5.9.2016
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 326/32
Beroep ingesteld op 19 juli 2016 — Ayuntamiento de Madrid/Commissie
(Zaak T-391/16)
(2016/C 326/55)
Procestaal: Spaans
Partijen
Verzoekende partij: Ayuntamiento de Madrid (Spanje) (vertegenwoordiger: F. Zunzunegui Pastor, advocaat)
Verwerende partij: Europese Commissie
Conclusies
De verzoekende partij verzoekt het Gerecht:
—
het beroep ontvankelijk te verklaren en de in het verzoekschrift aangevoerde middelen tot nietigverklaring gegrond te verklaren;
—
verordening (EU) nr. 2016/646 van de Commissie van 20 april 2016 tot wijziging van verordening (EG) nr. 692/2008 wat de emissies van lichte personen- en bedrijfsvoertuigen (Euro 6) betreft, waartegen het beroep is gericht, nietig te verklaren;
—
de Commissie te verwijzen in de kosten.
Middelen en voornaamste argumenten
Ter ondersteuning van haar beroep voert de verzoekende partij drie middelen aan.
1.
Nietigheid van de bestreden verordening wegens onbevoegdheid, aangezien de Europese Commissie ten onrechte heeft gebruikgemaakt van de regelgevingsprocedure met toetsing
In dit verband stelt de verzoekende partij dat de Commissie inbreuk heeft gemaakt op artikel 5, lid 3, van verordening (EG) nr. 715/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2007 betreffende de typegoedkeuring van motorvoertuigen met betrekking tot emissies van lichte personen- en bedrijfsvoertuigen (Euro 5 en Euro 6) en de toegang tot reparatie- en onderhoudsinformatie (PB L 171, blz. 1).
Zij betoogt verder dat de bestreden verordening, aangezien daarbij een Europees stelsel met nieuwe, naar boven herziene NOx-emissiegrenswaarden wordt ingevoerd, een essentieel onderdeel van de basishandeling wijzigt, zodat de Commissie in strijd heeft gehandeld met de voor de vaststelling ervan voorgeschreven wijze, en zich schuldig heeft gemaakt aan schending van wezenlijke vormvoorschriften.
2.
Schending van voorschriften van primair recht en afgeleid recht en van algemene beginselen van Unierecht
De verzoekende partij betoogt dat de bestreden verordening voorbijgaat aan de artikelen 3, 11, 114, lid 3, en 191 VWEU, alsook aan de artikelen 35 en 37 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.
De verzoekende partij stelt voorts dat de bestreden verordening:
—
in strijd is met richtlijn 2008/50/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 mei 2008 betreffende de luchtkwaliteit en schonere lucht voor Europa (PB L 152, blz. 1), wat de beperking van de maximumwaarden voor de uitstoot van stikstof door dieselvoertuigen betreft;
—
in strijd is met artikel 4 van de voornoemde verordening nr. 715/2007;
—
tevens in strijd is met verordening (EG) nr. 692/2008 van de Commissie van 18 juli 2008 tot uitvoering en wijziging van verordening (EG) nr. 715/2007 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de typegoedkeuring van motorvoertuigen met betrekking tot emissies van lichte personen- en bedrijfsvoertuigen (Euro 5 en Euro 6) en de toegang tot reparatie- en onderhoudsinformatie (PB L 199, blz. 1).
3.
Misbruik van bevoegdheid
—
aangezien er objectieve, relevante en onderling overeenstemmende aanwijzingen zijn dat het doel dat de Commissie nastreeft met de bestreden verordening, waarbij de grenswaarden voor NOx-emissies van lichte personen- en bedrijfsvoertuigen worden verhoogd, niet overeenstemt met het doel dat in het Unierecht tot uitdrukking komt en evenmin met het doel dat zij zelf verklaart na te streven;
—
aangezien de procedure waarin het VWEU specifiek voorziet, is omzeild om het hoofd te bieden aan de omstandigheden van het geval. Daar de Commissie de regelgevingsprocedure met toetsing heeft gevolgd in plaats van de gewone wetgevingsprocedure, heeft zij wezenlijke vormvoorschriften geschonden in de procedure tot vaststelling van de bestreden verordening, die ongeldig is wegens onbevoegdheid, en
—
ten slotte, aangezien de betrokken verordening evenmin beantwoordt aan het belang van de Unie.