Zaak T-411/16: Beroep ingesteld op 31 juli 2016 — Syriatel Mobile Telecom/Raad
C3642016NL1810120160731NL0015181192
Beroep ingesteld op 31 juli 2016 — Syriatel Mobile Telecom/Raad
(Zaak T-411/16)2016/C 364/15Procestaal: Frans
Partijen
Verzoekende partij: Syriatel Mobile Telecom (Joint Stock Company) (Damascus, Syrië) (vertegenwoordiger: E. Ruchat, advocaat)
Verwerende partij: Raad van de Europese Unie
Conclusies
De verzoekende partij verzoekt het Gerecht:
—
het beroep van verzoekster ontvankelijk en gegrond te verklaren;
—
dientengevolge besluit (GBVB) 2016/850 van 27 mei 2016 en de uitvoeringshandelingen daarvan nietig te verklaren, voor zover zij verzoekster betreffen;
—
de Raad van de Europese Unie te verwijzen in de kosten.
Middelen en voornaamste argumenten
Ter ondersteuning van haar beroep voert de verzoekende partij vijf middelen aan.
1.
Eerste middel: schending van de rechten van verdediging en van het recht op doeltreffende rechterlijke bescherming, dat is vervat in de artikelen 6 en 13 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (hierna: „EVRM”), artikel 215 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (hierna: „VWEU”) en de artikelen 41 en 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.
2.
Tweede middel: schending van de motiveringsplicht, voor zover de door de Raad verstrekte motivering niet voldoet aan de verplichting die krachtens artikel 6 EVRM, artikel 296 VWEU en artikel 41 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie op de instellingen van de Europese Unie rust.
3.
Derde middel: de Raad heeft een kennelijke beoordelingsfout gemaakt wat betreft de betrokkenheid van verzoekster bij de financiering van het Syrische regime.
4.
Vierde middel: de bestreden maatregelen beperken op ongerechtvaardigde en onevenredige wijze verzoeksters grondrechten en meer bepaald haar in artikel 1 van het eerste aanvullend protocol bij het EVRM en in artikel 17 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie vervatte recht op eigendom, en haar in de artikelen 8 en 10, lid 2, EVRM neergelegde recht op eerbiediging van haar eer en goede naam.
5.
Vijfde middel: schending van de richtsnoeren van de Raad van 2 december 2005 inzake de implementatie en evaluatie van restrictieve maatregelen (sancties) in het kader van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid van de EU (document 15114/05 van de Raad van 2 december 2005).
Full & Egal Universal Law Academy