10.10.2016
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 371/13
Beroep ingesteld op 31 juli 2016 — Makhlouf/Raad
(Zaak T-410/16)
(2016/C 371/15)
Procestaal: Frans
Partijen
Verzoekende partij: Rami Makhlouf (Damascus, Syrië) (vertegenwoordiger: E. Ruchat, advocaat)
Verwerende partij: Raad van de Europese Unie
Conclusies
De verzoekende partij verzoekt het Gerecht:
—
het beroep van verzoeker ontvankelijk en gegrond te verklaren;
—
dientengevolge besluit (GBVB) 2016/850 van 27 mei 2016 en de uitvoeringshandelingen daarvan nietig te verklaren, voor zover zij verzoeker betreffen;
—
de Raad van de Europese Unie te verwijzen in de kosten.
Middelen en voornaamste argumenten
Ter ondersteuning van zijn beroep voert verzoeker vijf middelen aan.
1.
Eerste middel: schending van de rechten van verdediging en van het recht op een doeltreffende rechterlijke bescherming, dat is neergelegd in de artikelen 6 en 13 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (hierna: „EVRM”), artikel 215 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (hierna: „VWEU”) en de artikelen 41 en 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.
2.
Tweede middel: schending van de motiveringsplicht, voor zover de door de Raad verstrekte motivering niet voldoet aan de verplichting die krachtens artikel 6 EVRM, artikel 296 VWEU en artikel 41 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie op de instellingen van de Europese Unie rust.
3.
Derde middel: de Raad heeft een kennelijke beoordelingsfout gemaakt wat betreft de betrokkenheid van verzoeker bij de financiering van het Syrische regime.
4.
Vierde middel: de bestreden maatregelen beperken op ongerechtvaardigde en onevenredige wijze verzoekers grondrechten en meer bepaald zijn in artikel 1 van het eerste aanvullend protocol bij het EVRM en in artikel 17 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie neergelegde recht op eigendom, zijn in de artikelen 8 en 10, lid 2, EVRM neergelegde recht op eerbiediging van zijn eer en goede naam, het in artikel 6 EVRM en in artikel 48 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie neergelegde beginsel van het vermoeden van onschuld, het in artikel 10 EVRM neergelegde recht op vrijheid van meningsuiting, en ten slotte het in artikel 2, lid 2, van het vierde protocol bij het EVRM neergelegde recht op vrijheid van verplaatsing.
5.
Vijfde middel: schending van de richtsnoeren van de Raad van 2 december 2005 inzake de implementatie en evaluatie van restrictieve maatregelen (sancties) in het kader van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid van de EU (document 15114/05 van de Raad van 2 december 2005).
Full & Egal Universal Law Academy