrag van 14235,11 EUR, en tijdvakken van bijdragebetaling van 3 jaar, 2 maanden en 20 dagen, respectievelijk 2 jaar, 3 maanden en 5 dagen (bestreden arrest, punt 31).
Bijeenkomst van 12 april 2012 en de door rekwiranten gedane verzoeken om informatie
19
Nadat zij op 9 maart 2012 een aan het voltallige personeel gerichte e‑mail van de directie Personeel en Personeelsadministratie van het Hof van Justitie van de Europese Unie hadden ontvangen over de actualisering van de zogenoemde „calculette pension” (pensioentool van het Hof waarmee de pensioenrechten van ambtenaren kunnen worden gesimuleerd), hebben rekwiranten gebruikgemaakt van deze tool en zijn zij tot de ontdekking gekomen dat de door hen geëffectueerde overdracht van pensioenrechten niet tot een verhoging van het bedrag van hun respectieve pensioenen zou leiden. Met andere woorden, volgens rekwiranten en volgens de aldus verkregen schatting zou het bedrag van hun respectieve pensioenen bij hun pensionering vrijwel gelijk blijven, ongeacht of de eerder door hen krachtens de verschillende nationale regelingen verworven pensioenrechten al dan niet werden overgedragen (bestreden arrest, punten 32 en 33).
20
In april 2012 hebben Barroso Truta en Forli tijdens een op hun verzoek gehouden bijeenkomst een ontmoeting gehad met het hoofd van de eenheid Statutaire Rechten. Tijdens deze bijeenkomst heeft het hoofd van deze eenheid de reikwijdte uiteengezet van de toepassing op hen van de onder meer uit artikel 77, vierde alinea, van het Statuut voortvloeiende regel (hierna: „regel van het minimum voor levensonderhoud”).
21
Voorts zijn rekwiranten tijdens deze bijeenkomst ervan in kennis gesteld dat het in beginsel onmogelijk is om reeds naar de pensioenregeling van de Unie overgedragen pensioenrechten terug te storten aan de betrokken nationale instellingen. Het hoofd van voornoemde eenheid zou met de twee betrokkenen hebben afgesproken dat hij contact zou opnemen met de diensten van de Europese Commissie om te onderzoeken of zich naar hun weten soortgelijke gevallen hadden voorgedaan en hoe hiermee was omgegaan (bestreden arrest, punt 34).
22
Zoals vermeld in punt 35 van het bestreden arrest, blijkt uit een e‑mail van 11 februari 2015 van het hoofd van de eenheid Statutaire Rechten, die tijdelijk was overgeplaatst naar een andere functie bij het Hof van Justitie van de Europese Unie, dat de hiervoor in punt 20 genoemde beide rekwiranten hem tijdens voornoemde bijeenkomst hadden meegedeeld dat zij hadden deelgenomen aan een op initiatief van Galante georganiseerde vakbondsvergadering. Deze zou hun toen hebben gewezen op de urgentie om hun pensioenrechten over te dragen, op straffe van verlies van rechten.
23
Bij brief van 23 april 2012 hebben Barroso Truta en Forli krachtens artikel 25 van het Statuut aan de directeur-generaal van DG Personeel en Financiën van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: „directeur-generaal”) verzocht om de mogelijkheid te onderzoeken, de namens hen naar de pensioenregeling van de Unie overgedragen bedragen terug te storten aan de betrokken nationale instellingen (bestreden arrest, punt 36).
24
Op 26 april 2012 hebben Barroso Truta en Forli aan een van de betrokken instellingen, te weten het nationale pensioenfonds van Luxemburg (CNAP), verzocht hun verzoeken om overdracht van pensioenrechten als niet-gedaan te beschouwen en de rechten die zij eerder bij deze instelling hadden verworven, te herstellen. Bij respectieve brieven van 7 mei 2012 heeft het CNAP deze verzoeken afgewezen, waarbij het in wezen overwoog dat de geëffectueerde overdrachten van pensioenrechten definitief waren geworden (bestreden arrest, punt 37).
25
Op 3 september 2012 heeft Galante de directeur-generaal krachtens artikel 25 van het Statuut verzocht te onderzoeken, of het voor het Hof van Justitie van de Europese Unie mogelijk was het door het CNAP uit hoofde van de eerder verworven rechten overgedragen kapitaal terug te storten. Voornoemde rekwirant heeft zich in verband hiermee tevens rechtstreeks tot het CNAP gewend. Bij memorandum van 27 september 2012 heeft de directeur-generaal Galante laten weten, dat hij zijn verzoek niet kon inwilligen (bestreden arrest, punten 38 en 39).
26
Op 5 februari 2013 heeft de directeur-generaal aan Barroso Truta en Forli meegedeeld, dat het TAOBG tweemaal contact met het CNAP had opgenomen met het oog op het onderzoek van hun respectieve situaties, maar dat deze nationale instelling hem op 20 juli en 17 augustus 2012 in kennis had gesteld van haar weigering om in te stemmen met een terugbetaling door het Hof van Justitie van de Europese Unie van de eerder door deze twee rekwiranten verworven en door deze instelling naar de pensioenregeling van de Unie overgedragen pensioenrechten. Deze weigeringen zijn opnieuw door het CNAP bevestigd op 7 januari 2013 (bestreden arrest, punt 40).
Precontentieuze procedure
27
Bij in gelijkluidende bewoordingen gestelde brieven van 16 april 2014 hebben rekwiranten krachtens artikel 90, lid 1, van het Statuut verzoeken ingediend strekkende tot vergoeding door het TAOBG van de financiële schade die zij zouden hebben geleden als gevolg van de overdracht van hun respectieve pensioenrechten naar de pensioenregeling van de Unie. Tot staving van hun verzoeken hebben zij in wezen betoogd dat op grond van artikel 77, vierde alinea, van het Statuut en meer in het bijzonder de regel van het minimum voor levensonderhoud, waarvan zij niet op de hoogte waren op het moment dat zij instemden met de overdracht van hun eerder verworven pensioenrechten, uitsluitend de dienstjaren bij het Hof van Justitie van de Europese Unie zouden worden meegeteld bij de berekening van hun pensioen. Aldus zouden, naar zij stelden, de pensioenjaren die zij uit hoofde van de overdracht van hun rechten hadden verkregen, geen enkele impact hebben op het bedrag van hun respectieve toekomstige pensioenen. Rekwiranten hebben onderstreept dat, indien het TAOBG hen naar behoren had geïnformeerd over het bestaan van de drempel voor het ouderdomspensioen van ten minste 4 % van het minimum voor levensonderhoud per dienstjaar, zij zouden hebben afgezien van de overdracht van hun eerder verworven pensioenrechten, waardoor zij bovendien hun nationale pensioenrechten zouden hebben behouden, waarmee zij in voorkomend geval aanspraak konden maken op een nationaal pensioen (bestreden arrest, punt 41).
