8.8.2016
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 287/25
Beroep ingesteld op 27 mei 2016 — Tarmac Trading/Commissie
(Zaak T-267/16)
(2016/C 287/31)
Procestaal: Engels
Partijen
Verzoekende partij: Tarmac Trading Ltd. (Birmingham, Verenigd Koninkrijk) (vertegenwoordigers: D. Anderson en P. Halford, Solicitors en K. Beal, QC)
Verwerende partij: Europese Commissie
Conclusies
—
nietigverklaring van besluit (EU) 2016/288 van de Commissie van 27 maart 2015 betreffende steunmaatregel SA.34775 (13/C) (ex 12/NN) — Heffing over aggregaten — en in het bijzonder de overwegingen (625), (626), (629) en (630) en de artikelen 5 en 7 van dat bestreden besluit, op grond dat:
—
in het bestreden besluit uitsluitend de ondernemingen die tussen 1 april 2002 en de datum van het besluit schalie en hoofdzakelijk uit schalie bestaande producten hebben vervaardigd („schalieproducenten”) als begunstigden van de onrechtmatige steun worden aangemerkt; en
—
in het bestreden besluit alleen het van de schalieproducenten terug te vorderen bedrag aan steun wordt gespecificeerd, wordt voorgeschreven dat van hen het volledige bedrag aan heffingen over aggregaten („AGL”) waarvoor de onrechtmatige vrijstellingen golden, wordt teruggevorderd, en de regering van het VK niet wordt verplicht het terug te vorderen bedrag te verminderen in de mate waarin de schalieproducenten het voordeel uit die vrijstellingen hebben doorgegeven aan hun klanten; en
—
verwijzing van de Commissie in de kosten van verzoekster in deze procedure.
Middelen en voornaamste argumenten
Ter ondersteuning van haar beroep voert verzoekster twee middelen aan.
1.
Eerste middel, ontleend aan onjuiste toepassing van het recht en/of een kennelijke beoordelingsfout bij de vaststelling van de begunstigden en de kwantificering van het terug te vorderen steunbedrag.
Volgens verzoekster heeft de Commissie het recht onjuist toegepast en/of een kennelijke beoordelingsfout gemaakt doordat in het bestreden besluit uitsluitend de schalieproducenten als begunstigden van de onrechtmatige steun worden aangemerkt en het Verenigd Koninkrijk niet wordt verplicht om het van hen terug te vorderen bedrag te verminderen in de mate waarin zij het voordeel uit de schalievrijstelling hebben doorgegeven aan hun klanten.
—
Verzoekster wijst op de rechtspraak van het Gerecht in zaak T-308/00 RENV, Salzgitter/Commissie (ECLI:EU:T:2013:30), waarin is bepaald dat de terugvordering moet worden beperkt tot de financiële voordelen die werkelijk zijn voortgevloeid uit de beschikbaarstelling van de steun aan de begunstigde, en daarmee in verhouding moet staan. Voorts stelt verzoekster dat in zaken T-473/12, Aer Lingus/Commissie (ECLI:EU:T:2015:78), en T-500/12, Ryanair/Commissie (ECLI:EU:T:2015:73), is bepaald dat in geval van steun bestaande in een verlaging van een indirecte belasting op het verbruik van een specifiek goed of een specifieke dienst waarvan het de bedoeling was dat de onderneming deze zou doorgeven aan haar klanten, en waar het economische voordeel uit de toepassing van het lagere tarief ook aan de klanten kon zijn doorgegeven, het van de onderneming terug te vorderen steunbedrag enkel het daadwerkelijk door de onderneming verkregen en behouden voordeel was.
—
Verzoekster brengt verder naar voren dat AGL een indirecte belasting op het verbruik van aggregaten is waarvan het de bedoeling (van de regering van het VK) is dat de ondernemingen die zich bezighouden met de winning en commerciële exploitatie van de aggregaten, deze doorberekenen aan hun klanten. Het economische voordeel uit de schalievrijstellingen kon volgens verzoekster door de schalieproducenten (waaronder verzoekster) zijn doorgegeven — en is ook daadwerkelijk doorgegeven — in de vorm van lagere verkoopprijzen.
—
Verzoekster brengt verder naar voren dat terugvordering van het volledige bedrag aan niet betaalde heffingen over aggregaten om dezelfde reden ook niet kan zorgen voor herstel in de situatie zoals die bestond voordat de steun werd verleend, en nieuwe concurrentieverstoringen teweeg kan brengen, aangezien daarbij van de schalieproducenten (waaronder verzoekster) mogelijkerwijs hogere bedragen worden teruggevraagd dan het voordeel dat zij daadwerkelijk hebben genoten.
—
Daarom is volgens verzoekster, gelet op de zaken T-473/12, Aer Lingus/Commissie (ECLI:EU:T:2015:78), en T-500/12, Ryanair/Commissie (ECLI:EU:T:2015:73), de enige van de schalieproducenten terug te vorderen steun het daadwerkelijk door hen verkregen en behouden voordeel.
—
Ten slotte brengt verzoekster naar voren dat de Commissie het recht heeft geschonden, artikel 108 VWEU en/of artikel 14 van verordening (EG) nr. 659/1999 van de Raad van 22 maart 1999 tot vaststelling van nadere bepalingen voor de toepassing van artikel 93 van het EG-Verdrag (PB L 83, blz. 1) onjuist heeft toegepast en/of een kennelijke beoordelingsfout heeft gemaakt, aangezien in het bestreden besluit wordt bepaald dat van de schalieproducenten het volledige bedrag aan AGL moet worden teruggevorderd waarvan zij op grond van de schalievrijstellingen waren vrijgesteld, zonder enige verlaging om rekening te houden met het voordeel dat de schalieproducenten hebben doorgegeven aan hun klanten.
2.
Tweede middel, ontleend aan schending van het Unierechtelijke evenredigheidsbeginsel.
Verzoekster brengt naar voren dat indien van verzoekster het volledige bedrag aan niet betaalde heffingen over aggregaten met betrekking tot de door haar verhandelde schalie zou worden teruggevorderd, dit in strijd met artikel 14, lid 1, van verordening (EG) nr. 659/1999 van de Raad niet in verhouding zou staan met enig financieel voordeel uit de beschikbaarstelling aan haar van de steun. Verzoekster heeft het voordeel uit de vrijstelling van AGL volledig doorgegeven aan haar klanten en het zou voor haar praktisch onmogelijk zijn om met terugwerkende kracht die niet betaalde AGL van haar klanten terug te vorderen.