7.3.2016
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 90/23
Beroep ingesteld op 8 januari 2016 — Apimab Laboratoires e.a./Commissie
(Zaak T-14/16)
(2016/C 090/32)
Procestaal: Frans
Partijen
Verzoekende partijen: Apimab Laboratoires (Clermont-l’Hérault, Frankrijk), Sarl BBI — Blanche Bresson Institut (Barbentane, Frankrijk), Institut de recherche biologique — IRB (Montaigu, Frankrijk), Laboratoires Arkopharma (Carros, Frankrijk), Laboratoires Juva Santé (Parijs, Frankrijk), Ortis (Bütgenbach, België), Pierre Fabre Médicament (Boulogne-Billancourt, Frankrijk), Pollenergie (Saint-Hilaire-de-Lusignan, Frankrijk) (vertegenwoordiger: A. de Brosses, advocaat)
Verwerende partij: Europese Commissie
Conclusies
—
oordelen dat verordening nr. 2015/1933 van 27 oktober 2015 zonder voorafgaande raadpleging van de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid, en derhalve in strijd met de voor de vaststelling ervan geldende procedure is vastgesteld;
—
oordelen dat de Commissie het recht onjuist heeft toegepast door verordening nr. 2015/1933 in strijd met artikel 6 van verordening nr. 178/2002 vast te stellen zonder wetenschappelijke risicoanalyse;
—
oordelen dat de Commissie een kennelijke beoordelingsfout heeft gemaakt door bij verordening nr. 2015/1933 van 27 oktober 2015 het gehalte aan benzo(a)pyreen in bepaalde voedingssupplementen te beperken tot 10 microgram bij afzonderlijk gebruik, en tot 50 microgram bij vermenging met andere stoffen;
—
oordelen dat de Commissie het evenredigheidsbeginsel heeft geschonden door bij verordening nr. 2015/1933 van 27 oktober 2015 het gehalte aan benzo(a)pyreen in bepaalde voedingssupplementen te beperken tot 10 microgram bij afzonderlijk gebruik, en tot 50 microgram bij vermenging met andere stoffen;
—
oordelen dat de Commissie het beginsel van non-discriminatie heeft geschonden door bij verordening nr. 2015/1933 van 27 oktober 2015 het gehalte aan benzo(a)pyreen in bepaalde voedingssupplementen te beperken tot 10 microgram bij afzonderlijk gebruik, en tot 50 microgram bij vermenging met andere stoffen.
Bijgevolg:
—
verordening nr. 2015/1933 van 27 oktober 2015 nietig verklaren voor zover het de bepalingen over voedingssupplementen betreft;
—
de Commissie verwijzen in alle kosten.
Middelen en voornaamste argumenten
Ter ondersteuning van hun beroep voeren de verzoekende partijen zes middelen aan.
1.
Eerste middel, inhoudend dat de Commissie de procedurevoorschriften als vervat in verordening (EEG) nr. 315/93 van de Raad van 8 februari 1993 tot vaststelling van communautaire procedures inzake verontreinigingen in levensmiddelen (hierna: „kaderverordening”) heeft geschonden bij de vaststelling van verordening (EU) nr. 2015/1933 van de Commissie van 27 oktober 2015 tot wijziging van verordening (EG) nr. 1881/2006 wat betreft de maximumgehalten aan polycyclische aromatische koolwaterstoffen in cacaovezels, bananenchips, voedingssupplementen, gedroogde kruiden en gedroogde specerijen (hierna: „bestreden verordening”).
2.
Tweede middel, inhoudend dat de Commissie het recht bij de vaststelling van de bestreden verordening onjuist heeft toegepast en artikel 2 van de kaderverordening heeft geschonden, hetgeen de nietigverklaring van de bestreden verordening wegens het ontbreken van een rechtsgrondslag rechtvaardigt.
3.
Derde middel, inhoudend dat de Commissie het recht onjuist heeft toegepast doordat zij de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid niet heeft geraadpleegd en vooraf geen enkele wetenschappelijke analyse heeft verricht, hetgeen in strijd is met de eisen van artikel 6 van verordening nr. 178/2002, die een voorafgaande risicoanalyse voorschrijft.
4.
Vierde middel, ontleend aan een kennelijke beoordelingsfout doordat de bestreden verordening stilzwijgend berust op de constatering dat consumenten via voedingssupplementen en via gangbare voedingsmiddelen vergelijkbare hoeveelheden aan polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK’s) binnenkrijgen, hetgeen niet het geval is.
5.
Vijfde middel, inhoudend dat de Commissie het evenredigheidsbeginsel heeft geschonden doordat de vaststelling van de maximumgehalten aan PAK’s verder gaat dan nodig is voor de bescherming van de volksgezondheid.
6.
Zesde middel, inhoudend dat de Commissie het beginsel van non-discriminatie heeft geschonden doordat bij de bestreden verordening geen rekening is gehouden met de verschillen tussen voedingssupplementen en overige levensmiddelen in die zin dat de maximumgehalten aan PAK’s worden afgestemd op het betrokken soort levensmiddel.
Full & Egal Universal Law Academy