28
Rekwiranten waren van mening dat het TAOBG een dienstfout had gemaakt door hen onvoldoende te informeren over het feit dat in hun specifieke gevallen de extra pensioenjaren die zij krachtens artikel 11, lid 2, van bijlage VIII bij het Statuut konden verwerven, niet van invloed zouden zijn op de hoogte van hun toekomstige ouderdomspensioen. Derhalve verzochten zij het TAOBG om hun de materiële schade te vergoeden, bestaande in de bedragen aan nationale pensioenrechten die volgens hen helemaal voor niets naar de pensioenregeling van de Unie waren overgedragen. De gevorderde bedragen, te vermeerderen met moratoire interessen, bedroegen voor Barroso Truta, 61121,08 EUR; voor Forli in totaal 129440,98 EUR; voor Galante in totaal 76324,29 EUR en voor Gradel in totaal 99565,13 EUR (bestreden arrest, punt 42).
29
Bij nota van 3 september 2014 heeft de directeur-generaal in zijn hoedanigheid van TAOBG de verzoeken van 16 april 2014 van rekwiranten afgewezen, ofschoon hij te kennen gaf „de situatie waarin rekwiranten zich bevonden, te betreuren”. Volgens dit afwijzende besluit had het TAOBG geen dienstfout gemaakt met betrekking tot de informatie die het aan rekwiranten had verstrekt bij het doen van de hen betreffende voorstellen voor extra pensioenjaren (bestreden arrest, punt 43).
30
De directeur-generaal onderstreepte meer concreet dat het buiten kijf stond dat zij, indien zij waren ingegaan op de „in nogal dwingende bewoordingen gestelde” uitnodiging in de begeleidende nota’s bij de betrokken voorstellen voor extra pensioenjaren om contact op te nemen met de eenheid Statutaire Rechten, een toelichting zouden hebben gekregen op de werking van het mechanisme van de regel van het minimum voor levensonderhoud; zoals te doen gebruikelijk in dergelijke gevallen zou de administratie dan simulaties hebben uitgevoerd van het bedrag van hun toekomstige pensioen mét en zonder overdracht, waardoor duidelijk zou zijn geworden welk effect de regel van het minimum voor levensonderhoud in hun respectieve gevallen had (bestreden arrest, punt 44).
31
De directeur-generaal legde uit dat elke beoordeling van het nut om krachtens een nationale regeling verworven pensioenrechten al dan niet over te dragen, hoe dan ook gepaard gaat met een zekere mate van onzekerheid, omdat deze beoordeling gebaseerd is op omstandigheden van onder meer statutaire aard die met de tijd kunnen evolueren. Zo wees hij erop, dat niet valt uit te sluiten dat rekwiranten in de loop van hun respectieve loopbaan in een andere salarisschaal terecht komen, zoals die van een hogere functiegroep van arbeidscontractanten of die van ambtenaren of tijdelijke functionarissen. Ook is het mogelijk dat de Uniewetgever in de toekomst tot wijziging van het bedrag van het minimum voor levensonderhoud besluit, terwijl op nationaal niveau anti-cumulatieregels zouden kunnen worden ingevoerd (bestreden arrest, punt 45).
32
De directeur-generaal kwam tot de conclusie dat „in een dergelijke context, de keuze om al dan niet tot overdracht van pensioenrechten over te gaan berust op een gedeelde verantwoordelijkheid, waarin de administratie zich in dienst van de betrokkene stelt en hem op zijn verzoek de informatie verstrekt waarover zij beschikt of die zij kan inwinnen en waarin de betrokkene zich op zijn beurt, als degene wie het het meest aangaat, ervan vergewist of hij over volledige en correcte informatie beschikt alvorens een keuze te maken” (bestreden arrest, punt 46).
33
Op 21 november 2014 hebben rekwiranten bij in wezen gelijkluidende nota’s een klacht krachtens artikel 90, lid 2, van het Statuut ingediend tegen het besluit van de directeur-generaal van 3 september 2014 tot afwijzing van hun respectieve verzoeken van 16 april 2014 (bestreden arrest, punt 47).
34
Bij in analoge bewoordingen gestelde besluiten van 17 juni 2015 heeft het klachtencomité van het Hof van Justitie van de Europese Unie voormelde klachten afgewezen (bestreden arrest, punt 48).
Procedure in eerste aanleg en bestreden arrest
35
Op 25 september 2015 hebben rekwiranten beroep ingesteld bij het Gerecht voor ambtenarenzaken, welk beroep is ingeschreven onder zaaknummer F‑126/15. Zij verzochten primair om veroordeling van het Hof van Justitie van de Europese Unie tot betaling aan enig nationaal pensioenfonds of enige nationale pensioenverzekering van een bedrag van respectievelijk 61121,08 EUR voor Barroso Truta, 129440,98 EUR voor Forli, 76 324, 29 EUR voor Galante en 99565,13 EUR voor Gradel. Subsidiair verzochten rekwiranten om veroordeling van het Hof van Justitie van de Europese Unie tot betaling aan hen van voornoemde bedragen. Nog meer subsidiair verzochten rekwiranten het Gerecht voor ambtenarenzaken om vast te stellen dat het Hof van Justitie van de Europese Unie een dienstfout had gemaakt bij de overdracht van hun eerder verworven nationale pensioenrechten. Tot slot verzochten rekwiranten om verwijzing van het Hof van Justitie van de Europese Unie in de kosten.
36
In het bestreden arrest heeft het Gerecht voor ambtenarenzaken primair vastgesteld dat het beroep niet-ontvankelijk was. Meer in het bijzonder stelde het vast, dat de in casu aan het TAOBG verweten gedraging, te weten ontoereikende informatieverstrekking aan rekwiranten bij het doen van de hen betreffende voorstellen voor extra pensioenjaren, niet los kon worden gezien van de procedure tot vaststelling van de eindbesluiten houdende erkenning van extra pensioenjaren, welke procedure uit verschillende fasen bestond (bestreden arrest, punt 66). Aangezien de eindbesluiten van het TAOBG houdende erkenning van extra pensioenjaren in de pensioenregeling van de Unie als gevolg van de overdracht van de eerder door rekwiranten verworven pensioenrechten bezwarende handelingen vormden, had daartegen kunnen worden opgekomen met een klacht krachtens artikel 90, lid 2, van het Statuut en, in voorkomend geval, een beroep krachtens artikel 270 VWEU en artikel 91, lid 2, van het Statuut (bestreden arrest, punt 67). Tot staving van een dergelijk beroep hadden rekwiranten kunnen aanvoeren, dat hun instemming met de voorstellen voor extra pensioenrechten gebrekkig moest worden geacht, omdat het TAOBG hen onvoldoende had geïnformeerd. Volgens het Gerecht voor ambtenarenzaken hing deze gedraging samen met de voorbereidende handelingen van de eindbesluiten houdende toekenning van extra pensioenjaren ten aanzien van rekwiranten, zodat daartegen geen zelfstandig beroep kon worden ingesteld. Derhalve moest deze gedraging worden betwist in het kader van een eventueel tegen voornoemde eindbesluiten in te stellen beroep (bestreden arrest, punt 68).
