13.6.2016
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 211/55
Beroep ingesteld op 4 april 2016 — Dröge e.a./Commissie
(Zaak T-142/16)
(2016/C 211/69)
Procestaal: Duits
Partijen
Verzoekende partijen: Katharina Dröge (Berlijn, Duitsland), Britta Haßelmann (Berlijn) en Anton Hofreiter (Berlijn) (vertegenwoordiger: Professor W. Cremer)
Verwerende partij: Europese Commissie
Conclusies
De verzoekende partijen verzoeken het Gerecht:
—
de vermoedelijk ongepubliceerde en mondelinge wilsverklaring van verweerster, gericht op het sluiten van een voor de verdragspartijen Europese Unie en Verenigde Staten van Amerika bindende overeenkomst over de voorwaarden voor toegang tot de documenten inzake de onderhandelingen over een trans-Atlantisch partnerschap voor handel en investeringen (zogeheten TTIP-documenten) nietig of subsidiair strijdig met het Unierecht te verklaren voor zover het leden van de parlementen van de lidstaten op grond daarvan zonder uitzondering is verboden zich door (gescreende) medewerkers, met inbegrip van fractiemedewerkers, te laten begeleiden bij de inzage in de documenten in de daarvoor ingerichte TTIP-leesruimten (zie voor de toegangsregeling bijlage III van het Raadsdocument nr. 14029/15);
—
het op de aflegging van de bovengenoemde wilsverklaring gerichte eerdere en vermoedelijk ongepubliceerde (mondelinge) besluit van verweerster tot goedkeuring van de overeenkomst (hierna: „goedkeuringsbesluit”) nietig te verklaren voor zover het leden van de parlementen van de lidstaten op grond daarvan zonder uitzondering is verboden zich door (gescreende) medewerkers, met inbegrip van fractiemedewerkers, te laten begeleiden bij de inzage in de documenten in de daarvoor ingerichte TTIP-leesruimten;
—
het (mondelinge) besluit van verweerster met betrekking tot de sluiting van de overeenkomst of een niet-bindende politieke afspraak met de Verenigde Staten van Amerika over de toegangsregeling tot de TTIP, waarbij deze regeling als Unierechtelijk bindend is verklaard („toepassingsbesluit”), nietig te verklaren voor zover het leden van de parlementen van de lidstaten op grond daarvan zonder uitzondering is verboden zich door (gescreende) medewerkers, met inbegrip van fractiemedewerkers, te laten begeleiden bij de inzage in de documenten in de daarvoor ingerichte TTIP-leesruimten;
—
verweerster verwijzen in de kosten.
Middelen en voornaamste argumenten
Ter ondersteuning van haar beroep voert de verzoekende partij twee middelen aan.
1.
Eerste middel: schending van artikel 10, lid 3, tweede volzin, VEU juncto artikel 1, lid 2, VEU
Verzoekers stellen dat artikel 10, lid 3, tweede volzin, VEU een voor de Unie en haar organen bindend objectiefrechtelijk gebod vormt om haar beslissingen op een zo open mogelijke wijze te nemen. Dit optimaliseringsgebod dat door artikel 1, lid 2 VEU is versterkt en een zo groot mogelijke transparantie van het optreden van de Unie beoogt, kan inderdaad terzijde worden gesteld indien hiertegen in een afzonderlijk geval een rechtvaardigingsgrond in de vorm van een legitieme doelstelling van het Unierecht kan worden opgeworpen en de beperking passend, noodzakelijk en evenredig is ter verwezenlijking van het doel. Dergelijke gronden bestaan echter niet met betrekking tot de voor de nationale parlementsleden geweigerde mogelijkheid zich bij de toegang tot de TTIP-documenten door gescreende fractiemedewerkers te laten begeleiden.
Bovendien valt evenmin te rechtvaardigen dat de Unieburgers geen toegang hebben tot de TTIP-documenten, zoals deze in de leesruimten ter inzage liggen.
Daarenboven is reeds sprake van schending van artikel 10, lid 3, tweede volzin, VEU om de reden dat het mandaat van verweerster voor de TTIP-onderhandelingen betrekking heeft op onderwerpen die binnen de bevoegdheid van de lidstaten vallen.
2.
Tweede middel: schending van artikel 15, lid 1, VWEU, juncto artikel 1, lid 2, VEU op de in het eerste middel genoemde gronden.