25.4.2016
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 145/32
Hogere voorziening ingesteld op 26 februari 2016 door Nicole Clarke, Sigrid Dickmanns en Elisavet Papathanasiou tegen het arrest van het Gerecht voor ambtenarenzaken van 15 december 2015 in de gevoegde zaken F-101/14, F-102/14 en F-103/14, Clarke e.a./EUIPO
(Zaak T-89/16 P)
(2016/C 145/39)
Procestaal: Duits
Partijen
Rekwirerende partijen: Nicole Clarke (Alicante, Spanje), Sigrid Dickmanns (Gran Alacant, Spanje) en Elisavet Papathanasiou (Alicante) (vertegenwoordiger: H. Tettenborn, advocaat)
Andere partij in de procedure: Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO)
Conclusies
De rekwirerende partijen verzoeken het Gerecht:
—
het arrest van het Gerecht voor ambtenarenzaken van de Europese Unie (Derde kamer) van 15 december 2015 in de gevoegde zaken F-101/14, F-102/14 en F-103/14 volledig te vernietigen;
—
te beslissen overeenkomstig de in die procedures door de rekwirerende partijen ingediende vorderingen;
—
het EUIPO te verwijzen in de kosten van de volledige procedure, dat wil zeggen de procedure voor het Gerecht voor ambtenarenzaken en de procedure voor het Gerecht van de EU.
Middelen en voornaamste argumenten
Ter ondersteuning van de hogere voorziening voeren de rekwirerende partijen vier middelen aan.
1.
Eerste middel: onjuiste toepassing van de in hun arbeidsovereenkomsten opgenomen opzeggingsclausule alsmede van de tussen het EUIPO en de respectieve rekwirerende partijen gesloten „protocollen voor de hernieuwde indienstneming”, aangezien de betrokken vergelijkende onderzoeken niet de „eerstvolgende” zijn in de zin van de opzeggingsclausule.
2.
Tweede middel: onjuiste toepassing van de in hun arbeidsovereenkomsten opgenomen opzeggingsclausule, aangezien de betrokken vergelijkende onderzoeken geen betrekking hebben op het daarin opgenomen bijzondere gebied van „industriële eigendom” en derhalve niet leiden tot toepassing van de opzeggingsclausule.
De rekwirerende partijen verwijten het Gerecht voor ambtenarenzaken (hierna: „GVA”) in het kader van het eerste en tweede middel dat het in het bestreden arrest de bewoordingen, de zin en het doel alsmede de tijdelijke begrenzing en de toepassing in de tijd van de opzeggingsclausule verkeerd heeft opgevat.
3.
Derde middel: onjuiste toepassing van artikel 8, lid 1, van de Regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van de Europese Unie (hierna: „RAP”)
De rekwirerende partijen stellen in dit verband dat het GVA in het bestreden arrest geen rekening heeft gehouden met het feit dat de door hen en door het EUIPO ondertekende „protocollen voor de hernieuwde indienstneming” als contractuele afspraak telkens een ten minste tweede verlenging van hun arbeidsovereenkomsten vormden, hetgeen ingevolge artikel 8, lid 1, RAP ertoe heeft geleid dat hun arbeidsovereenkomsten moeten worden aangemerkt als overeenkomsten voor onbepaalde tijd.
4.
Vierde middel: onjuiste toepassing van de zorgplicht en van het beginsel van bescherming van het gewettigd vertrouwen
In dit verband wordt aangevoerd dat het GVA voor de vraag of het EUIPO heeft voldaan aan zijn zorgplicht dan wel of BHIM het beginsel van bescherming van het gewettigd vertrouwen heeft geëerbiedigd, doordat het pas negen jaar na de ondertekening van de opzeggingsclausule een vergelijkend onderzoek heeft georganiseerd dat beslissend was voor de professionele toekomst van de rekwirerende partijen, ten onrechte is uitgegaan van het tijdstip van de hernieuwde indienstneming en niet van het tijdstip van ondertekening van de opzeggingsclausule.
Full & Egal Universal Law Academy