37
Het Gerecht verwees allereerst naar de rechtspraak dat een ambtenaar of functionaris die verzuimd heeft tegen hem bezwarende handelingen tijdig een klacht in te dienen en vervolgens een beroep tot nietigverklaring in te stellen, dit verzuim niet kan herstellen en zich aldus van nieuwe beroepstermijnen kan verzekeren door in een later stadium een beroep tot schadevergoeding in te dienen dat duidelijk tot doel heeft hetzelfde financiële resultaat te bewerkstelligen als dat wat zou zijn voortgevloeid uit een tijdig tegen die handelingen ingesteld beroep tot nietigverklaring (zie bestreden arrest, punten 60‑63 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Vervolgens stelde het vast dat rekwiranten hadden verzuimd de wettigheid van de hiervoor in punt 36 genoemde eindbesluiten te betwisten, waarna het oordeelde dat het beroep niet-ontvankelijk was.
38
Ten overvloede heeft het Gerecht voor ambtenarenzaken het bij hem ingediende verzoek ook ten gronde onderzocht. Om te beginnen herinnerde het aan de voorwaarden voor niet-contractuele aansprakelijkheid van de Unie (bestreden arrest, punt 72), waarna het overwoog dat „ook al had het van beter bestuur getuigd als het TAOBG bij het doen van zijn voorstellen voor extra pensioenjaren de aandacht van de betrokken arbeidscontractanten had gevestigd op de reikwijdte van artikel 77, vierde alinea, van het Statuut, dit onverlet laat dat van een zorgvuldig handelende administratie die, zoals in casu, tussen 2008 en 2010 honderden verzoeken om overdracht van pensioenrechten heeft behandeld, redelijkerwijs niet kan worden verwacht dat zij in elk van haar voorstellen, voor elk van de betrokken ambtenaren en functionarissen, anticipeert op de gevolgen van de overdracht van hun respectieve pensioenrechten” (bestreden arrest, punt 74). Het Gerecht voor ambtenarenzaken heeft aldus geoordeeld dat het TAOBG in casu, met inachtneming van het beginsel van goed bestuur, had voldaan aan zijn zorgvuldigheidsplicht (bestreden arrest, punt 75).
39
Enerzijds heeft het Gerecht voor ambtenarenzaken in dit verband tevens in aanmerking genomen dat rekwiranten „met voortvarendheid om de overdracht naar de pensioenregeling van de Unie van hun respectieve nationale pensioenrechten hebben verzocht en deze verzoeken vervolgens hebben bevestigd”, „zonder het nodig te achten om vooraf contact met de administratie op te nemen om zich te laten voorlichten met het oog op hun respectieve besluiten”, ofschoon het TAOBG hun in zijn voorstellen had verzocht contact op te nemen „voor een toelichting op de berekening en een bespreking van de wenselijkheid van de overdracht” (bestreden arrest, punten 75 en 76).
40
Anderzijds heeft het Gerecht voor ambtenarenzaken herinnerd aan de rechtspraak dat elke ambtenaar geacht wordt het Statuut te kennen en meer in het bijzonder de regels betreffende zijn bezoldiging of ouderdomspensioen (zie bestreden arrest, punt 77 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Gelet op deze rechtspraak en rekening houdend met de omstandigheid dat „rekwiranten, gelet op hun respectieve werkzaamheden, niet noodzakelijkerwijs het meest ter zake kundig waren op dit gebied”, heeft het Gerecht voor ambtenarenzaken geconstateerd dat de bewoordingen van de relevante bepalingen „tamelijk duidelijk” waren en rekwiranten „op zijn minst hadden moeten aansporen om bij hun administratie navraag te doen over [de in casu aan de orde zijnde kwestie]” (bestreden arrest, punt 78).
41
In de tweede plaats heeft het Gerecht voor ambtenarenzaken geoordeeld dat rekwiranten niet hadden aangetoond dat de gestelde schade reëel en zeker was, welke schade het als uitsluitend materieel heeft aangemerkt. Zo stelde het enerzijds vast dat rekwiranten „hun respectieve loopbaan bij het Hof van Justitie van de Europese Unie of enige andere instelling van de Unie nog verder konden voortzetten, zodat niet valt uit te sluiten dat sommigen van hen, of zelfs allen, hierna een functie als tijdelijk functionaris of ambtenaar zullen krijgen, welke functiecategorie hen in staat zal stellen in de toekomst een hoger ouderdomspensioen – dat alsdan ten hoogste 70 % van hun laatst genoten basissalaris zal belopen – op te bouwen dan het bedrag dat voortvloeit uit de toepassing van artikel 77, vierde alinea, van het Statuut”. In een dergelijk geval „kunnen [rekwiranten] geen schade lijden als gevolg van hun besluiten tot overdracht van hun pensioenrechten” (bestreden arrest, punt 81).
42
Anderzijds wees het erop dat het onzeker was of op het moment dat rekwiranten de wettelijke pensioenleeftijd zouden bereiken „de in artikel 77, vierde alinea, van het Statuut vervatte regel noodzakelijkerwijs dezelfde strekking en toepassingsvoorwaarden zou hebben” als ten tijde van de uitspraak van het bestreden arrest, „omdat de Uniewetgever op elk moment de rechten en plichten van de ambtenaren en functionarissen van de Unie kan wijzigen door op de grondslag van artikel 336 VWEU verordeningen tot wijziging van het Statuut en de RAP vast te stellen, welke wijzigingen, behoudens uitzonderingen, van toepassing zijn op de toekomstige gevolgen van onder de oude regeling ontstane situaties” (zie bestreden arrest, punt 82 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
43
Tot slot heeft het Gerecht, gelet op de handelwijze van het TAOBG in het onderhavige geval en meer bepaald het feit dat het TAOBG in zijn reactie op de klacht had nagelaten rekwiranten te wijzen op de niet-ontvankelijkheid van hun verzoeken tot schadevergoeding, op grond van de artikelen 101 en 102 van zijn Reglement voor de procesvoering geoordeeld dat het Hof van Justitie van de Europese Unie zowel zijn eigen kosten als de kosten van rekwiranten zou dragen.
Procedure bij het Gerecht en conclusies van partijen
44
Bij memorie, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 30 september 2016, hebben rekwiranten de onderhavige hogere voorziening ingesteld. Op 20 december 2016 heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie een memorie van antwoord ingediend.
45
Na indiening van de repliek op 22 februari 2017 en de dupliek op 20 april 2017 is de schriftelijke procedure gesloten.
46
Bij brief van 15 mei 2017 hebben rekwiranten een met redenen omkleed verzoek op grond van artikel 207, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht ingediend om in het kader van de mondelinge behandeling te worden gehoord.
47
Op voorstel van de rechter-rapporteur heeft het Gerecht het verzoek van rekwiranten ingewilligd en de mondelinge behandeling van de procedure geopend.
48
In het kader van maatregelen tot organisatie van de procesgang als bedoeld in artikel 89, lid 3, van het Reglement voor de procesvoering, welke bepaling in casu van toepassing is krachtens artikel 213, lid 1, van dit Reglement, heeft het Gerecht partijen op 19 december 2017 schriftelijke vragen gesteld. Partijen hebben hierop binnen de gestelde termijn geantwoord.
49
Partijen zijn in hun pleidooien en hun antwoorden op de mondelinge vragen van het Gerecht gehoord ter terechtzitting van 9 februari 2018.
