22.8.2016
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 305/48
Beroep ingesteld op 30 juni 2016 — Bank Saderat Iran/Raad
(Zaak T-349/16)
(2016/C 305/65)
Procestaal: Engels
Partijen
Verzoekende partij: Bank Saderat Iran (Teheran, Iran) (vertegenwoordigers: T. de la Mare, QC, R. Blakeley, barrister, en S. Jeffrey, S. Ashley en A. Irvine, solicitors)
Verwerende partij: Raad van de Europese Unie
Conclusies
—
nietigverklaring van uitvoeringsverordening (EU) 2016/603 van de Raad van 18 april 2016 tot uitvoering van verordening (EU) nr. 267/2012 betreffende beperkende maatregelen ten aanzien van Iran (PB 2016, L 104, blz. 8) en van besluit (GBVB) 2016/609 van de Raad van 18 april 2016 tot wijziging van besluit 2010/413/GBVB betreffende beperkende maatregelen tegen Iran (PB 2016, L 104, blz. 19), voor zover zij verzoekster betreffen;
—
verwijzing van de Raad in verzoeksters kosten.
Middelen en voornaamste argumenten
Ter ondersteuning van haar beroep voert verzoekster vijf middelen aan.
1.
Eerste middel: verzoekster is in april 2016 opnieuw op de lijsten geplaatst 1) op basis van misbruik van procedure en als zodanig misbruik van bevoegdheid, 2) in strijd met haar recht op behoorlijk bestuur, en 3) in strijd met de beginselen van kracht van gewijsde, rechtszekerheid en onherroepelijkheid.
2.
Tweede middel: verzoeksters hernieuwde plaatsing op de lijsten in april 2016 is in strijd met artikel 266 VWEU.
3.
Derde middel: bij verzoeksters hernieuwde plaatsing op de lijsten in april 2016 is blijk gegeven van een kennelijk onjuiste beoordeling.
4.
Vierde middel: verzoeksters hernieuwde plaatsing op de lijsten in april 2016 vormt een schending van haar grondrechten op eerbiediging van haar goede naam en op ongestoord genot van haar eigendom, en van de beginselen van evenredigheid en non-discriminatie.
5.
Vijfde middel: verzoeksters hernieuwde plaatsing op de lijsten in april 2016 is niet noodzakelijk op basis van het Joint Comprehensive Plan of Action (gezamenlijk alomvattend actieplan) en is daarmee in strijd.