26.9.2016
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 350/23
Beroep ingesteld op 29 juli 2016 — SJM Coordination Center/Commissie
(Zaak T-420/16)
(2016/C 350/29)
Procestaal: Engels
Partijen
Verzoekende partij: St. Jude Medical Coordination Center (SJM Coordination Center) (Zaventem, België) (vertegenwoordigers: F. Louis en J. Ylinen, advocaten)
Verwerende partij: Europese Commissie
Conclusies
—
het besluit van de Commissie van 11 januari 2016 betreffende de staatssteunregeling inzake vrijstelling van overwinst SA.37667 (2015/C) (ex 2015/NN), door het Koninkrijk België ten uitvoer gelegd, nietig verklaren;
—
subsidiair, het bestreden besluit nietig verklaren, voor zover verzoekende partij erin als begunstigde van de vermeende steunregeling wordt genoemd;
—
subsidiair, het bestreden besluit nietig verklaren, voor zover daarbij wordt gelast van verzoekende partij enig bedrag aan vermeende steun terug te vorderen, en
—
de Commissie verwijzen in de kosten.
Middelen en voornaamste argumenten
Ter ondersteuning van haar beroep voert verzoekende partij tien middelen aan.
1.
Eerste middel: ontbreken van bevoegdheid.
Verzoekende partij voert aan dat de Commissie niet bevoegd is het bestreden besluit te nemen en dat het bestreden besluit in strijd is met het beginsel van bevoegdheidstoedeling, dat de bevoegdheden van de Unie inperkt.
2.
Tweede middel: schending van het recht om te worden gehoord.
Verzoekende partij voert aan dat de tegenstrijdige standpunten van de Commissie in haar inleidingsbesluit en in het bestreden besluit het recht van verzoekende partij om te worden gehoord, hebben geschonden.
3.
Derde middel: onjuiste kwalificering als een steunregeling.
Verzoekende partij voert aan dat het bestreden besluit abusievelijk stelt dat er sprake is van een steunregeling, dat de benadering van de Commissie in strijd is met haar plicht om de onderzochte feiten volledig, zorgvuldig en onpartijdig te onderzoeken.
4.
Vierde middel: ontoereikende motivering.
Verzoekende partij voert aan dat de Commissie geen behoorlijke motivering heeft gegeven voor het vaststellen van het bestreden besluit.
5.
Vijfde middel: onjuiste constatering van selectiviteit in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU.
Verzoekende partij voert aan dat het bestreden besluit op vele punten onjuist is met betrekking tot alle drie de stappen voor het vaststellen van selectiviteit: i) artikel 185, lid 2, onder b), van het Belgische Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (hierna: „WIB”) en de regel voor overwinst kunnen niet worden uitgesloten van het referentiestelsel; ii) de door verzoekende partij ontvangen ruling maakt geen inbreuk op a) het zakelijkheidsbeginsel, en ook niet op b) het Belgische stelsel van vennootschapsbelasting; en iii) de vermeende afwijking zou zijn gerechtvaardigd door de noodzaak dubbele belastingheffing te voorkomen.
6.
Zesde middel: geen voordeel.
Verzoekende partij voert aan dat het bestreden besluit niet onderzoekt of er sprake is van een voordeel. Volgens verzoekende partij heeft zij geen voordeel behaald en is enig profijt ervan in overeenstemming met het zakelijkheidsbeginsel dat is neergelegd in artikel 9 van het OESO-modelbelastingverdrag, dat bij artikel 185, lid 2, WIB in het Belgische recht is geïntroduceerd.
7.
Zevende middel: schending van het beginsel van gelijke behandeling.
Verzoekende partij voert aan dat het bestreden besluit in strijd is met het beginsel van gelijke behandeling door i) te stellen dat het zakelijkheidsbeginsel belastingdiensten het recht geeft de belastinggrondslag van multinationale ondernemingen te verhogen en tegelijkertijd een concreet risico op dubbele belastingheffing te eisen om ruimte te laten voor aanpassingen naar beneden, en ii) het onderzoek naar een voordeel te beperken tot het niveau van de Belgische entiteit van de multinationale onderneming.
8.
Achtste middel: schending van de beginselen van rechtszekerheid en legaliteit.
Het bestreden besluit schendt het rechtszekerheidsbeginsel door i) te breken met de rechtspraak en de eerdere eigen praktijk van de Commissie, en ii) het vermeende voordeel niet te hebben vastgesteld.
9.
Negende middel: terugvorderingsresultaten bij dubbele belastingheffing.
Verzoekende partij betoogt dat het bestreden besluit ten onrechte ervan uitgaat dat er geen sprake kan zijn van zorgen omtrent dubbele belastingheffing, die zouden toenemen als verzoekende partij werd gelast enig bedrag te betalen in de terugvorderingsprocedure. Volgens verzoekende partij dient het bestreden besluit derhalve nietig te worden verklaard, voor zover België erin wordt gelast van verzoekende partij een bedrag terug te vorderen.
10.
Tiende middel: terugvordering kan niet afhankelijk zijn van het oordeel van de Commissie.
Verzoekende partij voert aan dat het bestreden besluit de Commissie een discretionaire bevoegdheid lijkt te geven om aanpassingen van de belastinggrondslag van de belastingbetaler op basis van reële feitelijke omstandigheden ten tijde van het ontvangen van de ruling, te verwerpen.