25.7.2016
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 270/53
Beroep ingesteld op 25 mei 2016 — Griekenland/Commissie
(Zaak T-272/16)
(2016/C 270/61)
Procestaal: Grieks
Partijen
Verzoekende partij: Helleense Republiek (vertegenwoordigers: G. Kanellopoulos, O. Tsirkinidou, Α. Vasilopoulou en D. Ntourntoureka)
Verwerende partij: Europese Commissie
Conclusies
De verzoekende partij verzoekt het Gerecht:
—
het bestreden uitvoeringsbesluit van de Commissie van 17 maart 2016 houdende onttrekking aan EU-financiering van bepaalde uitgaven die de lidstaten hebben verricht in het kader van het Europees Landbouwgarantiefonds (ELGF) of in het kader van het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (Elfpo), waarvan kennis is gegeven onder het nummer C(2016) 1509 en dat is bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie van 22 maart 2016, L 75, blz. 16, nietig te verklaren:
a)
voor zover daarbij aan EU-financiering worden onttrokken uitgaven ten belope van een totaal bedrag van 166 797 866,22 EUR die als ontkoppelde rechtstreekse steun zijn verricht in de boekjaren 2012 en 2013, en met name (1) een forfaitaire financiële correctie van 25 % voor het jaar 2012 en (2) een forfaitaire financiële correctie en een eenmalige financiële correctie voor het jaar 2013 worden toegepast;
b)
voor zover daarbij aan EU-financiering worden onttrokken uitgaven ten belope van een totaal bedrag van 3 880 460,50 EUR die voor plattelandsontwikkeling Efpo as 1 + 3 — investeringsgerichte maatregelen (2007-2013) zijn verricht, en met name (1) een forfaitaire financiële correctie van 5 % voor de boekjaren 2010-2013 met betrekking tot maatregel 125 en (2) een eenmalige correctie voor de boekjaren 2011-2013 worden toegepast;
c)
voor zover daarbij niet volledig uitvoering wordt gegeven aan het definitieve arrest van het Gerecht van de Europese Unie van 19 november 2015 in zaak T-107/14 en aan de Helleense Republiek niet onmiddellijk een bedrag van 29 366 975,06 EUR is terugbetaald;
—
de Commissie te verwijzen in de kosten.
Middelen en voornaamste argumenten
Ter ondersteuning van haar beroep voert de verzoekende partij acht gronden voor nietigverklaring aan.
Met betrekking tot de financiële correctie ten belope van een totaal bedrag van 166 797 866,22 EUR betreffende de uitgaven die als ontkoppelde rechtstreekse steun zijn verricht in de jaren 2012 en 2013, voert de Helleense Republiek met name drie middelen voor nietigverklaring aan.
De eerste grond voor nietigverklaring, die wordt aangevoerd met betrekking tot de voor het boekjaar 2012 toegepaste correctie, betreft de onjuiste uitlegging en toepassing van artikel 2, lid 2, van verordening nr. 796/2004 (1) [en van artikel 2, onder a), van de daaraanvolgende verordening nr. 1120/2009 (2)].
De tweede grond voor nietigverklaring, die eveneens wordt aangevoerd met betrekking tot de voor het boekjaar 2012 toegepaste correctie, betreft de onjuiste uitlegging en toepassing van de richtsnoeren die vervat liggen in document VI/5530/1997 met betrekking tot het vervuld zijn van de voorwaarden voor toepassing van een financiële correctie van 25 % voor het jaar 2012; aangevoerd wordt dat de Commissie haar discretionaire bevoegdheid heeft overschreden, en daarbij het evenredigheidsbeginsel heeft geschonden (deel A) en de financiële correctie onjuist heeft berekend (deel B).
Als derde grond voor nietigverklaring, die wordt aangevoerd met betrekking tot de voor het boekjaar 2013 toegepaste correctie, wordt gesteld dat die correctie onrechtmatig is, misbruik oplevert en tegenstrijdig is, dat zij op een onjuiste uitlegging en toepassing van de in document VI/5530/1997 vervat liggende richtsnoeren berust, en dat zij het beginsel van behoorlijk bestuur, het evenredigheidsbeginsel, het beginsel ne bis in idem en de rechten van de verdediging schendt.