50
Rekwiranten verzoeken het Gerecht:
–
het bestreden arrest te vernietigen;
–
de zaak ten gronde afdoende, het Hof van Justitie van de Europese Unie te veroordelen tot betaling van een bedrag van 61121,08 EUR namens Barroso Truta, 129440,98 EUR namens Forli, 76324,29 EUR namens Galante en 99565,13 EUR namens Gradel „aan enig fonds of enige verzekering op naam van rekwiranten”;
–
subsidiair, het Hof van Justitie van de Europese Unie te veroordelen tot betaling van voormelde bedragen aan rekwiranten, vermeerderd met „samengestelde [interessen] op basis van een rente van 3,1 % per jaar, te rekenen vanaf de datum van overdracht van de pensioenrechten [naar de pensioenregeling van de Unie]”;
–
het Hof van Justitie van de Europese Unie te verwijzen in de kosten van de twee gedingen.
51
Het Hof van Justitie van de Europese Unie verzoekt het Gerecht:
–
de hogere voorziening ten dele niet-ontvankelijk en ten dele ongegrond te verklaren dan wel, subsidiair, in haar geheel ongegrond te verklaren;
–
rekwiranten te verwijzen in de kosten.
Hogere voorziening
52
Tot staving van hun hogere voorziening tegen het bestreden arrest dragen rekwiranten twee middelen voor. Het eerste middel is ontleend aan een onjuiste rechtsopvatting doordat het Gerecht voor ambtenarenzaken primair hun beroep niet ontvankelijk heeft verklaard. Het tweede middel betreft het geschil ten gronde en is meer bepaald ontleend aan het feit dat het Gerecht voor ambtenarenzaken blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door ten overvloede vast te stellen, enerzijds, dat het TAOBG in casu geen dienstfout had gemaakt bij de toezending aan rekwiranten van de voorstellen voor extra pensioenjaren en, anderzijds, dat de door rekwiranten gestelde schade louter hypothetisch was.
Eerste middel
53
Blijkens hun geschriften verwijten rekwiranten het Gerecht voor ambtenarenzaken met hun eerste middel, dat het blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat hun beroep in eerste aanleg niet-ontvankelijk moest worden verklaard. Zij stellen bovendien dat zij zich voor het Gerecht voor ambtenarenzaken niet enkel op materiële schade, maar ook op immateriële schade hadden beroepen.
54
Het Hof van Justitie van de Europese Unie stelt dat in eerste aanleg geen immateriële schade is gesteld, zodat elk daarmee samenhangend betoog niet-ontvankelijk is en moet worden afgewezen. Om te beginnen moet derhalve de exacte aard van de door rekwiranten in eerste aanleg gestelde schade worden onderzocht.
Aard van de door rekwiranten in eerste aanleg gestelde schade
55
Het Hof van Justitie van de Europese Unie verwijst terecht naar de rechtspraak dat indien een partij een middel dat en argumenten die zij niet heeft aangevoerd voor het Gerecht voor ambtenarenzaken, voor het eerst zou mogen aanvoeren voor het Gerecht, dit erop neer zou komen dat zij bij het Gerecht – waarvan de bevoegdheid in hogere voorziening beperkt is – een geschil aanhangig kan maken dat een ruimere strekking heeft dan het geschil waarvan het Gerecht voor ambtenarenzaken kennis heeft genomen. In hogere voorziening is het Gerecht derhalve alleen bevoegd om te oordelen over de rechtsbeslissing die is gegeven ten aanzien van de middelen en argumenten die voor de rechter in eerste aanleg zijn aangevoerd (zie arrest van 13 mei 2016, CX/Commissie, T‑496/15 P, EU:T:2016:305, punt 46 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
56
In casu blijkt uit het onderzoek van het dossier in eerste aanleg dat rekwiranten in hun geschriften slechts materiële schade hebben gesteld en dat zij voor het Gerecht voor ambtenarenzaken geen grief hebben geuit met betrekking tot de eventuele immateriële schade die zij zouden hebben geleden. Opgemerkt zij namelijk dat rekwiranten voor het Gerecht voor ambtenarenzaken enkel hebben verwezen naar het verlies van het bedrag dat overeenkomt met de pensioenrechten die zij aan het Hof van Justitie van de Europese Unie hebben overgedragen.
57
Bovendien heeft het Gerecht voor ambtenarenzaken, in tegenstelling tot wat rekwiranten in punt 27 van de repliek beweren, geenszins geoordeeld dat hun schade althans voor een deel bestond uit de onzekerheid waarin zij stellen te verkeren. Integendeel, in navolging van het Hof van Justitie van de Europese Unie moet worden geconstateerd dat in punt 80 van het bestreden arrest specifiek wordt vermeld dat „de door rekwiranten gestelde schade van materiële aard is”.
58
Vast staat inderdaad dat rekwiranten in eerste aanleg hebben gesteld dat hun beroep „louter op declaratoire titel was ingesteld, omdat het ertoe strekte de rechter van de Unie te doen vaststellen dat het Hof een fout had gemaakt, met het oog op hun eventuele schadeloosstelling”. Zij hebben zich daartoe enerzijds beroepen op de arresten van 1 februari 1979, Deshormes/Commissie (17/78, EU:C:1979:24), en 26 februari 2015, Planet/Commissie (C‑564/13 P, EU:C:2015:124), en anderzijds op de conclusie van advocaat-generaal Kokott in de zaak Planet/Commissie (C‑564/13 P, EU:C:2014:2352).
59
Uit de punten 114 en volgende van het in eerste aanleg ingediende verzoekschrift blijkt echter dat de declaratoire vordering van rekwiranten niet was ingesteld tot staving van hun stellingen betreffende de immateriële schade die zij zouden hebben geleden, maar voor het geval dat „het verlies van de overgedragen rechten in dit stadium nog niet als ‚zeker’ zou worden aangemerkt”. Deze vordering had namelijk geen betrekking op de aard van de door rekwiranten gestelde schade, doch strekte veeleer ertoe, het Gerecht te doen vaststellen dat er een fout was gemaakt. Zij kan derhalve niet worden geacht een verzoek tot vergoeding van de beweerdelijke immateriële schade van rekwiranten te omvatten.
60
Gelet op deze constatering is de door rekwiranten aangehaalde rechtspraak waaruit volgens hen blijkt dat het mogelijk is om een declaratoire vordering bij de rechter van de Unie in te stellen (zie punt 58 hiervoor), in casu niet relevant.
61
Derhalve moet overeenkomstig de hiervoor in punt 55 aangehaalde rechtspraak worden geconcludeerd, dat het verzoek tot schadevergoeding van rekwiranten niet-ontvankelijk moet worden geacht, omdat het strekt tot vergoeding van de immateriële schade die zij stellen te hebben geleden en dit verzoek als zodanig voor het eerst ten overstaan van het Gerecht is geformuleerd.
62
Mitsdien moet worden vastgesteld dat, zoals hiervoor in de punten 55 tot en met 61 is overwogen, de vorderingen van rekwiranten in eerste aanleg uitsluitend strekten tot vergoeding van de materiële schade.
63
Vervolgens moeten de argumenten van rekwiranten worden onderzocht die strekken tot betwisting van de niet-ontvankelijkheid van hun beroep die het Gerecht voor ambtenarenzaken in het bestreden arrest primair heeft vastgesteld.
