25.7.2016
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 270/48
Beroep ingesteld op 14 mei 2016 — Klyuyev/Raad
(Zaak T-240/16)
(2016/C 270/56)
Procestaal: Engels
Partijen
Verzoekende partij: Andriy Klyuyev (Donetsk, Oekraïne) (vertegenwoordigers: B. Kennelly en J. Pobjoy, barristers, R. Gherson en T. Garner, solicitors)
Verwerende partij: Raad van de Europese Unie
Conclusies
—
nietig verklaren van besluit (GBVB) 2016/318 van de Raad van 4 maart 2016 tot wijziging van besluit 2014/119/GBVB betreffende beperkende maatregelen tegen bepaalde personen, entiteiten en lichamen in het licht van de situatie in Oekraïne en van uitvoeringsverordening (EU) 2016/311 van de Raad van 4 maart 2016 tot uitvoering van verordening (EU) nr. 208/2014 betreffende beperkende maatregelen tegen bepaalde personen, entiteiten en lichamen in het licht van de situatie in Oekraïne, voor zover zij verzoeker betreffen;
—
subsidiair, verklaren dat i) artikel 1, lid 1, van besluit 2014/119/GBVB van de Raad van 5 maart 2014 (zoals gewijzigd) en ii) artikel 3, lid 1, van verordening (EU) nr. 208/2014 van de Raad van 5 maart 2014 (zoals gewijzigd) niet van toepassing zijn voor zover zij verzoeker betreffen, omdat zij onrechtmatig zijn, en
—
de Raad verwijzen in de kosten.
Middelen en voornaamste argumenten
Ter ondersteuning van zijn beroep voert verzoeker zes middelen aan.
1.
Eerste middel (ter ondersteuning van het verzoek tot nietigverklaring): de Raad heeft geen geldige rechtsgrondslag gegeven voor de bestreden maatregelen.
—
Verzoeker voert aan dat artikel 29 VEU geen geldige rechtsgrondslag vormt voor besluit 2014/119/GBVB van de Raad van 5 maart 2014, omdat hij in de tegen hem ingediende klacht niet werd aangewezen als een persoon die de democratie in Oekraïne had ondermijnd of het Oekraïense volk de voordelen van de duurzame ontwikkeling van hun land (in de zin van artikel 23 VEU en de algemene bepalingen van artikel 21, lid 2, VEU) had ontzegd. Aangezien het derde wijzigingsbesluit — naar verzoeker beweert — ongeldig was, kon de Raad zich voor de vaststelling van verordening (EU) nr. 208/2014 van de Raad van 5 maart 2014 niet op artikel 215, lid 2, VWEU baseren.
2.
Tweede middel (ter ondersteuning van het verzoek tot nietigverklaring): schending van verzoekers rechten op grond van artikel 6, junctis de artikelen 2 en 3, VEU en de artikelen 47 en 48 van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie, doordat de Raad ervan is uitgegaan dat de gerechtelijke procedures in Oekraïne in overeenstemming waren met de fundamentele mensenrechten.
3.
Derde middel (ter ondersteuning van het verzoek tot nietigverklaring): de Raad heeft kennelijke beoordelingsfouten gemaakt door vast te stellen dat was voldaan aan het criterium voor plaatsing van verzoeker op een lijst, vastgelegd in artikel 1, lid 1, van besluit 2014/119/GBVB van de Raad van 5 maart 2014 (zoals gewijzigd) en artikel 3, lid 1, van verordening (EU) nr. 208/2014 van de Raad van 5 maart 2014 (zoals gewijzigd).
4.
Vierde middel (ter ondersteuning van het verzoek tot nietigverklaring): de Raad heeft verzoekers rechten van verdediging en het recht op behoorlijk bestuur en op een doeltreffende voorziening in rechte geschonden. Meer in het bijzonder heeft de Raad volgens verzoeker onzorgvuldig en onpartijdig onderzocht of de redenen die waren aangevoerd ter rechtvaardiging van de hernieuwde plaatsing van verzoeker op een lijst, gegrond waren in het licht van de opmerkingen die verzoeker had gemaakt voordat hij opnieuw op een lijst werd geplaatst.
5.
Vijfde middel (ter ondersteuning van het verzoek tot nietigverklaring): de Raad heeft, zonder rechtvaardiging of evenredigheid, verzoekers grondrechten geschonden, daaronder begrepen zijn recht op bescherming van zijn eigendom en zijn goede naam. Volgens verzoeker hebben de bestreden handelingen vergaande gevolgen voor hem, zowel wat zijn eigendom als zijn reputatie wereldwijd betreft. De Raad heeft niet aangetoond dat de bevriezing van verzoekers activa en economische middelen verband houdt met of gerechtvaardigd is door een legitieme doelstelling en al helemaal niet dat die bevriezing evenredig is aan een dergelijke doelstelling.
6.
Zesde middel (ter ondersteuning van het verzoek tot onrechtmatigverklaring): indien, anders dan in het derde middel wordt betoogd, artikel 1, lid 1, van besluit 2014/119/GBVB van de Raad van 5 maart 2014 (zoals gewijzigd) en artikel 3, lid 1, van verordening (EU) nr. 208/2014 van de Raad van 5 maart 2014 (zoals gewijzigd), aldus moeten worden uitgelegd dat a) daarmee ieder onderzoek door een Oekraïense autoriteit, ongeacht of er een rechterlijke beslissing of procedure aan ten grondslag ligt, dan wel of met een dergelijke beslissing of procedure controle of toezicht op dat onderzoek wordt uitgeoefend en/of b) enig „machtsmisbruik door een openbaar ambtsdrager om een ongerechtvaardigd voordeel te verkrijgen”, ongeacht of sprake is van een gestelde verduistering van overheidsmiddelen, wordt bedoeld, het criterium voor plaatsing op de lijst, gelet op de willekeurige omvang en strekking die uit een dergelijke ruime uitlegging zouden voortvloeien, geen geldige rechtsgrondslag zou hebben en/of onevenredig aan de doelstellingen van artikel 1, lid 1, van besluit 2014/119/GBVB van de Raad van 5 maart 2014 en artikel 3, lid 1, van verordening (EU) nr. 208/2014 van de Raad van 5 maart 2014 zou zijn. Om die reden zouden de bepalingen onrechtmatig zijn