22.8.2016
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 305/38
Beroep ingesteld op 24 mei 2016 — Zweden/Commissie
(Zaak T-260/16)
(2016/C 305/53)
Procestaal: Zweeds
Partijen
Verzoekende partij: Koninkrijk Zweden (vertegenwoordigers: A. Falk, N. Otte Widgren, C. Meyer-Seitz, U. Persson en L. Swedenborg)
Verwerende partij: Europese Commissie
Conclusies
—
primair uitvoeringsbesluit (EU) 2016/417 van de Commissie van 17 maart 2016 (hierna: „bestreden besluit”) nietig verklaren, voor zover dit besluit inhoudt dat een forfaitaire financiële correctie dient te worden doorgevoerd ten belope van 10 % — wat overeenkomt met 8 811 286,44 EUR — van de ontkoppelde rechtstreekse steun die voor het aanvraagjaar 2013 aan Zweden is betaald op grond van verordening (EG) nr. 73/2009 van de Raad van 19 januari 2009 tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften voor regelingen inzake rechtstreekse steunverlening aan landbouwers in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot vaststelling van bepaalde steunregelingen voor landbouwers, tot wijziging van verordeningen (EG) nr. 1290/2002, (EG) nr. 247/2006, (EG) nr. 378/2007 en tot intrekking van verordening (EG) nr. 1782/2003;
—
subsidiair het bestreden besluit intrekken en voormeld aan financiering te onttrekken bedrag verlagen tot 1 022 259,46 EUR;
—
de Commissie verwijzen in de kosten van het geding.
Middelen en voornaamste argumenten
Verzoeker voert aan dat de Commissie artikel 52 van verordening (EU) nr. 1306/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 inzake de financiering, het beheer en de monitoring van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot intrekking van verordeningen (EEG) nr. 352/78, (EG) nr. 165/94, (EG) nr. 2799/98, (EG) nr. 814/2000, (EG) nr. 1290/2005 en (EG) nr. 485/2008 van de Raad heeft geschonden, alsook artikel 11, lid 1, van verordening (EG) nr. 885/2006 van de Commissie van 21 juni 2006 houdende uitvoeringsbepalingen van verordening (EG) nr. 1290/2005 van de Raad met betrekking tot de erkenning van de betaalorganen en andere instanties en de goedkeuring van de rekeningen inzake het ELGF en het Elfpo heeft geschonden, doordat zij in de krachtens deze bepalingen vereiste kennisgeving aan de betrokken lidstaat niet heeft gepreciseerd welke tekortkoming verzoeker in casu wordt verweten, noch heeft aangegeven welke correctiemaatregelen moeten worden getroffen om ervoor te zorgen dat de desbetreffende Unierechtelijke voorschriften voortaan worden nageleefd. Deze kennisgeving kan derhalve niet ten grondslag worden gelegd aan het besluit om Zweden de litigieuze forfaitaire financiële correctie op te leggen.
Voorts betoogt verzoeker dat de Commissie het bestreden besluit heeft genomen op basis van onjuiste conclusies die zij heeft getrokken uit het feit dat het aantal vastgestelde fouten verschillend is naargelang teledetectie wordt toegepast dan wel klassieke controles ter plaatse worden uitgevoerd. Volgens verzoeker is de Commissie er niet in geslaagd aan te tonen waarin de vermeende tekortkomingen bestaan of hoe deze voor het ELGF een risico op schade zouden hebben opgeleverd. Verzoeker stelt dat hij de nodige steekproeven voor controles heeft geselecteerd en in wezen de risicoanalyse heeft verricht die wordt voorgeschreven door artikel 31 van verordening (EG) nr. 1122/2009 van de Commissie van 30 november 2009 tot vaststelling van bepalingen ter uitvoering van verordening (EG) nr. 73/2009 van de Raad wat betreft de randvoorwaarden, de modulatie en het geïntegreerd beheers- en controlesysteem in het kader van de bij die verordening ingestelde regelingen inzake rechtstreekse steunverlening aan landbouwers en ter uitvoering van verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad wat betreft de randvoorwaarden in het kader van de steunregeling voor de wijnsector. Anders dan de Commissie beweert, heeft Zweden het ELGF bijgevolg niet blootgesteld aan risico’s. Het besluit van de Commissie houdende een forfaitaire correctie met 2 % is volgens verzoeker dan ook in strijd met artikel 31 van verordening (EG) nr. 1290/2005 van de Raad van 21 juni 2005 betreffende de financiering van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en met artikel 52 van verordening nr. 1306/2013.
Voor het geval dat het Gerecht tot de slotsom zou komen dat de risicoanalyse niet effectief was in de zin van artikel 31, lid 2, van verordening nr. 1122/2009, voert verzoeker subsidiair aan dat de Commissie geen redenen had om een forfaitaire correctie van 2 % toe te passen. Noch de ernst van de vermeende overtreding — gelet op de aard en de omvang ervan — noch de financiële schade die zij de Unie zou hebben kunnen toebrengen, vormt een rechtvaardiging voor het bedrag van 8 811 286,44 EUR dat bij het bestreden besluit aan financiering door de Unie is onttrokken. Verzoeker betoogt dat het met een redelijke inspanning mogelijk is het bedrag vast te stellen dat overeenstemt met het risico dat de overtreding zou hebben kunnen opleveren. De toepassing van de thans in het geding zijnde forfaitaire correctie is dan ook in strijd met artikel 52, lid 2, van verordening nr. 1306/2013 alsook met de richtsnoeren van de Commissie voor de berekening van de financiële consequenties bij de voorbereiding van de beschikking inzake de goedkeuring van de rekeningen in het kader van het EOGFL, afdeling Garantie (document nr. VI/5330/97) en met het evenredigheidsbeginsel. Volgens verzoeker dient het bij wege van forfaitaire correctie vastgestelde bedrag derhalve te worden verlaagd.
Full & Egal Universal Law Academy