Met betrekking tot de financiële correctie onder de rubriek plattelandsontwikkeling Efpo as 1 + 3 — investeringsgerichte maatregelen (2007-2013) worden vier gronden voor nietigverklaring aangevoerd.
De vierde en de vijfde grond voor nietigverklaring, die worden aangevoerd met betrekking tot de voor maatregel 125 toegepaste correctie, betreffende het ontbreken van rechtsgrondslag en van rechtvaardigingsgronden, en een dwaling omtrent de feiten: de beheersautoriteit zou al haar bevoegdheden rechtmatig en ten volle hebben uitgeoefend (vierde grond) en de toepassing van een forfaitaire financiële correctie van 5 % voor de in de loop van het boekjaar 2010 verrichte uitgaven, te weten 506 480,19 EUR, zou in strijd zijn met artikel 31 van verordening nr. 1290/2005 (3), omdat het daarbij gaat om uitgaven die zijn verricht meer dan vierentwintig (24) maanden voordat de Commissie de betrokken lidstaat schriftelijk van de resultaten van de verificaties in kennis heeft gesteld.
Als zesde grond voor nietigverklaring, die wordt aangevoerd met betrekking tot de voor maatregel 121 toegepaste correctie, wordt gesteld dat het besluit onrechtmatig is omdat de toegepaste correctie of de met overeenkomstige toepassing van artikel 63 van verordening nr. 809/2014 (4) gevolgde methode voor de berekening ervan niet in overeenstemming is met artikel 31 van verordening nr. 1290/2005 en met de in document VI/5530/1997 vervat liggende richtsnoeren; verder zou de toepassing van die correctie gevolgen sorteren die onevenredig zijn aan de vastgestelde tekortkomingen. Subsidiair wordt, met betrekking tot dezelfde maatregel, als zevende grond voor nietigverklaring aangevoerd dat het bestreden besluit geen rechtsgrondslag en geen rechtvaardigingsgrond heeft en in strijd is met de in document VI/5530/1997 van de Unie vervat liggende richtsnoeren.
De achtste grond voor nietigverklaring betreft schending van artikel 266 VWEU, met name niet-nakoming door de Commissie van haar verplichting om alle maatregelen te nemen welke nodig zijn ter uitvoering van het arrest van het Hof van Justitie, doordat de Commissie heeft nagelaten ten vervolge op het arrest van het Gerecht in zaak T-107/14 een bedrag van 29 366 975,06 EUR aan de Helleense Republiek terug te betalen, en schending van het beginsel van goed bestuur, van het rechtzekerheidsbeginsel en van het beginsel van loyale samenwerking tussen de Commissie en de lidstaten.
(1) Verordening (EG) Nr. 796/2004 van de Commissie van 21 april 2004 houdende uitvoeringsbepalingen inzake de randvoorwaarden, de modulatie en het geïntegreerd beheers- en controlesysteem waarin is voorzien bij verordening (EG) nr. 1782/2003 van de Raad tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften voor regelingen inzake rechtstreekse steunverlening in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot vaststelling van bepaalde steunregelingen voor landbouwers (PB 2004, L 141, blz. 18).
(2) Verordening (EG) nr. 1120/2009 van de Commissie van 29 oktober 2009 houdende bepalingen voor de uitvoering van de bedrijfstoeslagregeling waarin is voorzien bij titel III van verordening (EG) nr. 73/2009 van de Raad tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften inzake rechtstreekse steunverlening in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot vaststelling van bepaalde steunregelingen voor landbouwers (PB 2009, L 316, blz. 1).
(3) Verordening (EG) nr. 1290/2005 van de Raad van 21 juni 2005 betreffende de financiering van het gemeenschappelijk landbouwbeleid (PB 2005, L 209, blz. 1).
(4) Uitvoeringsverordening (EU) nr. 809/2014 van de Commissie van 17 juli 2014 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen voor verordening (EU) nr. 1306/2013 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft het geïntegreerd beheers- en controlesysteem, plattelandsontwikkelingsmaatregelen en de randvoorwaarden (PB 2014, L 227, blz. 69).