Ontvankelijkheid van de conclusies van rekwiranten in eerste aanleg, voor zover strekkende tot vergoeding van de materiële schade
64
Allereerst zij in herinnering geroepen dat in het stelsel van beroepswegen dat bij de artikelen 90 en 91 van het Statuut in het leven is geroepen, een beroep tot schadevergoeding slechts ontvankelijk is indien het door een precontentieuze procedure overeenkomstig de statutaire bepalingen is voorafgegaan (beschikking van 24 maart 1998, Meyer e.a./Hof van Justitie, T‑181/97, EU:T:1998:64, punt 21).
65
Bij beroepen tot schadevergoeding verschilt de precontentieuze procedure naargelang de schade waarvan vergoeding wordt gevraagd, voortvloeit uit een bezwarend besluit in de zin van artikel 90, lid 2, van het Statuut dan wel uit een gedraging van de administratie die geen besluit vormt. In het eerste geval staat het aan de betrokkene om binnen de gestelde termijn bij het tot aanstelling bevoegd gezag een klacht in te dienen tegen het betrokken besluit. In het tweede geval daarentegen moet de administratieve procedure beginnen met het indienen van een verzoek in de zin van artikel 90, lid 1, van het Statuut strekkende tot verkrijging van schadevergoeding, waarna in voorkomend geval een klacht moet worden ingediend tegen het besluit houdende afwijzing van dat verzoek (zie arrest van 6 november 1997, Liao/Raad, T‑15/96, EU:T:1997:169, punt 57 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
66
Bovendien zijn het beroep tot nietigverklaring en het beroep tot schadevergoeding volgens de rechtspraak zelfstandige beroepswegen. Aangezien de artikelen 90 en 91 van het Statuut noch voor de administratieve noch voor de gerechtelijke procedure onderscheid maken tussen deze twee beroepen, staat het de ambtenaar wegens de zelfstandigheid van deze verschillende beroepsmogelijkheden vrij om hetzij de ene, hetzij de andere, hetzij beide gezamenlijk te kiezen, mits hij de Unierechter adieert binnen drie maanden na de afwijzing van zijn klacht (zie arresten van 24 januari 1991, Latham/Commissie, T‑27/90, EU:T:1991:5, punt 36 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 6 februari 2007, Wunenburger/Commissie, T‑246/04 en T‑71/05, EU:T:2007:34, punt 46).
67
De rechtspraak maakt echter een uitzondering op dit beginsel wanneer de vordering tot schadevergoeding nauw samenhangt met de, overigens niet-ontvankelijk verklaarde of te verklaren vordering tot nietigverklaring. Aldus zijn vorderingen tot schadevergoeding niet-ontvankelijk wanneer zij uitsluitend strekken tot vergoeding van de gevolgen van de handeling waartegen de niet-ontvankelijk verklaarde of te verklaren vordering tot nietigverklaring was gericht, met name wanneer de vordering tot schadevergoeding uitsluitend strekt tot compensatie van gederfde bezoldiging, welke bezoldiging de belanghebbende niet zou hebben gederfd indien hij in zijn beroep tot nietigverklaring was geslaagd of had kunnen slagen (zie in die zin arresten van 24 januari 1991, Latham/Commissie, T‑27/90, EU:T:1991:5, punten 37 en 38 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 6 februari 2007, Wunenburger/Commissie, T‑246/04 en T‑71/05, EU:T:2007:34, punt 47). Zo kan volgens deze rechtspraak een ambtenaar of functionaris die verzuimd heeft tegen hem bezwarende handelingen tijdig een klacht in te dienen en vervolgens een beroep tot nietigverklaring in te stellen, dit verzuim niet herstellen en zich aldus van nieuwe beroepstermijnen verzekeren door in een later stadium een beroep tot schadevergoeding in te dienen dat duidelijk tot doel heeft hetzelfde financiële resultaat te bewerkstelligen als dat wat zou zijn voortgevloeid uit een tijdig tegen die handelingen ingesteld beroep tot nietigverklaring (zie beschikking van 20 maart 2014, Michel/Commissie, F‑44/13, EU:F:2014:40, punt 45 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
68
Dienaangaande volgt uit de rechtspraak dat wanneer de twee vorderingen, te weten de vordering tot nietigverklaring enerzijds en de vordering tot schadevergoeding anderzijds, hun grondslag vinden in verschillende handelingen of gedragingen van de administratie, de vordering tot schadevergoeding niet kan worden gelijkgesteld met de vordering tot nietigverklaring, ook al zouden beide vorderingen hetzelfde financiële resultaat voor de verzoeker hebben (zie arrest van 24 januari 1991, Latham/Commissie, T‑27/90, EU:T:1991:5, punt 38 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
69
Bovendien heeft het Gerecht in de zaak die aanleiding heeft gegeven tot het arrest van 13 oktober 2015, Commissie/Cocchi en Falcione (T‑103/13 P, EU:T:2015:777), waar de verzoekende partijen de nietigverklaring trachtten te bewerkstelligen van voorstellen voor de vaststelling van extra pensioenjaren zoals die in casu aan rekwiranten zijn gedaan, vastgesteld dat een dergelijk voorstel geen bezwarend besluit in de zin van artikel 91, lid 1, van het Statuut vormde, maar een gedraging die geen besluit vormde en die de betrokkene in staat kon stellen een beroep strekkende tot vergoeding van de ten gevolge van deze gedraging geleden schade in te stellen (arrest van 13 oktober 2015, Commissie/Cocchi en Falcione, T‑103/13 P, EU:T:2015:777, punten 73 en 74). Voorts heeft het Gerecht overwogen dat, aangezien de instemming van de betrokkene nodig was om zijn eerder bij een ander stelsel dan dat van de Unie verworven pensioenrechten over te dragen naar de regeling van de Unie, moest worden geoordeeld dat, indien de betrokkene met die overdracht had ingestemd door te vertrouwen op een voorstel voor extra pensioenjaren dat nadien onjuist en misleidend bleek te zijn als gevolg van een aan zijn instelling toe te rekenen fout, deze instemming gebrekkig kon worden geacht, hetgeen de betrokkene het recht gaf om nietigverklaring van het naar aanleiding van deze overdracht genomen besluit te vorderen teneinde de gevolgen daarvan terug te draaien (arrest van 13 oktober 2015, Commissie/Cocchi en Falcione, T‑103/13 P, EU:T:2015:777, punten 75 en 76).
70
Uit het arrest van 13 oktober 2015, Commissie/Cocchi en Falcione (T‑103/13 P, EU:T:2015:777), kan echter niet worden afgeleid dat wanneer de beweerdelijk onrechtmatige gedraging van een instelling samenhangt met een procedure als de in casu centraal staande procedure tot overdracht van rechten en deze gedraging de instemming van de betrokkene kan hebben beïnvloed, laatstgenoemde zich in geen geval op de schade die hij als gevolg van deze gedraging zou hebben geleden, kan beroepen in het kader van een verzoek tot schadevergoeding.
71
Meer concreet zou een dergelijke uitlegging van de in punt 70 hiervoor aangehaalde rechtspraak leiden tot een onevenredige beperking van het recht van rekwiranten om een beroep tot vergoeding van de beweerdelijk door hen geleden schade in te stellen. Een arrest tot nietigverklaring van de besluiten tot overdracht van de nationale pensioenrechten van rekwiranten zou namelijk tot gevolg hebben dat handelingen die in beginsel positieve gevolgen voor rekwiranten teweegbrengen, doordat zij ten aanzien van hen leiden tot de erkenning, als gevolg van de betrokken overdracht, van extra pensioenjaren, met terugwerkende kracht komen te vervallen.
72
Rekwiranten betwisten in casu echter niet de gevolgen van voormelde besluiten als zodanig, te weten de overdracht van hun nationale pensioenrechten en de daaruit voortvloeiende erkenning van extra pensioenjaren, maar de handelwijze van de administratie, die hun niet zou hebben meegedeeld dat de betrokken overdrachten niet alle gevolgen zouden sorteren die zij ervan verwachtten. Het beroep dat rekwiranten in eerste aanleg hebben ingesteld strekte dus niet ertoe om de gevolgen van de betrokken overdrachtsbesluiten te doen opheffen, maar om de schade te doen herstellen die zij naar eigen zeggen lijden omdat de litigieuze overdrachten niet alle verwachte rechtsgevolgen hebben teweeggebracht voor hun rechtspositie.
73
Derhalve had het Gerecht voor ambtenarenzaken moeten onderzoeken of het beroep van rekwiranten uitsluitend ertoe strekte, de gevolgen van de besluiten tot toekenning van extra pensioenjaren ongedaan te doen maken en, met name, of het doel van dit beroep erin bestond een identiek financieel resultaat te verkrijgen als dat wat zou zijn voortgevloeid uit een tijdig ingestelde vordering tot nietigverklaring van deze besluiten.
74
Geconstateerd moet worden dat dit, anders dan in het bestreden arrest is geoordeeld, in casu niet het geval is.
75
In dit verband zij op voorhand gepreciseerd dat het voorwerp van de ten aanzien van rekwiranten genomen besluiten tot toekenning van extra pensioenjaren bestaat in de erkenning van een bepaald aantal extra pensioenjaren dat als gevolg van de overdrachten is toegekend.
76
Inderdaad kan niet worden uitgesloten dat in de toekenningsbesluiten wellicht minder extra pensioenjaren zijn erkend dan waarop rekwiranten hadden gehoopt en dat de betrokken besluiten in zoverre bezwarend voor hen konden zijn.
77
In casu is dit echter niet het geval. De verzoeken tot schadevergoeding van rekwiranten strekten namelijk niet tot vergoeding van de schade die zij zouden hebben geleden als gevolg van de erkenning van voornoemde pensioenjaren, maar van de schade die zij stellen te hebben geleden omdat zij, ondanks deze erkenning, geen hoger pensioen konden nastreven of erop konden rekenen dat zij het kapitaal dat overeenkwam met hun nationale pensioenrechten en dat thans naar de pensioenregeling van de Unie was overgedragen, terug zouden krijgen.
78
In dit verband zij verwezen naar punt 9 van de repliek in eerste aanleg, volgens hetwelk „rekwiranten geen procesbelang hadden bij een beroep tot nietigverklaring van de besluiten tot bekrachtiging van de overdracht, aangezien deze niet verschilden van de voorstellen waarmee zij hadden ingestemd” en „deze besluiten wettig waren, omdat zij precies hebben gekregen waar zij om hadden verzocht, en het overgedragen kapitaal correct is omgezet in extra pensioenjaren”.
79
Derhalve kan niet worden geoordeeld dat het in eerste aanleg ingestelde beroep uitsluitend tot doel had, de gevolgen van de hen betreffende besluiten tot toekenning van extra pensioenjaren ongedaan te doen maken in de zin van de hiervoor in de punten 67 en 68 aangehaalde rechtspraak.
80
Inderdaad hebben rekwiranten in hun primaire vordering in eerste aanleg verzocht om betaling aan enig nationaal pensioenfonds of enige nationale pensioenverzekering van de bedragen die overeenkomen met de naar de pensioenregeling van de Unie overgedragen nationale pensioenrechten (zie punt 35 hiervoor).
81
Opgemerkt moet echter worden dat, ook al strekte de primaire vordering van rekwiranten in eerste aanleg tot verkrijging van eenzelfde geldelijk resultaat als dat wat zou zijn voortgevloeid uit de nietigverklaring van de litigieuze besluiten, dit niet opgaat voor de vordering die zij subsidiair hebben ingesteld. Nietigverklaring van de litigieuze besluiten kan namelijk hoe dan ook niet tot gevolg hebben dat aan rekwiranten bedragen worden betaald die overeenkomen met hun nationale pensioenrechten; het kan enkel leiden tot de opheffing ex tunc van de litigieuze overdrachtsbesluiten en de daaruit voortvloeiende gevolgen, te weten de erkenning van extra pensioenjaren, die in beginsel gunstig is voor rekwiranten en niet kan worden losgekoppeld van de overdracht van hun nationale pensioenrechten naar de pensioenregeling van de Unie.
82
Gelet op het vorengaande moet worden geconstateerd dat het Gerecht voor ambtenarenzaken blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door het beroep van rekwiranten primair af te wijzen wegens niet-ontvankelijkheid.
83
Dit betekent dat in het licht van het tweede middel dat rekwiranten hebben voorgedragen, de vaststellingen ten overvloede van het Gerecht voor ambtenarenzaken moeten worden onderzocht.
Tweede middel
84
Allereerst zij erop gewezen dat volgens vaste rechtspraak op het gebied van het ambtenarenrecht de Unie pas aansprakelijk kan worden gesteld als tegelijkertijd is voldaan aan een aantal voorwaarden, namelijk dat het aan de instellingen verweten gedrag onwettig is, dat er werkelijke schade is geleden en dat er een oorzakelijk verband bestaat tussen het gedrag en de gestelde schade (arrest van 16 december 1987, Delauche/Commissie, 111/86, EU:C:1987:562, punt 30; zie ook arrest van 12 juli 2012, Commissie/Nanopoulos, T‑308/10 P, EU:T:2012:370, punt 102 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
85
De in punt 84 hiervoor genoemde drie voorwaarden zijn cumulatief, hetgeen betekent dat de Unie niet aansprakelijk kan worden gesteld als aan een van deze voorwaarden niet is voldaan (zie arrest van 17 mei 2017, PG/Frontex, T‑583/16, niet-gepubliceerd, EU:T:2017:344, punt 97 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
86
Hieruit volgt dat, ook al staat vast dat een instelling of een orgaan of organisatie van de Unie een fout heeft gemaakt, de Unie slechts daadwerkelijk aansprakelijk kan worden gesteld wanneer de verzoekende partij onder meer heeft aangetoond dat hij werkelijk schade heeft geleden (zie arrest van 29 september 2005, Napoli Buzzanca/Commissie, T‑218/02, EU:T:2005:343, punt 98 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
87
In het licht van deze overwegingen moet het tweede middel van rekwiranten worden onderzocht, dat uit twee onderdelen bestaat. In het eerste onderdeel van dit middel betogen rekwiranten dat het Gerecht voor ambtenarenzaken blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat de gedraging van het TAOBG niet als onrechtmatig kan worden gekwalificeerd. In het tweede onderdeel van dit middel stellen zij dat het Gerecht voor ambtenarenzaken blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat de schade die zij stellen te lijden, niet werkelijk en zeker was.
88
Om te beginnen moet een uitspraak worden gedaan over het tweede onderdeel van het onderhavige middel.
89
Volgens rekwiranten tast de enkele omstandigheid dat zij nog niet de wettelijke pensioenleeftijd hebben bereikt zodat zij niet weten of de overdracht van hun pensioenrechten hun een voordeel zal opleveren, niet het definitieve karakter aan van de schade waarop zij zich tot staving van hun beroep beroepen. Zij stellen in dit verband dat zij hun nationale rechten reeds hebben verloren en dat hun situatie op dit moment onzeker is. Volgens rekwiranten vloeit deze schade voort uit de onvolledige en onjuiste informatie die zij bij de procedure tot overdracht van hun nationale rechten hebben gekregen en is deze schade wel degelijk definitief.
90
Bovendien is, aldus rekwiranten, de loutere mogelijkheid van een eventuele wijziging of zelfs intrekking van artikel 77, vierde alinea, van het Statuut niet van invloed op de beoordeling van de onwettigheid van de aan het TAOBG verweten gedraging, omdat deze bepaling gewoon van kracht was ten tijde van de toezending aan rekwiranten van de hen betreffende voorstellen voor extra pensioenjaren.
91
Rekwiranten stellen dat hun materiële schade zeker is, aangezien de regel van het minimum voor levensonderhoud „niet subsidiair van toepassing is, maar een garantie biedt die van toepassing is op elke berekening van het pensioen van een functionaris”. Derhalve „kan niet worden vastgesteld dat de toekenning van extra pensioenjaren […] zal prevaleren boven deze fundamentele regel van sociale aard”. Volgens rekwiranten kan niet worden aangetoond dat hun nationale pensioenrechten de hoogte zullen beïnvloeden van hun pensioen. Zij verwijzen daartoe naar de punten 27 en 28 van het arrest van 6 oktober 2016, Adrien e.a. (C‑466/15, EU:C:2016:749), betreffende de sociale zekerheid van migrerende werknemers.
92
Het Hof van Justitie van de Europese Unie betwist dit betoog van rekwiranten.
93
In dit verband zij eraan herinnerd dat de schade waarvan vergoeding wordt gevorderd in het kader van een beroep tot schadevergoeding, reëel en zeker moet zijn (zie arrest van 21 februari 2008, Commissie/Girardot, C‑348/06 P, EU:C:2008:107, punt 54 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
94
Het is echter vaste rechtspraak dat niets eraan in de weg staat dat belanghebbenden bij de Unierechter een beroep instellen strekkende tot vaststelling van de aansprakelijkheid van de Unie voor op handen zijnde en met voldoende zekerheid te verwachten schade, zelfs niet wanneer het nadeel nog niet nauwkeurig kan worden becijferd (zie arrest van 14 januari 1987, Zuckerfabrik Bedburg e.a./Raad en Commissie, 281/84, EU:C:1987:3, punt 14 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Indien in een dergelijk geval vaststaat dat de betrokkenen zich noodzakelijkerwijs in een betere situatie zouden hebben bevonden indien de fout die zij de verwerende partij verwijten, niet was gemaakt, moet worden geoordeeld dat de schade waarop zij zich beroepen, niet hypothetisch of louter eventueel is (zie in die zin arrest van 9 november 2006, Agraz e.a./Commissie, C‑243/05 P, EU:C:2006:708, punt 42).
95
In casu omvat de berekening van de pensioenrechten van rekwiranten elementen die momenteel onzeker zijn en dat ook zullen blijven totdat deze rechten worden afgewikkeld. Deze elementen zullen onder meer bepalend zijn voor de toepassing op hun geval van de regel van het minimum voor levensonderhoud.
96
Enerzijds is namelijk het bedrag van het laatste basissalaris dat rekwiranten vóór hun pensionering zullen genieten, op dit moment nog onzeker. Zoals het Gerecht voor ambtenarenzaken in punt 81 van het bestreden arrest heeft geconstateerd, kan niet worden uitgesloten dat rekwiranten in een later stadium een positie als tijdelijk functionaris of als ambtenaar zullen verwerven, waardoor zij niet langer onderworpen zullen zijn aan de regel van het minimum voor levensonderhoud.
97
Bovendien is het niet uitgesloten dat de maandelijkse basissalarissen voor de functiegroep waartoe rekwiranten behoren, worden verhoogd, hetgeen hetzelfde gevolg voor de betrokkenen zou hebben, namelijk dat zij niet langer onderworpen zullen zijn aan de regel van het minimum voor levensonderhoud. In hun antwoorden van 17 januari 2018 op de vragen van het Gerecht onderstrepen rekwiranten overigens zelf, dat het basissalaris van een arbeidscontractant in functiegroep I, zoals zijzelf, in de zevende en laatste salaristrap van de rang 3 hoger is dan het basissalaris van een AST 1/1-functionaris, in welk geval de regel van het minimum voor levensonderhoud niet langer zou gelden voor die arbeidscontractant. Hieruit volgt dat, zelfs indien de maandelijkse basissalarissen voor de functiegroep waartoe rekwiranten behoren, niet worden verhoogd, het mogelijk is – nu rekwiranten niets hebben aangevoerd op grond waarvan deze mogelijkheid kan worden uitgesloten – dat zij op het moment dat zij hun pensioenrechten verzilveren, qua loopbaan in een zodanige positie verkeren dat zij zich kunnen onttrekken aan de toepassing van de regel van het minimum voor levensonderhoud.
98
Anderzijds is ook het aantal dienstjaren dat rekwiranten op het moment van hun pensionering bij de instellingen van de Unie zullen hebben vervuld, in dit stadium nog onzeker. Het valt namelijk niet uit te sluiten dat de datum waarop rekwiranten besluiten met pensioen te gaan, eveneens gevolgen zal hebben voor de berekening van het eindbedrag van hun pensioen.
99
Deze constateringen wettigen het oordeel dat de door rekwiranten gestelde schade, die overigens uitsluitend materieel van aard is (zie punten 55‑63 hiervoor), niet zeker is in de zin van de hiervoor in punt 93 aangehaalde rechtspraak.
100
Hoe dan ook valt niet met zekerheid te zeggen, zoals het Gerecht voor ambtenarenzaken in punt 82 van het bestreden arrest heeft opgemerkt, dat op het tijdstip waarop rekwiranten met pensioen gaan en hun pensioenrechten worden afgewikkeld, de strekking en toepassingsvoorwaarden van artikel 77 van het Statuut en meer specifiek de tweede en vierde alinea ervan, nog steeds hetzelfde zullen zijn als ten tijde van de uitspraak van het onderhavige arrest.
101
Hieraan moet bovendien worden toegevoegd dat a priori niet kan worden uitgesloten dat het Hof van Justitie van de Europese Unie een soortgelijke bepaling zal vaststellen als die van artikel 7, lid 6, van het besluit van het administratief comité van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 17 oktober 2011 houdende algemene uitvoeringsbepalingen van de artikelen 11 en 12 van bijlage VIII bij het Statuut (zie punt 9 hiervoor), die van toepassing zou zijn op situaties als die waarin rekwiranten vrezen te zullen verkeren.
102
Uit het vorengaande volgt dat zolang de pensioenrechten van rekwiranten nog niet zijn afgewikkeld en de eventuele toepassing, in hun geval, van de regel van het minimum voor levensonderhoud nog niet heeft plaatsgevonden, de enkele omstandigheid dat rekwiranten uit een berekening op basis van hypothetische gegevens (zie punt 19 hiervoor) afleiden dat wanneer zij in de toekomst met pensioen zullen gaan, zal blijken dat hun nationale pensioenrechten helemaal voor niets zijn overgedragen, niet volstaat als bewijs dat er sprake is van een reële en zekere schade in de zin van de hiervoor in punt 93 aangehaalde rechtspraak dan wel een met voldoende zekerheid te verwachten schade in de zin van de hiervoor in punt 94 aangehaalde rechtspraak. Op dit moment kan uitsluitend met zekerheid worden vastgesteld, dat de nationale pensioenrechten van rekwiranten als gevolg van de ten aanzien van hen genomen besluiten tot toekenning van extra pensioenjaren zijn omgezet in extra pensioenjaren.
103
Het kapitaal dat overeenkomt met de nationale pensioenrechten van rekwiranten is immers niet verdwenen. Het is als gevolg van de overdracht ervan omgezet in extra pensioenjaren die in beginsel moeten worden meegeteld bij de berekening van hun pensioenrechten. Zoals het Hof van Justitie van de Europese Unie dan ook terecht heeft opgemerkt in punt 41 van de dupliek, kan in dit stadium niet worden geoordeeld dat de betrokken rechten helemaal voor niets zijn overgedragen.
104
Gesteld dus al dat er ten tijde van de afwikkeling van de pensioenrechten van rekwiranten geen enkele wettelijke of bestuursrechtelijke bepaling bestaat die hen in staat stelt het overgedragen kapitaal dat overeenkomt met de extra pensioenjaren die bij de berekening van hun ouderdomspensioen niet in aanmerking worden genomen, zelfs maar voor een deel terug te vorderen, dan zullen er beroepswegen voor rekwiranten openstaan waarmee zij het „verlies” van voornoemd kapitaal, zonder tegenprestatie, geldend zullen kunnen maken. Middels een beroep tegen de besluiten betreffende de afwikkeling van hun rechten en de berekening van hun pensioenen, welke besluiten bezwarend voor hen zijn voor zover als gevolg van de toepassing van de regel van het minimum voor levensonderhoud de extra pensioenjaren niet in aanmerking zouden worden genomen, kunnen zij in voorkomend geval de toepassing van de regel van het minimum voor levensonderhoud op hun specifieke geval betwisten voor zover dit ertoe zou leiden dat bij de berekening van hun pensioenrechten geen rekening wordt gehouden met de extra pensioenjaren die zijn toegekend naar aanleiding van de overdracht van hun nationale pensioenrechten naar de pensioenregeling van de Unie.
105
Tot slot moet eraan worden herinnerd dat de mogelijkheid om een beroep wegens ongerechtvaardigde verrijking van de Unie in te stellen niet aan de justitiabele kan worden ontzegd enkel en alleen omdat het VWEU niet uitdrukkelijk in een beroepsmogelijkheid voor een dergelijke actie voorziet. Zoals het Hof namelijk reeds heeft geoordeeld, zou een uitlegging van de artikelen 268 en 340 VWEU die deze mogelijkheid uitsluit, leiden tot een resultaat dat in strijd is met het beginsel van effectieve rechterlijke bescherming zoals dat is erkend door de rechtspraak van het Hof en opnieuw is bevestigd in artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie [zie arrest van 16 december 2008, Masdar (UK)/Commissie, C‑47/07 P, EU:C:2008:726, punten 47 en 50 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
106
In dit verband kan niet worden uitgesloten dat de weigering van een instelling om aan de betrokkene het deel van het kapitaal van zijn naar de pensioenregeling van de Unie overgedragen nationale pensioenrechten terug te betalen dat bij de afwikkeling van zijn pensioenrechten niet in aanmerking zal worden genomen, kan leiden tot oneigenlijke toe-eigening door deze instelling van een deel van de uit hoofde van de overdracht verzilverde nationale pensioenrechten, die immers volgens de rechtspraak toebehoren aan de betrokken functionaris, en daarmee tot ongerechtvaardigde verrijking van de Unie (zie naar analogie arrest van 30 januari 2003, Caballero Montoya/Commissie, T‑303/00, T‑304/00 en T‑322/00, EU:T:2003:20, punt 84 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
107
Gelet op de hiervoor uiteengezette en in dit stadium nog onzekere elementen van de berekening van het bedrag van het pensioen dat bij de afwikkeling van hun pensioenrechten aan rekwiranten zal worden toegekend, moet worden geoordeeld dat de door rekwiranten gestelde schade niet reëel en zeker is in de zin van de hiervoor in de punten 93 en 94 aangehaalde rechtspraak.
108
Derhalve moet worden vastgesteld dat het Gerecht voor ambtenarenzaken geen blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat de door rekwiranten gestelde schade niet reëel en zeker was. Gelet op deze vaststelling moet het tweede onderdeel van het onderhavige middel en daarmee de hogere voorziening in haar geheel worden afgewezen. Gelet op de hiervoor in punt 86 aangehaalde rechtspraak hoeft niet te worden ingegaan op het eerste onderdeel van het tweede middel dat rekwiranten hebben voorgedragen.
Kosten
109
Artikel 211, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering bepaalt dat wanneer de hogere voorziening ongegrond is of wanneer het Gerecht, bij gegrondheid ervan, de zaak zelf afdoet, het Gerecht over de proceskosten beslist.
110
Artikel 211, lid 4, van het Reglement voor de procesvoering bepaalt dat het Gerecht in geval van hogere voorziening ingesteld door een ambtenaar de kosten over de partijen kan verdelen indien de billijkheid dit vergt.
111
Uit de rechtsoverwegingen van dit arrest volgt dat rekwiranten in hogere voorziening in het ongelijk zijn gesteld. Voorts heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie in zijn conclusies uitdrukkelijk om verwijzing van rekwiranten in de kosten verzocht.
112
Gelet echter onder meer op de vragen die in de onderhavige hogere voorziening zijn opgeworpen en gezien het feit dat het Hof van Justitie van de Europese Unie in het ongelijk is gesteld met betrekking tot het eerste middel van rekwiranten, is het Gerecht van oordeel dat recht wordt gedaan aan de omstandigheden van het onderhavige geval wanneer rekwiranten een kwart van hun eigen kosten zullen dragen en het Hof van Justitie van de Europese Unie, behalve zijn eigen kosten, driekwart van de kosten van rekwiranten zal dragen.
HET GERECHT (Kamer voor hogere voorzieningen),
rechtdoende, verklaart:
1)
De hogere voorziening wordt afgewezen.
2)
Rekwiranten dragen een kwart van hun kosten.
3)
Het Hof van Justitie van de Europese Unie draagt zijn eigen kosten en driekwart van de kosten van rekwiranten.
Van der Woude
Kanninen
Gratsias
Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 18 september 2018.
ondertekeningen
( *1 ) Procestaal: Frans.
Full & Egal Universal Law Academy